De koper-koning van Congo

Congo is straatarm, terwijl zijn ondergrond bulkt van de rijkdom. Wie wordt er beter van het Congolese koper, kobalt of uranium? MO* kreeg twee mijnexploitatie-contracten in handen en liet die analyseren door een gespecialiseerd advocatenkantoor. Besluit: Congo wordt gepluimd. Een Congolees parlementair onderzoek dat daarvoor waarschuwde, wordt niet vrijgegeven. MO* kreeg het wel vast. De Belgische overheden staan erbij en kijken ernaar, terwijl de Belgische ondernemer George Forrest een hoofdrol speelt.

John Vandaele

MO*redactie
Globalisering & wereldpolitiek, Oost-Azië, Centraal-Afrika
28 maart 2006

Als alles goed gaat, vinden binnenkort voor het eerst in veertig jaar weer verkiezingen plaats in Congo. Bijna 26 miljoen mensen hebben zich de voorbije maanden geregistreerd voor de stembusgang, een heksentoer in een land zonder wegennet die naam waardig. Met prauwen, terreinwagens of helikopters werden de stemcomputers annex-generator-annex-benzine tot in de meest afgelegen gebieden gebracht om toch maar een waterdichte registratie mogelijk te maken met een foto en twee vingerafdrukken. ‘Het was een nachtmerrie omgezet in een mirakel’, vindt Ross Mountain, adjunct-hoofd van VN-operatie in Congo -met 23.000 mensen, waarvan 17.000 militairen. De internationale gemeenschap had 450 miljoen euro over voor de organisatie van de verkiezingen. België legde 16 miljoen euro op tafel.

De grote hoop is dat die verkiezingen tot een beter bestuur van het land leiden. De noden zijn alvast enorm: ouders betalen nog altijd een groot deel van de leraarslonen, de gezondheidszorg is zeer zwak, de Congolezen behoren tot de armste mensen ter wereld. Er is zelfs geen geld meer om de taxi’s geel te verven. De internationale gemeenschap zorgt nu al voor zestig procent van het overheidsbudget en stelt meer in het vooruitzicht als de verkiezingen goed aflopen. Minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht beloofde begin februari in Congo bijna een verdubbeling van de Belgische hulp. Maar Congo kan niet blijven goederen invoeren met gekregen geld. Het moet dus ook zelf exporteren.

Internationaal competitief zijn is niet evident voor een land met een uiterst krakkemikkige infrastructuur en een bevolking die weinig geschoold is. Dé troef van Congo is zijn ondergrond, die vol zit met grondstoffen die de rest van de wereld nodig heeft. Het schandaal is dat de Congolezen zelf tot nu toe zelden iets gehad hebben aan die Congolese grondstoffenrijkdom. In de koloniale tijd waren het vooral de Belgen die er beter van werden en in het Mobutu-tijdperk was het le président-fondateur die het geld uit de staatskas roofde.

Wordt alles anders na de verkiezingen? Wordt de rijke ondergrond eindelijk een stevig fundament voor de heropbouw van het land? Het antwoord op die vraag hangt op de eerste plaats of van wat er gebeurt in de provincie Katanga, die bulkt van de grondstoffen en altijd al het meeste geld in de staatskas bracht. De externe omstandigheden zijn sinds lang niet meer zo goed geweest: de grondstoffenhonger van de groeiende giganten China en India jagen de grondstoffenprijzen de hoogte in. Maar hoe zit het in Congo zelf?

Plundering gedefinieerd

Volgens het IMF is ongeveer een vijfde van de Congolese bevolking afhankelijk van ambachtelijke of informele mijnbouw. 800.000 mensen werken in de diamantsector, 60.000 in de zogenaamde copperbelt van Katanga. Hoe primitief de ambachtelijke mijnbouw is, blijkt bij een bezoek aan de open mijn van Ruashi, op 20 km van het centrum van de Katangese hoofdstad Lubumbashi. Jongemannen graven en kappen er onder een loden zon met eenvoudige schoppen de grond weg, op zoek naar ertshoudende stukken ondergrond.

