Meer rijken betekent nog niet minder armen

De focus op het bestrijden van extreme armoede heeft ons afgeleid van de oorzaak van die armoede, zegt de Uruguyaanse onderzoeker en activist Roberto Bissio, een van de centrale sprekers op Think Global Day van 19 april. ‘Als we de ongelijkheid niet bestrijden, zal de armoede nooit verdwijnen.’

Er was eens een excentrieke mollah in Anatolië, Nasreddin. Op een keer liep hij overduidelijk iets te zoeken op een plein.

‘Weet je zeker dat je je sleutel hier ergens verloren hebt?’, vroeg een van de mannen die spontaan hun hulp aangeboden hadden.

‘Nee’, zei Nasreddin. ‘Ik heb hem bij de voordeur van mijn huis verloren.’

‘Maar waarom zoek je hem dan op het dorpsplein?’, vroeg de helper.

‘Omdat er hier tenminste licht is.’

Dat oude verhaaltje heeft zich het voorbije decennium op mondiale schaal voorgedaan. Sinds 2000 legde de wereldgemeenschap zichzelf acht Millenniumdoelstellingen (MDG) op, om concrete en meetbare ontwikkelingsresultaten te behalen. De eerste doelstelling is het halveren van het aantal mensen dat in absolute armoede leeft en dus een inkomen per persoon heeft van minder dan een dollar per dag. De andere doelstellingen vullen die eerste aan op het gebied van onder andere gezondheid, onderwijs en gender.

Het resultaat van deze aanpak is geweest dat iedereen die zich met ontwikkeling bezighield –VN-organisaties, overheden van ontvangende of donerende landen, niet-gouvernementele organisaties – zich meer dan tien jaar geconcentreerd heeft op extreme armoede. Met de deadline van 2015 in het verschiet vraagt de internationale gemeenschap zich vandaag af waarop ze morgen de klemtoon moet leggen. Het eerste antwoord op die vraag lijkt te zijn: op meer van hetzelfde. John Podesta, voormalig kabinetschef onder Bill Clinton en lid van het deskundigenpanel dat een denkkader voor de periode na 2015 zal voorleggen, zegt dat de doelstelling voor de komende periode moet zijn extreme armoede integraal uit te bannen. En de Britse premier David Cameron, medevoorzitter van het panel, schreef in The Wall Street Journal dat ‘we nu de mogelijkheid binnen handbereik hebben om de generatie te worden die een einde maakt aan extreme armoede’.

De sleutel naar een nieuwe ontwikkelingsagenda zou echter wel eens elders kunnen liggen, waar het licht van experts en internationaal debat minder fel schijnt. Uit bevragingen bij academici en middenveldorganisaties, die de VN-organisaties voor kinderen en vrouwen Unicef en UN Women vele maanden lang gehouden hebben, blijkt namelijk dat ongelijkheid onterecht in de schaduw is gebleven.

De theorie heeft ongelijk

Het rapport van die bevraging werd formeel gepresenteerd op dinsdag 19 februari in Kopenhagen, door Jayati Ghosh, een econoom van de Nehru-universiteit in New Delhi, en Sarah Cook, directeur van het VN-Onderzoeksinstituut voor Sociale Ontwikkeling. De basisvaststelling van het rapport is dat de ongelijkheid in de periode sinds de invoering van de MDG in heel veel landen verergerd is. Dat blijkt zelfs het geval te zijn in landen waar de menselijke ontwikkeling als geheel snelle vooruitgang gemaakt heeft.

De ontwikkelingstheorie is er lang van uitgegaan dat een zekere mate van ongelijkheid onvermijdelijk, of zelfs noodzakelijk was tijdens de industrialiseringsfase van een land. De economische groei zou in een eerste fase ook de ongelijkheid doen groeien, maar zodra een zeker niveau van ontwikkeling bereikt was, zou die ongelijkheid geleidelijk afnemen. Dat proces werd door de Russisch-Amerikaanse econoom Simon Kuznets grafisch voorgesteld als een omgekeerde U. Hij kreeg in 1971 de Nobelprijs voor zijn inzicht in economische groei en ontwikkeling.

