Kraakjong: Mohamed, minderjarige buiten de Brusselse opvang

Dit is het verhaal van Mohamed, Marokkaans, zestien en dakloos in Brussel. Zoals hij lopen er tientallen, misschien wel honderd in Brussel rond, zeggen jeugdwerkers. Toch is het een uniek relaas, over een kraakjong, voorbestemd voor een onbestemd bestaan.

  • MO*/Tine Danckaers MO*/Tine Danckaers

Tine Danckaers

MO*redactrice
29 augustus 2012

Mohameds levensverhaal begint in 1996, het jaar dat hij in het Marokkaanse Berkane werd geboren. Over de twaalf jaar die op zijn geboorte volgden zullen we het niet hebben. Die deelt hij liever niet met een journalist en 180.000 MO*-lezers. Al ligt in die jaren misschien het absolute antwoord waarom Mohamed besloot om op zijn twaalfde een streep te trekken onder Marokko en een lijn uit te gooien naar Europa.

We beginnen dus daar. Hij verkocht al een jaar, twee jaar misschien, elke dag plastic zakjes aan de marktgangers in Berkane. Een moeder ontbrak, net zoals geld, en op een dag viel ook Mohameds vader – die wellicht al op de achtergrond van zijn leven was beland – weg. Toen vertrok hij. ‘Alleen’, zegt hij, geïnspireerd door de andere jongens die dagelijks beslissen dat ze hun leven voortaan elders zullen leiden. Op zijn tocht passeerde hij de Marokkaanse zeehaven Nador, de tomatenpluk in het Spaanse Malaga, Zuid-Franse groentevelden en de ochtendmarkt in Parijs. Brussel was twee jaar geleden zijn lukraak gekozen en voorlopige eindbestemming.

Snelwandelen

Mohamed snelwandelt op Brusselse kasseien, langs tramsporen en dwars over razende stadssnelwegen. Het is de tweede keer dat ik hem ontmoet. Ik vertaal zijn snelheid als energie, hij vertaalt het als een reactie op stress, gevolg van een stilstaand leven. Stelen heeft hij nog niet gedaan, beweert hij. Van de harde drugs blijft hij af, hij rookt zich wel geregeld een roes met een joint. ‘Maar soms, heel soms, crash ik ’, zegt hij. Hij vertelt hoe een snelwandeling dan geen zier helpt. Op zo’n crashmoment vernielt hij dingen, botst tegen muren, deuren, ‘en ja, ook auto’s’. Het crashen komt dan samen met het diepe besef dat hij nog geen stap dichter bij een normaal leven is gekomen.

Die eerste dagen lukt het anders aardig bij Mohamed. Hij is tijdelijk straatkind af, heeft net onderdak gekregen bij Abaka, een Brussels jeugdcentrum dat afhangt van het ministerie van Jeugd en Bijzondere Jeugdzorg van de Franse Gemeenschap. Hij kan op een stoel aan de ontbijttafel zitten, mag eindelijk de straat van zich af douchen, wast zijn kleren, hangt ze te drogen, eet middageten zittend op diezelfde stoel, kijkt televisie, eet avondeten, drinkt fris drinkwater, poetst zijn beschadigde tanden, slaapt op een zachte matras onder schone lakens.

Toen hij in Brussel aankwam, sliep hij ‘acht of tien nachten’ buiten: in de metro, in bus- en tramhokjes. Daarna ontdekte hij de kraakpanden, niet minder vuil, wel anoniemer en meer beschut tegen treiterijen en blikken van voorbijgangers. Tegen dat ene politieke taboe ook: het geweld van de politie. ‘Ze noemen me “sale Arabe” en slaan keihard, gewoon, omdat ik er ben. Ook al doe ik niets.’