Kinderen vanaf acht jaar verrichten kleine hand- en spandiensten voor enkele eurocenten. De ertshoudende brokken worden in zakken naar de weg gesjokt waar tussenhandelaars - negociants- de zakken opladen om ze naar zogenaamde comptoirs te brengen. Het werk is onveilig en ongezond, en bovendien heeft Congo erg weinig aan deze wilde exploitatie. In 2004 kregen creuseurs per ton kobalt omgerekend 1000 dollar, terwijl die op de wereldmarkt 55.000 dollar waard was. Op die manier wordt met de grondstoffenrijkdom geen basis gelegd voor de duurzame ontwikkeling van Congo.
Er worden geen wegen mee gebouwd of onderwijzers mee betaald. De Belgische senaatonderzoekscommissie over grondstoffenplunderingen in Congo (2003) definieerde plundering als ‘uitbating van de Congolese rijkdommen op een manier die de Congolezen of de Staat niet of in onvoldoende mate ten goede komen’. Die definitie is hier perfect van toepassing. [In MO*27 schreef Sara Frederix een uitgebreid verslag van haar bezoek aan de informele mijnbouw in Congo.]

Veel erts verlaat het land zonder enige vorm van bewerking of belasting: per trein of vrachtwagen naar Zambia, Zuid-Afrika en zo naar de wereldmarkt. China is de voornaamste afnemer geworden, maar ook de leveranciers van Umicore, zoals het Indiase bedrijf Chemaf, halen hun ruw materiaal uit dit circuit. ‘De top van Umicore zit verlegen met de kinderarbeid die eraan verbonden is en poogt via contractuele bepalingen daar iets aan te doen’, zegt Marc-Olivier Herman van Broederlijk Delen. ‘Het is een  eerste stap. Maar de weg is nog lang.’

België heeft zware kritiek op de rol van de Chinezen in deze handel. ‘Ook de Forrestgroep neemt af van de creuseurs, maar daar horen we België niet over’, stelt Herman. Ons land wil een systeem opzetten dat de Congolese ertsen traceerbaar maakt, om zo de illegale stromen te kunnen afzonderen. België steunt ook projecten die op termijn de kinderarbeid in de mijnen moeten afbouwen en de creuseurs langzaam in het formele mijnbouwcircuit moeten opnemen.

De jaren van uitverkoop

Het was ooit anders. Tot 1990 was het staatsbedrijf Gécamines, dat alle mijnrechten in Katanga bezit, de grote melkkoe van de overheid, goed voor een derde van de staatsinkomsten. Het geheim van die grote rendabiliteit zat in het feit dat de gewonnen ertsen op grote schaal in Congo zelf werden geraffineerd. Daar kan nu enkel nog van gedroomd worden. Gécamines produceert zelf nog amper 20.000 ton kopererts, in 1985 was dat nog 470.000 ton.

Het slechte management, de plundering door Mobutu, de bestuurlijke chaos tijdens de oorlog, het leidde allemaal samen tot de ineenstorting van het staatsbedrijf, met alle gevolgen van dien voor de ooit meer dan 30.000 personeelsleden. Vandaag werken er nog 12.000 mensen en de nieuwe baas stelde begin februari dat dit nog de helft teveel is. In 2004 betaalde Gécamines 450.000 dollar aan belastingen. Peanuts in vergelijking met de honderden miljoenen dollars die het bedrijf vroeger opbracht.

De voorbije tien jaar werden delen van Gécamines stap voor stap geprivatiseerd door joint ventures aan te gaan waarin Gécamines telkens een aantal mijnrechten inbracht en de privé-partners geld. Die joint ventures produceerden in 2004 allemaal samen 12.000 ton kopererts, en de raffinage overschrijdt zelden de 20 procent. De totale kobaltopbrengst in dat jaar was met 9000 ton wel bijna op het niveau van de jaren tachtig. De mijnexploitatie in Katanga richt zich de laatste jaren sterk op kobalt omdat dit op korte termijn meer oplevert.
 