De realiteit heeft zich echter niet gehouden aan het voorspelde pad. ‘Oorspronkelijk volgde de inkomensongelijkheid de stijgende en dalende curve van Kuznets’, schreef Branko Milanovic, hoofdeconoom bij de Wereldbank in het nummer van september 2011 van Finance & Development, het blad van het Internationaal Monetair Fonds. ‘Een lange en indrukwekkende daling zette in vanaf de piek van ongelijkheid aan het einde van de negentiende eeuw in Groot-Brittannië en vanaf de jaren 1920 in de Verenigde Staten, tot ze haar laagste waarden bereikte in de jaren zeventig. Sindsdien zijn Groot-Brittannië en de VS, net zoals de meeste ontwikkelde economieën, véél rijker maar tegelijk ook véél ongelijker geworden’, aldus Milanovic. ‘Globaal genomen steeg de ongelijkheid tussen het midden van de jaren tachtig en het midden van vorig decennium in zestien van de twintig rijke OESO-landen (Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling, de club van rijkere landen). Kuznets zou, zoals de meeste economen, ongetwijfeld verrast geweest zijn door deze gelijktijdige stijging van rijkdom en ongelijkheid.’

Een soortgelijke ontwikkeling deed zich voor in de zogenaamde opkomende economieën. Nog steeds Milanovic: ‘De ongelijkheid steeg ook in China, een arm land met een comparatief voordeel in de arbeidsintensieve, laaggeschoolde productie. China’s verhouding tussen handel en bruto nationaal product maakte een sprong van 20 procent in de jaren negentig naar 60 procent in 2008. Volgens de theorie zou de ongelijkheid hebben moeten dalen doordat de lonen van ongeschoolde arbeiders sneller zouden moeten stijgen dan die van geschoolde. In werkelijkheid steeg alleen de Gini-coëfficiënt, een maatstaf om de ongelijkheid van een samenleving te meten, van minder dan 30 in 1980 tot 45 vandaag. Ook in China spreken de feiten de theorie tegen.’

Lessen uit het zuiden

‘Ongelijkheid bedreigt in haar vele manifestaties de sociale cohesie van een samenleving. Daarom moet het beleid er op ingrijpen, want ongelijkheid corrigeert zichzelf niet’
De meeste lidstaten van de OESO zijn min of meer opgehouden te groeien sinds het begin van de financiële crisis in 2008. De meeste ontwikkelingslanden zagen hun groei wel vertragen, maar zeker niet stilvallen. Daardoor is de ongelijkheid tussen landen nu al vijf jaar aan het afnemen. Sommige auteurs spreken daarom van wat zij “convergentie” noemen. Ze zien er de zegeningen van de mondialisering in en geloven dat deze beweging uiteindelijk tot het verdwijnen van de kloof tussen arme en rijke landen zal leiden. Al weet niemand of en hoe lang de huidige trend zal aanhouden.

Convergentie van nationale gemiddelden zegt echter weinig of niets over reële samenlevingen en echte mensenlevens. De inkomensongelijkheid stijgt immers zowel in arme als in rijke landen. Het resultaat daarvan is dat er steeds meer miljardairs uit India en Brazilië opduiken in Forbes’ lijst van superrijken – al blijven de zuidelijke leden nog altijd minder dan tien procent uitmaken van deze overwegend mannelijk club van een paar duizend miljardairs. Tegelijk stellen we vast dat die miljardairs meer rijkdom bezitten dan drie miljard mensen, bijna de helft van de mensheid, die elk minder dan 7500 euro bezitten.

De zuidelijke kegel van Latijns-Amerika – Argentinië, Brazilië, Chili en Uruguay – is de enige regio in de wereld waar de ongelijkheid het voorbije decennium is afgenomen. Dat is het resultaat van een actief anti-armoedebeleid, zoals directe geldelijke steun aan arme gezinnen in Brazilië, de invoering van progressieve belastingen in bijvoorbeeld Uruguay en de vermindering van de regressieve btw, en de herverdelende effecten van een strakke overheidscontrole op het aanbieden van essentiële openbare diensten in Argentinië. In al deze landen zorgden de stijging van de minimumlonen en de versterking van de vakbonden, in tegenstelling tot wat de economische theorie voorspelt, voor meer, niet voor minder groei.

Je kan, met andere woorden, het economisch beleid niet los zien van het sociale resultaat. Dat was ook de conclusie van Sarah Cook op de bijeenkomst in Kopenhagen. Volgens haar hebben we nood aan een echte omwenteling in plaats van langzame aanpassingen, althans, als we de ‘onderling verweven ongelijkheden’ van marginalisering, etniciteit, handicap of gewoon gender willen aanpakken.

