Biodiversiteit en ggo’s: een contradictie

In Nagoya is momenteel de grote biodiversiteitsconferentie van de Verenigde Naties aan de gang. Tijdens deze conferentie hopen beleidsvoerders uit zowat 193 landen tot een strategie te komen om het biodiversiteitsverlies een halt toe te roepen. Belangrijk in deze problematiek, maar een stuk minder aaibaar en daardoor vaak vergeten, is de aantasting van de genetische diversiteit van de land- en tuinbouwgewassen. De genetische diversiteit is de variatie van het erfelijke materiaal binnen soorten en rassen. Hoog tijd dat ook daar eens aandacht aan wordt besteed.
Landrassen worden veredeld en vermeerderd door lokale boeren en tuinders. Dergelijke rassen zijn door de jaren heen aangepast aan de lokale kenmerken van de bodem, de weersomstandigheden, tot zelfs de wensen van de boer en de lokale consument toe. Dankzij de brede genetische basis is zo’n ras divers en daardoor robuust. Nadeel daarvan is dat het gewas minder uniform is en de opbrengst vaak wat lager. Het voordeel is, dat het gewas veel beter bestand is tegen ziekten, plagen en wisselende weersomstandigheden. Het kan in de toekomst blijven inspelen op veranderingen, zoals bijvoorbeeld van het klimaat. Genetische diversiteit leidt tot evolutie die de stuwende kracht vormt van alle leven en biodiversiteit op onze planeet.
Dergelijke lokaal aangepaste gewassen zijn interessant voor de biologische, maar uiteindelijk ook voor de gangbare landbouw. In het Zuiden wordt er nog veel mee gewerkt. In de industrielanden zijn ze in de verdrukking. Her en der zijn er kleinschalige initiatieven van boeren en tuinders die inspanningen leveren om die gewassen verder te laten evolueren en aan te passen. Ze passen deze kennis toe en geven ze door aan andere boeren en tuinders en aan de volgende generaties. Die boeren en tuinders bieden van onderuit een antwoord op de vergaande uniformisering van de genetische kenmerken van de gewassen, een uniformisering die wereldwijd in handen is van een vijftal multinationals. Een uniformisering die verder in de hand gewerkt wordt door internationale regels en Europese wetgeving inzake nieuwe rassen. Regels en wetten met belangrijke financiële gevolgen en administratieve lasten om zaden te mogen verhandelen of zelfs maar te mogen ruilen met collega-telers. Regels en wetten en eigendomsrechten gemaakt op maat van grote multinationals. Diversiteit, robuustheid en lokaal aanpassingsvermogen zijn niet langer “nodig” omdat diezelfde grote bedrijven ook chemische bestrijdingsmiddelen produceren om ziekten en plagen tegen te gaan. En grondstofverslindende kunstmeststoffen om de productie op te drijven. De stap naar ggo’s past volkomen in deze filosofie, maar leidt ons nog verder weg van het herstel van de biodiversiteit op vlak van landbouwgewassen. Met ggo’s wordt de genetische diversiteit niet enkel geërodeerd, we laten die genen nu ook nog eens manipuleren om tegemoet te komen aan de noden van een handvol bedrijven. Ggo’s hebben de landbouw niets te bieden, behalve nog meer agro-chemische producten, nog meer biodiversiteitsverlies en nog meer controle van multinationals in de voedselketen.
Minister Joke Schauvliege is aanwezig op de biodiversiteitsconferentie van Nagoya. Aangezien België momenteel Europees voorzitter is, zal zij het Europese standpunt inbrengen en verdedigen. Voor vertrek naar het verre Japan gaf Minister Schauvliege in de Vlaamse Ministerraad nog snel haar medegoedkeuring aan de zogenaamde co-existentiebesluiten. Met die co-existentiebesluiten geeft Vlaanderen het startschot voor de commerciële teelt van ggo’s op ons grondgebied. De co-existentieregelgeving had moeten dienen om de toekomst van een ggo-vrije gangbare en biologische landbouw te vrijwaren. Wie deze stukken goed doorneemt, ziet vooral en in de eerste plaats een vrijgeleide om ggo’s te telen. Een maïsplant produceert tot 50 miljoen stuifmeelkorrels waarvan sommige tot een kilometer verder vliegen. Enkel landbouwers die zich binnen een straal van 100 meter van het ggo-veld bevinden, krijgen een zekere (financiële) bescherming bij een besmettingsgraad van meer dan 0,9%. En het blijft niet bij maïs. Vandaag liggen gelijkaardige co-existentievoorstellen op tafel voor ggo-aardappelen en ggo-suikerbieten.
Een beetje besmetting acht onze Vlaamse regering accepteerbaar en schade onder de zogenaamde etiketteringsnorm van 0,9% moet ook niet vergoed worden. En die besmetting komt er zeker, zo bleek onlangs nog uit de maïsstalen die Greenpeace onderzocht bij percelen tot 100 meter van het ggo-maïsproefveld van ILVO. Lastig voor de biologische consument die géén ggo’s op z’n bord wilt, ook niet een klein beetje. Lastig voor de biologische producent die hiervoor gesanctioneerd zal worden door zijn controleur. Jammer voor de biodiversiteit. En een groot verschil met onze Waalse landgenoten wiens overheid wel degelijk inspanningen levert om ggo-vrije landbouw mogelijk te maken, ook in de toekomst.