De joint ventures zijn op een bijzonder ondoorzichtige en chaotische manier tot stand gekomen. Tijdens de oorlogsjaren 1996-1998 financierde Laurent-Désiré Kabila, de vader van de huidige president Joseph Kabila, zijn leger door delen van de mijnrechten van Gécamines te verkopen aan private spelers uit het buitenland. Ook na de oorlog werd voortgegaan op dit pad van privatisering, mede onder druk van de Wereldbank en het Internationaal Muntfonds. Zoals de voorbije twintig jaren in zoveel landen werd bewezen, bleek helaas ook hier dat een privatisering die de bevolking ten goede komt maar mogelijk is als een sterke en capabele overheid die in goede banen leidt.

Het IMF stelde vast dat alle private mijnbedrijven, in hoofdzaak joint ventures van Gécamines, samen in 2004 slechts 400.000 dollar  belastingen betaalden. In Congo bedroeg het overheidsinkomen uit de mijnsector 0,18 procent van het nationaal inkomen, tegen 22 procent in het eveneens grondstoffenrijke Botswana. ‘Er is dus veel ruimte voor verbetering’, stelde het IMF in 2004. Lees: de mijnsector zou veel meer kunnen opbrengen voor de Congolezen. De vraag is: hoe komt het dat dit nu niet het geval is, en wat moet er gebeuren om die opbrengst te verbeteren?

Het verborgen rapport

Over die vragen zijn verschillende uiterst interessante rapporten geschreven. In de schoot van het Congolese overgangsparlement werd in 2004 een onderzoekscommissie belast met het onderzoek naar de geldigheid van de contracten die tijdens de oorlogsjaren 1996-1998 werden afgesloten. De commissie, onder leiding van Christophe Lutundula, leverde op 25 juni 2005 haar rapport af, maar het parlementsbureau met daarin alle grote partijen weigert al zeven maanden het rapport publiek te maken.

De mannen aan de macht  -Kabila op kop- vrezen immers stemmenverlies als de conclusies bij iedereen bekend geraken. MO* kon het rapport wel inkijken. De contracten die werden afgesloten over de Katangese bodemrijkdommen worden er scherp in bekritiseerd.

  • Er wordt in de contracten geen raming gemaakt van de natuurlijke rijkdommen die de overheid in partnerships inbrengt en het is dus moeilijk een billijke vergoeding voor die inbreng vast te stellen. Ook al omdat er vooraf geen haalbaarheidsstudie wordt verricht.
  • Er wordt amper geëist dat de privé-partner eigen kapitaal inbrengt. De privé-spelers brengen in het partnership eigenlijk niet veel meer in dan  hun toegang tot krediet, een toegang die de Gécamines met al zijn schulden heeft verloren. Dat betekent dat eventuele inkomsten in de eerste plaats dienen om die leningen af te betalen, waardoor Gécamines geen geld ziet. 
  • Het beheer van de joint venture wordt in handen van de privé-partner gegeven, die naar hartenlust kosten kan inbrengen (transport, chemicaliën, management fees) die de winst en dus de dividenden voor Gécamines drukken. 
  • De minimale voorwaarden inzake mijnbouw die de overheid zelf heeft afgekondigd, worden door de ministers en zelfs door de president [de ouwe Kabila op dat moment] genegeerd. 
  • Er wordt aanvaard dat de private partners off shore adressen hebben. Gevolg: bij failliet blijft Gécamines met de schulden achter. 
  • Geen enkele partner beschikte over een mijnervaring die in verhouding stond tot de omvang van de projecten.