De toer langs de kraakpanden is snel en kort. Doorgaans komen onbevoegde legalen er niet in, voyeurisme is hier niet welkom. Het ene kraakpand is een verlaten flatgebouw in Elsene, het andere een bouwval in Etterbeek. Daar werd de deuropening in één nacht vervangen door snelbouwstenen. Een rat komt hier niet meer in. Binnen hebben Hongaarse bouwvakkers de illegale bewoners afgelost. Buiten hangt een bouwaanvraag, het gebouw maakt plaats voor stadsvernieuwing, een stadskanker minder.

Opgelost in de natuur

En dan is hij weg. Ik vertrek voor een korte vakantie, hij lost op in de grijze stad waar hij al twee jaar zit. Abaka heeft te weinig draagkracht om jongens te huisvesten. Mohameds opvangkrediet, goed voor vijftien nachten, is opgebruikt. De centra binnen het jeugdwerk en de Bijzondere Jeugdzorg zijn verzadigd: te veel Mohameds, Hassans en Khalids. Hij moet opnieuw de kraaktoer op en verdwijnt ‘in de natuur’. Dat doen jongens die de straat gewoon zijn en lang moeten wachten op aangepaste huisvesting. Dat zeggen ook voogden, advocaten en jeugdwerkers.

Bellen naar iemand met een lege telefoonkaart en zonder adres in de zichtbare samenleving is puur eenrichtingsverkeer. Maar toch duikt hij opnieuw op, op een sofa bij jeugdcentrum SOS Jeunes. Hij is veranderd, lijkt kleiner, draagt een wintermuts in de zomer. Ik herken hem aan de jas die hij nooit uitdoet. ‘Het gaat niet meer’, vertelt Mohamed. ‘Het enige antwoord dat ik krijg is dat ik “niet prioritair” ben.’ Dat betekent dat anderen kwetsbaarder zijn dan hij en voorrang krijgen: meisjes, of jongens die jonger zijn, of medische problemen hebben of die nog sneller dreigen te crashen.

Mohamed is zestien nu en is volgens de termen van het vreemdelingenrecht, een federale materie, een nbmv of een niet-begeleide minderjarige vreemdeling. Steeds meer jongens stranden in België zonder ouders of voogd. Je hebt er die ‘in het plaatje passen’, jongeren met een duidelijk asielprofiel: Afghanen, Guineeërs, Congolezen. Zij kunnen terecht in de opvangstructuren van Fedasil. Maar er zijn ook de ‘probleemprofielen’ met de foute nationaliteit, zoals de minderjarigen uit de Maghreb. Velen van hen worden niet meer opgevangen in de opvangstructuren. Een deel zit in een hotel, wacht op een leeftijdstest en op een voogd, een ander deel zit op straat, kan enkel terecht in de jeugdzorg voor tijdelijke opvang. En de centra, jeugdcentra, open hulpcentra, zitten overvol, zo leren de gesprekken. Ze draaien op meer dan volle toeren en voeren hun opdracht uit tot ver voorbij waar ze voor betaald worden, en zeggen ook stop.

Buiten categorie

De cijfers achter de mensen

In 2011 werden 3.528 nbmv’s gesignaleerd bij de dienst Voogdij. 461 jongeren uit deze groep gaven aan zonder opvang te zijn. De dienst Voogdij nam in 2011 2.468 nbmv’s onder zijn hoede.

1281 nbmv’s verbleven in 2011 in de opvangstructuren van Fedasil. In 2010 waren dat er 900, in 2006 slechts 400.

Nog in 2011 verbleven 881 jongeren in een hotel (volgens Fedasil bleek 75 procent na onderzoek meerderjarig te zijn). Momenteel vertoeven nog tussen de 160 en 200 nbmv's in een hotel.

847 jongeren vertrokken in 2011 uit observatie- en oriëntatiecentra van Fedasil. 26 verdwijningen werden als zorgwekkend geregistreerd. In een antwoord op een parlementaire vraag kon staatssecretaris Maggie De Block niet meedelen hoeveel verdwijningen opgelost werden.

België telt 244 voogden, van wie 120 vrijwilligers. De laatsten nemen een of twee minderjarigen onder hun hoede, bij professionele voogden schommelt dat van 25 tot 35, sommige voogden begeleiden meer dan 40 jongeren.