De stap naar ggo’s past leidt ons nog verder weg van het herstel van de biodiversiteit op vlak van landbouwgewassen.
Ondertekenaars


BioForum Vlaanderen – Esmeralda Borgo
Landwijzer – Koen D’Hoore
VELT – Jan Vannoppen
BBL – Jan Turf
Friends of the Earth Vlaanderen en Brussel – Lieve De Kinder
Greenpeace – Jonas Hulsens
Oxfam Wereldwinkels – Koen Van Bockstal
Oxfam Solidariteit – Thierry Kesteloot
Vredeseilanden – Luuk Zonneveld
Wervel – Luc Vankrunkelsven
Akelei – Greet Lambrecht

LEES OOK

Als het bestaande landbouwareaal wereldwijd beter gebruikt wordt, kunnen 4 miljard extra mensen gevoed worden.
CC Presidencia de la Republica del Ecuador
Salvador Sánchez Cerén, sinds juni president van El Salvador, gaat voluit voor hernieuwbare energie.
CC Ed Suominen
De wereldwijde investeringen in hernieuwbare energie zijn in het tweede kwartaal van 2014 met een derde gestegen.
Capabele boeren zijn pas bankabele boeren als ze georganiseerd zijn. Dat geldt zeker voor kleinschalige boeren.

Laat een reactie achter

Javascript is vereist om dit formulier te gebruiken.

EK (niet gecontroleerd)