Om al die redenen leveren die joint ventures Gécamines, en dus Congo, heel weinig geld op. Tot grote woede van de werknemers. Die zien immers hoe hun Gécamines wordt uitgekleed terwijl ze zelf op hun achterstallige lonen moeten wachten.  Momenteel heeft Gécamines een loonlast van 3 miljoen dollar terwijl er jaarlijks maar 1,5 miljoen dollar binnenkomt.

Forrest: onderkoning van Katanga

De bevindingen van de commissie Lutundula zijn perfect in overeenstemming met het rapport dat International Mining Consultants (IMC) in 2003 in opdracht van de Wereldbank maakte over Gécamines. Het IMC-rapport, dat ook al nooit publiek werd gemaakt, zag een zelfde patroon waarbij de private partners relatief weinig inbrengen, maar wel een pak meer uit de joint ventures slepen dan Gécamines.
Cruciaal is volgens IMC dat de contracten toelaten om de winst buiten Congo te maken. Omdat in al die contracten de private partner het beheer in handen heeft, en zelf veel diensten toelevert, kan hij naar believen spelen met de kosten van die diensten.

Die kritiek klinkt ook in verband met de joint ventures van Gécamines met de groep van de Belg George Forrest, omdat die groep als aannemer van allerlei werken juist erg veel diensten zelf kan leveren. IMC wees er bijvoorbeeld op dat de Forrestgroep de STL-fabriek in Lubumbashi (joint venture met Gécamines en het Amerikaanse OMG) mocht bouwen zonder dat de prijs van de werken werd gecontroleerd door een aanbestedingsprocedure.

Luiswhishi, een ander partnership tussen Gécamines en de Forrest Groep wordt in het Lutundula-rapport genoemd als een van de weinige partnerships die de staat effectief wat geld opbracht. Daarover ondervraagd, zei Christophe Lutundula: ‘Er valt ook heel wat op te merken over de contracten van Forrest, maar hij lijkt me wel de minst slechte van wie er nu in Katanga actief. Hij is ook de enige die gekend is.’ Marc Herman van Broederlijk Delen draait die redenering om: ‘Forrest zorgt er juist voor dat hij de enige ernstige ondernemer is in Katanga. Dankzij het relatienetwerk dat hij de voorbije dertig jaar heeft opgebouwd, heeft hij geen behoefte aan heldere regels, integendeel. Zijn comparatief voordeel is juist dat hij kan functioneren in een omgeving zonder duidelijke rechtsregels.’

De joint ventures brengen weinig geld in het laatje maar scheppen wel werkgelegenheid. En ere wie ere toekomt, zelfs de grootste tegenstanders van Forrest erkennen dat hij zijn personeel zo ongeveer de beste loon- en arbeidsvoorwaarden van de hele regio geeft. Hij laat sinds kort ook vakbonden toe, wat niet gezegd kan worden van de Indiase bedrijven als Chemaf. Ook Jean-Pierre Muteba van Nouvelle Dynamique Sociale, een vakbond die heel wat Gécamineswerkers vertegenwoordigt en zeer kritisch staat tegenover Forrest, erkent dat.

‘Het probleem zit vooral in het feit dat hij toegang krijgt tot de beste mijnconcessies van het land zonder dat daar veel tegenover staat, behalve dan wat jobs.’ Dat klopt: het is niet omdat Forrest zijn personeel relatief goed behandelt, dat hij Congo geen schade zou berokkenen, bijvoorbeeld door de aard van de contracten die hij met Gécamines aangaat, en door de manier waarop hij ze uitvoert.

Nu ook de kroonjuwelen

Juist omdat die joint ventures zo weinig geld in het laatje brengen, pleitten zowel het IMC-rapport als het Lutundularapport er sterk voor dat Gécamines er voorlopig geen nieuwe zou afsluiten. Het IMC-rapport vond dat de mijnconcessies die Gécamines in 2003 nog bezat, volstonden om het bedrijf opnieuw op gang te trekken. Ook de commissie Lutundula vond het ‘aanbevolen alle lopende onderhandelingen over de mijn van Kamoto, de fabriek van Luilu en de concentrator van Kamoto, die de ruggengraat van Gécamines vormen, onmiddellijk stop te zetten.’