Bron: Fedasil en staatssecretariaat Asiel en Migratie

Mohamed is uit het systeem gestapt, krijg ik meermaals te horen. ‘We kunnen niets voor hem doen als hij wegloopt uit de centra van Fedasil.’ Dat zeggen zijn voogd, de Franstalige jeugdzorgcentra en centra voor korte opvang.

Zes asielcentra heeft hij erop zitten, hij bracht er minder dagen door dan op straat. Ook in Sugny, het enige centrum met een aangepaste opvangstructuur voor minderjarige niet-asielzoekers, vond hij zijn draai niet. Sugny is een goed centrum, zeggen jeugdwerkers. Maar het is te afgelegen, opgesloten worden in het groen van een klein dorp is voor veel jongens een paar bruggen te ver van de vertrouwde anonimiteit van de stad. Het wegloopcijfer uit Sugny is hoog. Jongens die hun kindertijd ontgroeien op het harde ritme van het straatleven aarden niet zomaar in de goedbedoelde structuren die ze aangeboden krijgen.

‘Zo erg kan het toch niet zijn? Je hebt tenminste eten, een douche, een bed’, probeer ik. Het werkt telkens als een rode lap. ‘Ik heb er niets te doen, ik word er gek. Als ik vroeg wat we gingen doen, was het antwoord: “wandelen”. Dus wandelde hij een spoor in de verlaten Luxemburgse bossen. Toen hij zijn vingers diepbruin van de tabak gerold had, keerde hij terug van het ‘weggemoffelde centrum vol vreemdelingen’ naar de bekende drukte van de stad. Hij begrijpt het niet, ‘die separatistische drang’ van België om vreemdelingen met andere vreemdelingen bijeen te stoppen. ‘Net zoals de scholen, daar stoppen ze je ook enkel samen met niet-Belgen, die geen woord Frans of Nederlands spreken. Waarom doet België dat als het integratie belangrijk vindt?’

Pingpongbal

‘Een asielaanvraag heeft geen enkele zin.’ Mohamed kent de procedures, schat zijn kansen voor Belgische verblijfspapieren bijzonder klein in. Een repatriëring naar Marokko als hij achttien is, vindt hij geen optie, ‘uitgesloten!’ ‘Alles is beter dan dat, ook wachten op niets.’ En dus wordt hij niet meer opgevangen in de opvangstructuren van België. Hij valt niet onder onze bevoegdheid, antwoordt Fedasil, dat enkel de asielaanvragers opvangt. ‘Illegaal’, reageert de Brusselse advocaat Franz Geleyn. ‘De wet maakt geen onderscheid tussen hen die wel en hen die geen asiel aanvragen en bepaalt dat Fedasil die jongeren in de eerste opvangfase vanaf hun aankomst in aangepaste structuren huisvest, asielaanvrager of niet.’ Ook Katja Fournier van het Platform kinderen op de vlucht zegt dat België zijn eigen wetten schendt. ‘Fedasil en België schenden daarbovenop het Internationaal Verdrag voor de Rechten van het Kind en het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens.’

Volgens het zorgrecht, wat gemeenschapsmaterie is, zou Mohamed onder de noemer kunnen vallen van ‘POS’ of problematische opvoedingssituatie. Alleen, hoe meer nbmv’s er binnenkomen in een land dat op de rand staat van een aanhoudende opvangcrisis, hoe meer een oude discussie weggestopt wordt. Die gaat over de vraag of het gegeven alleen dat een minderjarige ons land binnenkomt zonder zijn ouders voldoende reden is om te spreken van een problematische opvoedingssituatie. In een tweede opvangfase moeten de federale staat en de gemeenschappen samen voor de opvang van minderjarigen zorgen. Een samenwerkingsakkoord moet dat beklinken maar laat al tien jaar op zich wachten. En dus schuiven staat en gemeenschappen de jongeren door naar elkaar, een pingpongspelletje, zeggen belangenorganisaties die strijden voor de rechten van het kind.