De directrice van UN Women en voormalig presidente van Chili, Michelle Bachelet, beklemtoonde dat laatste met een voorbeeld uit de gezondheidssector: ‘Hoe verklaren we dat de begrotingen voor gezondheidszorg stijgen, terwijl de middelen voor seksuele en reproductieve gezondheidszorg gelijk blijven?’ Volgens Bachelet moeten ongelijkheid en discriminatie bovenaan op de agenda komen. Al mag dat niet leiden tot het verwaarlozen van de ongelijkheid tussen landen, die het resultaat is van ‘structurele bronnen van ongelijkheid’ die vervat zitten in de charters van mondiaal bestuur, waarvan de oneerlijke handelsregels volgens Bachelet een duidelijk voorbeeld zijn.

Volg de tweet

Paul Victor Obeng, minister van Ontwikkeling en Planning in Ghana, liet hetzelfde geluid horen: ‘De MDG bestreden de symptomen. Na 2015 moeten we de oorzaken aanpakken.’ En ook Tony Lake, de directeur van Unicef, betoogde dat ‘ongelijkheid economische groei ondermijnt, terwijl sociale bescherming en universele sociale dienstverlening die groei juist ondersteunen’. Volgens hem is het bestrijden van ongelijkheid vandaag ‘zowel een praktische noodzaak als een morele plicht’. Tsikati Dzodzi, hoogleraar aan de University of Ghana, legde de nadruk op het feit dat ongelijkheid in haar vele manifestaties de sociale cohesie van een samenleving bedreigt. Daarom moet het beleid er op ingrijpen, zei ze, want ongelijkheid corrigeert zichzelf niet.

De Deense minister van Ontwikkelingssamenwerking, Friis Bach, beklemtoonde het belang van het uitroeien van honger en extreme armoede, maar voegde daar wel aan toe dat die strijd universeel moet zijn. Met andere woorden: geldig voor alle landen, en dus uitgaande van het criterium van relatieve armoede in plaats van alleen absolute armoede. Bach stelde ook dat de strijd tegen armoede gebaseerd moet zijn op de mensenrechten en dat ‘ongelijkheid een onaanvaardbare ontkenning’ is van die mensenrechten.

Olav Kjorven, een van de zes coördinatoren voor het formuleren van een nieuwe ontwikkelingsagenda en werkzaam voor de ontwikkelingsorganisatie van de VN (UNDP), vatte het in een tweet als volgt samen: ‘Eerlijke en herverdelende belastingen, en verantwoording voor het gebruik van middelen en rijkdommen.’

Het lijkt erop dat men de sleutel begint te zoeken waar hij ligt.

Roberto Bissio is directeur van het Instituto del Tercer Mundo in Montevideo, Uruguay, en internationaal coördinator van Social Watch. Hij spreekt over internationale ongelijkheid op de Think Global Day op 19 april.

Laat een reactie achter

Javascript is vereist om dit formulier te gebruiken.

LEES OOK

DFID - UK Department for International Development (CC BY 2.0)
Voor West-Afrika begon meer dan een jaar geleden de helse strijd tegen ebola.
United Nations Photo (CC BY-NC-ND 2.0)
Malala Yousafzai, winnaar Nobelprijs voor de Vrede in 2014, en Jim Yong Kim, voorzitter Wereldbankgroep, vinden het tijd vlugger vooruitgang te boeken op vlak van onderwijs voor meisjes in ontwikke
Neven Mimica is EU commissaris voor Internationale Samenwerking en Ontwikkeling. © European Union 2014 - European Parliament" (Attribution-NonCommercial-NoDerivs Creative Commons license)
De EU wordt wereldwijd gewaardeerd als trendsetter in klimaatbeleid. Samenwerking met ontwikkelingslanden is voor Europa prioriteit.
Public Domain
Om de duurzame ontwikkelingsdoelen te halen, moet er een einde gemaakt worden aan corruptie en omkoperij.
Nooit meer tonen X

Ontdek

MO*nieuwsbrieven

Schrijf je in op onze gratis nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het belangrijkste mondiaal nieuws.

Facebook/Twitter

Blijf op de hoogte van het belangrijkste mondiaal nieuws.

MO*magazine

Abonneer je op ons unieke kwartaalmagazine voor slechts € 28.

Een abonnement nemen

MO*papers

Abonneer je op de gratis digitale achtergronddossiers (pdf) over actuele mondiale thema’s.