Het rapport werd neergelegd op 25 juni 2005 bij het bureau van het parlement met daarin alle grote partijen. In augustus 2005 ondertekende president Kabila een decreet dat Kamoto en Kamoto Oliviera Virgule (KOV) en andere belangrijke bewerkingsinstallaties voor minstens 20 jaar aan de privé doorspeelde, meer bepaald aan enkele oude vertrouwden: de groep Forrest en Dan Gertler, de Israeli die al zeer sterk staat in de Congolese diamantsector. Volgens de IMC zijn Kamoto en KOV goed voor niet minder dan 70 procent van de beschikbare koperreserves van Katanga.

De legendarische “gunstige wind” deed deze contracten op de redactie van MO* belanden. Samen met Broederlijk Delen, 11.11.11 en de Britse ngo Raid lieten we de contracten analyseren door het gespecialiseerde consultantbureau Fasken, Martineau en DuMoulin (zie kader).

Zelfs zonder die specifieke knowhow valt op dat de contracten zondigen tegen alle don’t en do’s die de Lutundula-commissie op een rijtje zet. De partners van Gécamines bevinden zich in beide gevallen op de Britse Maagdeneilanden, er wordt eens te meer geen raming gemaakt van de inbreng van Gécamines alhoewel het hier gaat om de rijkste koperbodems ter wereld, met erts dat tussen 3 en 5 procent kopergehalte heeft. Ter vergelijking: ‘s werelds grootste koperproducent Chili doet het met gehaltes van 0,8 procent.

Het beheer zal in handen zijn van de private partners die alle inkomsten naar rekeningen op de Britse Maagdeneilanden mogen versassen. Er was geen internationale aanbesteding. Opnieuw worden er geen minimumvereisten gesteld voor het in te brengen eigen kapitaal, alles mag worden geleend, wat enorm drukt op de te verwachten inkomsten voor Gécamines, want de opbrengsten moeten in eerste instantie naar de afbetalingen gaan. De partners beschikken niet over de mijnervaring die in verhouding staat tot de enorme omvang van het project. Dat laatste ligt anders voor de mijn van Tenke Fungurume waar Phelps-Dodge, een van de grootste mijnbedrijven ter wereld, een van de partners is. Phelps beschikt wel degelijk over de capaciteiten om deze rijke koperreserve van 547 miljoen ton met 3,5 procent koper en 0,27 procent kobalt te ontginnen.

Een tango mortale

Het besluit van Fasken, Martineau en DuMoulin is duidelijk: eens te meer zal Gécamines, en dus de Congolese bevolking, weinig voordeel halen uit dit partnership, ook al gaat het dit keer om de grootste bekende voorraden van Katanga. Daarmee lijkt de definitie die de Belgische senaat in 2003 van plundering (zie hoger) gaf ook hier van toepassing. Daarmee gaat dus een kans verloren om van de Katangese rijkdommen opnieuw de cashkoe van de Congolese staat te maken. Een parlementaire commissie én een Wereldbank-rapport raden dit soort contracten af. Toch worden ze getekend.

In augustus 2004 werd beslist dat het Franse Sofreco voortaan het beheer van Gécamines zou waarnemen. De Congolese politici slaagden erin de effectieve benoeming van een nieuwe internationale topman tot begin 2006 uit te stellen, zodat ze zonder buitenlander aan het hoofd van Gécamines de kroonjuwelen konden onderhandelen. Waarom doet de Congolese overheid dat? Een consultant die een en ander van dichtbij meemaakte: ‘Omdat het management van Gécamines niet echt over de capaciteiten beschikte om goed te onderhandelen en omdat de politici “oplosbaar zijn in dollars”.’