Spiegelverlangen

‘Er zijn geen mogelijkheden voor Mohamed’, zegt Garip Kiran van Synergie14, een Elsens onthaalcentrum voor nbmv’s. Ook hier is het besluit: ‘niet prioritair’. De zorgsamenleving die we zo koesteren heeft gaten, is niet aangepast aan onaangepasten. Dat is wat ook voogden zeggen. Ze bevat ook paradoxen, vindt Kiran. ‘We vinden dat we kinderen moeten beschermen, maar geven hen op als ze opnieuw het straatleven –dat wat ze kennen– induiken. “Het is hun keuze”, vinden we dan.’

En dus nu zijn de Brusselse straten opnieuw Mohameds woonkamer, keuken en badkamer. Hij kent de weg, sloeg de kaarten van het Brusselse stratenplan en het openbaar vervoer in zijn hoofd op, leidt me rond in de hoofdstad die volgens velen de mijne en niet de zijne moet zijn. Hij verbetert mijn Frans met het Frans dat hij hier leerde. In ruil vraagt hij Nederlandse woorden en begrippen terug, ‘jointje’, ‘geen probleem’, ‘rotflik’. We doen een evenwichtsoefening en kopen samen een sweater met capuchon die hij ongemakkelijk aanvaardt. Hij had die liever zelf bij elkaar verdiend, als monteur, te beginnen in het deeltijds onderwijs. Maar dit jaar zat hij minder dan twee maanden in de schoolbanken. We schuimen maar liefst vier winkels en evenveel pashokjes af. Ook een straatjongen zoekt zichzelf graag in de spiegel.

Met dank aan, in de eerste plaats: Mohamed en Katja Fournier van het Platform kinderen op de vlucht. Verder dank aan Fanny François (Fedasil), kabinetsmedewerkers van staatssecretaris voor Asiel en Migratie Maggie De Block, advocaat Frans Geleyn, voogden Laurence Bruyneel, Julie Sanchez, Saïda el Khonssi, AMO Atmosphères, Abaka, SOS Jeunes, Synergie14, Farah Laporte van de Kinderrechtencoalitie Vlaanderen.

LEES OOK

Wat komt er uit de bus wanneer je acht Congolese, acht Chinese en zeven Belgische studenten drie weken laat nadenken over de mondiale uitdagingen van morgen?
(c) Len Buggenhout
Om de Vlaamse en Brusselse jeugd te laten kennismaken met niet-begeleide minderjarige nieuwkomers en jongeren uit instellingen, wandelen ze samen vanuit verschillende plaatsen in Vlaanderen naar Br
© Aurélie Hombroukx
Wat als je gezinssituatie zich er niet toe leent om je vakantie in het buitenland door te brengen?
copy Brecht Goris
Bie Van Craeynest stapte mee in de Brusselse manifestaties tegen de oorlog in Gaza. Naast betogen deed ze wat de camera's niet deden: in dialoog gaan met de relschoppers.

Meest recent van Tine Danckaers

© Reporters / Ropi
De containerdode in Zeebrugge is alweer een roemloos streepje meer in de lange dodenlijst van asielzoekers die Europa probeerden te bereiken.
Zeynel Abidin
Een jaar geleden stond Istanboel op zijn kop, vandaag is het opnieuw een toeristische topbestemming.
Reuters / Stringer Iraq
Terwijl de wereldcamera's op Irak gericht zijn, lijkt de Koerdisch-Iraakse Regio zich te wentelen in zijn veiligheid.
Staatssecretaris van Asiel en Migratie Maggie De Block ontpopte zich in Vlaanderen van Dokter Nitwit tot de populairste politica.

Laat een reactie achter

Javascript is vereist om dit formulier te gebruiken.

Guy René Bongers (niet gecontroleerd)

Daar moet toch iets mee te doen zijn. Met die jongeren Net zoals met de werklozen en volwassen zonder woonst. Zo iets vraagt inzet, begrip, een plaats, werk, gemeenschap voor hun.