Christophe Lutundula: ‘De leiders hebben weinig respect voor het parlement. Als dezelfde mensen aan het roer blijven, zal dit beleid ook doorgaan. Bovendien spijzen politici op die manier -en dus ten koste van de lange termijnbelangen van Congo- hun verkiezingskas.’ Een tijd geleden al lekte een intern document van de PPRD, de partij van Joseph Kabila, uit: ‘Onderstrepen we dat meneer George Arthur Forrest en zijn groep eruit springen omdat ze ons stap voor stap hebben gesteund in de geleidelijke inplanting van onze partij.’

Nogal wat mensen pleiten ervoor om het Lutundularapport pas na de verkiezingen te bespreken, omdat de explosieve inhoud ervan de hele verkiezingsgang in het gedrang zou kunnen brengen. Mwando Nsimba, die al een heel leven in alle geledingen van de Congolese politiek achter de rug heeft, gelooft niet in die strategie: ‘Het feit dat al deze zaken niet gekend zijn door de Congolezen, maakt dat ze ook geen rol spelen in de verkiezingen. Dat verhoogt de kans dat Kabila wordt verkozen.

Nogal wat mensen denken dat het na de verkiezingen allemaal beter wordt, dat we het dan allemaal kunnen rechttrekken. Ik vrees dat het erger wordt. De president zal zich gesteund voelen en doorgaan. Onder Mobutu was het net zo. De internationale gemeenschap dacht: we mogen hem niet teveel lastigvallen en hij werd steeds stoutmoediger.’

Lutundula vindt dat de internationale gemeenschap veel harder moet aandringen op goed bestuur. ‘Waarom laat men die twee contracten tekenen? De internationale gemeenschap wist heus wel dat die contracten op komst waren. Ik vrees dat er economische belangen spelen. Ook bij België, dat hier veel goeds doet maar toch ook die contracten liet passeren en er geen kritiek op gaf. Dat is een tweeslachtig beleid. België en de EU moet veel harder kritiek uitoefenen op onze leiders. Dat is geen neokolonialisme als je weet dat 60 procent van het overheidsbudget uit het buitenland komt.’ Marc-Olivier Herman van Broederlijk Delen vindt eveneens dat België goed werkt verricht op militair en politiek vlak, maar al te veel laat betijen op economisch gebied. ‘Ons land wil, via Forrest, ook een deel van de koek en dreigt daarmee de toekomst van Congo te hypothekeren.’

Om een contract te tekenen, moet je met twee zijn: it takes to two to tango. Dan verbaast het dat Minister De Gucht wel kritiek uit op de Congolese leiders, maar zo weinig aan te merken heeft op de andere partner in deze tango mortale, de private actoren. Een van hen, George Forrest, herbenoemde hij zelfs tot adviseur Buitenlandse Handel. Om een reactie gevraagd, zei Karel De Gucht geen commentaar te willen geven op contracten die hij niet kende. ‘Ik denk dat ik met het Tanzaniadossier genoeg bewezen heb dat ik onafhankelijk sta tegenover Forrest. Maar ik heb ook geen zin om er de grote slechterik van te maken, want hij is beter dan de meeste ondernemers in Katanga. Bovendien weet hij dat hij zich zal moeten aanpassen als er in Congo een rechtsstaat groeit. Die herbevestiging tot adviseur Buitenlandse Handel is een louter symbolische kwestie.’ Symbolen hebben echter betekenis en die ontgaat de Congolese bevolking niet.

We danken International Peace Information Service (Antwerpen) voor hun steun bij de research voor dit artikel.

De contracten onthuld

Het Canadese gespecialiseerde advocatenkantoor Fasken, Martineau en DuMoulin analyseerde voor ons twee recente mijncontracten waarbij de kroonjuwelen van de Katangese mijnindustrie in handen komen van privé-bedrijven. Het ene contract is afgesloten tussen Gécamines en Kinross-Forrest (ondertussen Katanga Mining Ltd), die samen de Kamoto Copper Company (KCC) oprichten. Deze joint venture zal de Kamotomijn- en concentrator en de hydrometallurgische fabriek van Luilu uitbaten. Deze zeer rijke koperreserves en verwerkingsinstallaties vormen in feite het hart van Gécamines. Katanga Mining, waar George Forrest het samen met de Canadees Arthur Ditto voor het zeggen heeft, bezit 75 procent van de aandelen van KCC. We hebben een kopie in handen van februari 2004.

Het andere contract tussen Global Enterprises Corporate (GEC) en Gécamines gaat over de uitbating van de open mijn van KOV en de vindplaatsen van Kananga en Tilwezembe. Dit dateert van september 2004.

Fasken, Martineau en DuMoulin heeft bijzonder veel vragen bij de contracten. Enkele uittreksels uit de analyse over het Kinross-Forrestcontract. ‘In gevallen als deze is het de praktijk, soms zelfs wettelijk bepaald, om een audit en een evaluatie te organiseren van de inbreng in natura, zodat beide partners zeker zijn dat hun inbreng een faire waarde kreeg. De aandelen in het kapitaal worden op basis van die inbreng verdeeld. Hier is die verdeling gebeurd zonder een haalbaarheidsstudie.

Is de inbreng van Gécamines eerlijk ingeschat? Wat zou de kost geweest zijn om een complete infrastructuur te bouwen (wegen, elektriciteitsstations, waterkanalen, spoorwegen, toegang tot publieke voorzieningen) in dat gebied? Of een nieuwe fabriek en installaties? Hoe moeten de relatieve risico’s worden afgewogen vermits geen enkele van de activa van Kinross-Forrest als garantie worden gegeven voor de leningen?’

Kinross-Forrest mag van de bruto-opbrengsten een zeer breed omschreven waaier van kosten aftrekken. Dat roept veel vragen op bij FMD, omdat  op die manier de kat bij de melk wordt gezet: ‘Een betaling [ van huurkosten] gebaseerd op nettowinsten is speculatief. Om die reden zal het percentage gewoonlijk hoger zijn, tussen de 10 en 15 procent. (Hier is het maar 2 procent, jvd). Maar zelfs een hoger percentage compenseert niet geheel het risico dat vasthangt aan een betaling gebaseerd op een nettobedrag, zeker in het geval dat alle operaties gecontroleerd worden door diegene die de huur moet betalen.’

De besluiten van FMD zijn duidelijk.

  • Het is niet onredelijk om aan te nemen dat Kinross-Forrest volledig terugbetaald zal zijn in intresten en kapitaal van alle leningen en voorschotten, en substantiële voordelen zal hebben gehaald uit de controle die het zal hebben uitgeoefend op de werking vooraleer Gécamines enige beloning zal ontvangen voor zijn inbreng.
  • Het is niet onredelijk om aan te nemen dat de betaling voor de gehuurde installaties en machines minimaal zo niet onbestaande zal zijn. 
  • Het is niet onredelijk om aan te nemen dat de beschikbare cash voor het betalen van dividenden geminimaliseerd zal worden omdat het voor Kinross-Forrest voordeliger is om ten volle betaald te worden via contracten met de manager (voor het uitvoeren van allerlei diensten voor de joint venture, jvd) dan  de resterende cash te delen met Gécamines. 
  • Voor het GEC-contract  wordt er nog aan toegevoegd dat dividenden en royalties niet zullen volstaan om de lening terug te betalen en dat Gécamines zijn schuldenlast misschien nog zal zien oplopen door het ondertekenen van dit contract.

Het onderzoek door Fasken, Martineau en DuMoulin werd gezamenlijk gefinancierd door MO*, Broederlijk Delen, 11.11.11 en Raid.

Belgische nalatigheid of medeplichtigheid?

Broederlijk Delen, 11.11.11 en de Britse organisatie Rights and Accountability in Development voeren samen campagne onder het motto Natuurlijke rijkdommen van Congo: geen vloek maar een zegen! Ze vinden dat het verregaande engagement van België om de verkiezingen mogelijk te maken in schril contrast staat met zijn laisser faire, laisser passer houding ten aanzien van de wanpraktijken in de Congolese mijnsector.

De transitie naar een democratische rechtsstaat is gedoemd om te mislukken, zeggen de organisaties, als de presidentiële kandidaten en hun buitenlandse vennoten beslag leggen op het economische hart van Congo.

Broederlijk Delen, 11.11.11 en RAID roepen Minister De Gucht daarom op om: aan te dringen op de publicatie en de opvolging van het rapport van de commissie Lutundula (parlementaire commissie belast met de audit van de ‘oorlogscontracten’) de nieuwe mijncontracten die de overgangsregering tekende met Belgische bedrijven aan een onafhankelijke juridische en economische expertise te onderwerpen en tegelijkertijd te pleiten bij andere landen om hetzelfde te doen binnen de Belgische steun aan de wederopbouw van Congo een topprioriteit te maken van transparantie in de formele mijnsector, naast de verbetering van het lot van artisanale mijnwerkers.

 

Laat een reactie achter

Javascript is vereist om dit formulier te gebruiken.

Meer uit het dossier Geweld in Oost-Congo

MONUSCO/UN
De vredesonderhandelingen tussen de rebellengroep M23 en de Congolese regering liepen vast op vrijdag 25 oktober.
VN
‘Congo ondergaat een zware humanitaire crisis’, zegt Dominique Burgeon, de Belg die aan het hoofd staat van de afdeling Noodhulp en Herstel van de VN-organisatie voor Voedsel en Landbouw (FAO).
Reuters/Stringer
De nieuwe gevechten tussen M23 en het Congolese regeringsleger in Zuid-Kivu roepen veel vragen op. Kris Berwouts probeert er enkele te beantwoorden.
Oxfam International
De rebellengroepering “Mouvement du 23 mars” (M23) en het regeringsleger (Fardc) van Congo zijn voor de eerste keer na de terugtrekking van M23 opnieuw in de clinch gegaan 12 kilometer buiten Goma,

Meest recent van John Vandaele

© Bart Lasuy
Burgers kunnen 45 procent van onze stroom leveren, maar wil de politiek dat?
Een studie toont aan welke enorme rol burgers, coöperaties en kmo’s kunnen spelen in de transitie naar hernieuwbare energie. Als de politiek dat wil. Het wordt een strijd om de stroom.
© Bart Tommelein
Als alle Open Vld-ers Tommelein volgen, gaat Eandisdeal niet door
De Eandisstory heeft de voorbije weken een onverwachte wending genomen.
© Ruth Govaerts/MO*
Inspectie Financiën Stad Antwerpen legt bom onder Eandisdeal
De Inspectie Financiën van de Stad Antwerpen stelt zeer ernstige vragen bij de deal tussen Eandis en het Chinese staatsbedrijf State Grid. MO* kreeg het advies in handen. 
Agfa Graphics: ‘Planet was ons motief maar het resultaat kwam vooral profit en people ten goede’
Tussen de circulaire economie en de werkelijkheid staan vaak praktische bezwaren, zo bleek toen men bij Agfa Graphics onderzocht of men drukplaten kon hergebruiken.
Nooit meer tonen X

Ontdek

MO*nieuwsbrieven

Schrijf je in op onze gratis nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het belangrijkste mondiaal nieuws.

Facebook/Twitter

Blijf op de hoogte van het belangrijkste mondiaal nieuws.

MO*magazine

Abonneer je op ons unieke kwartaalmagazine voor slechts € 20.

Een abonnement nemen

MO*papers

Abonneer je op de gratis digitale achtergronddossiers (pdf) over actuele mondiale thema’s.