Beste, vooreerst zou ik willen vermelden dat ik absoluut fan ben van MO*, en haar wereldvisie op wat nieuws echt is. Toch kan ik niet helemaal akkoord gaan met wat in dit artikel werd gepubliceerd en merk ik een vrij eenzijdige en (vergeef mij voor het woord) ietwat conservatieve visie omtrent het vraagstuk ggo. Ik kan mij volledig vinden in uw analyse wat betreft de 5 commerciële bedrijven die ggo's produceren (met Monsanto voorop). Persoonlijk vind ik dat het concept ggo niet in een slecht daglicht mag gesteld worden omwille van deze commerciële bedrijven die ze nu exploiteren en de falende regelgeving hierrond. Dit zou ik willen staven met enkele voorbeelden: Ten eerste kan het ontwikkelen van ggo's de bescherming van de biodiversiteit in de hand werken. Zo is de screening en het vinden van interessante genen om ggo’s te kunnen ontwikkelen positief gecorreleerd en volledig afhankelijk van de grootte van de bestaande biodiversiteit. Ik kan het vaak gebruikte argument dat commerciële ggo’s antibiotica resistentie in de hand werken alleen maar beamen. Toch is het met de huidige technieken reeds mogelijk om ggo’s te ontwikkelen die gebruik maken van onschadelijke merkers of zelfs helemaal geen merkers waardoor antibiotica resistentie geen punt meer is. Opnieuw worden ggo’s onjuist terecht gewezen door een falend beleid en gebruik ervan door producerende bedrijven. Ook wou ik opmerken dat ggo’s niet per se gepaard moeten gaan met het gekoppeld gebruik van specifieke herbiciden of andere stoffen. Hieraan werd in het artikel geen aandacht besteed waardoor er geen scheiding werd gemaakt tussen ggo en de visie van het bedrijf dat de ggo produceert. Deze koppeling is juist zeer belangrijk aangezien dit bepalend is voor de inhoud van de ggo. Het concept ggo houdt namelijk enorm flexibele en ingrijpende mogelijkheden in naar het ontwikkelen van transgene planten. Uiteraard is dit gegeven een even groot nadeel als voordeel. Om het hoofd te bieden aan deze nadelen is regelgeving dan ook cruciaal voor een juist gebruik van ggo’s. En juist in deze regelgeving zit het helemaal fout of het ontbreekt in sommige gevallen volledig waardoor bedrijven als Monsanto vrij spel krijgen en hun greep vergroten. M.i. blijft het belangrijk duidelijk het onderscheid te maken tussen het concept ggo en de visie van de producent. Ggo’s kunnen zelfs voordelen opleveren. Robuuste landrassen, zoals vermeld in het artikel, kunnen bij de productie van ggo’s robuust blijven en toch een gewenste eigenschap verkrijgen. Dit in tegenstelling tot de klassieke veredeling waarbij een deel van de robuustheid vaak verloren gaat wanneer men probeert deze gewenste eigenschap in te bouwen. Dit komt doordat tijdens het produceren van ggo’s veel minder genetisch materiaal ingeplant wordt in het gewenst gewas dan tijdens klassieke veredeling. Ik ben ervan overtuigd dat ggo’s ten goede kunnen gebruikt worden en een grote stap voorwaarts kunnen zijn t.o.v. klassieke veredeling. Vervolgens is het niet onbelangrijk op te merken dat er vele moeilijk te veredelen soorten bestaan zoals cocoyam of soorten waarbij het zelfs onmogelijk is om aan veredeling te doen zoals de triploide bananen en platanen. Dit zijn staple food crops en dan vooral in SSA, een regio waar de wolken van de meest uitdagende wereldproblemen het donkerst opstapelen. Ggo’s zouden daarom een perfecte manier zijn om onmogelijk te veredelen gewassen toch te kunnen optimaliseren naar de huidige en toekomstige behoeften van deze mensen. Als men bij het produceren van een ggo van soort A de verplichting oplegt dat enkel genen mogen gebruikt worden uit de pool variëteiten van deze soort A en waarbij geen gebruik mag gemaakt worden van schadelijke merkers kunnen ggo’s zelfs een veel preciezere vorm van klassiek veredelen worden en ondertussen bijdragen aan het behoud van biodiversiteit. Zo wordt tevens rekening gehouden met het argument dat tijdens cultivatie van de ggo een genetisch verlies optreedt bij de omringende natuurlijke variëteiten van soort A door kruisbestuiving met de ggo. Als men deze regels aan de productie van een ggo koppelt zou er zelfs minder genetisch verlies en genetische inmenging van omringende natuurlijke gewassen kunnen optreden dan nu het geval is met het cultiveren van klassiek veredelde gewassen. In dit geval zou de genetische erosie vooral te wijten zijn aan de intensieve monocultuur dan aan de ggo. Met al het voorgaande wil ik aangeven dat het concept ggo niet noodzakelijk een boosdoener hoeft te zijn en waar het enigszins kan zelfs enorme voordelen kan opleveren t.o.v. de huidige vorm van veredeling. Al besef ik dat de productie van ggo’s de genetische erosie in de landbouw niet zal stoppen. Toch zullen bij een goed kader rond ggo de oorzaken omtrent het verlies van biodiversiteit zich eerder verschuiven naar het niveau van de intensieve monocultuur en zal men daarom op dit niveau oplossingen moeten zoeken. Ggo’s zijn in de toekomst niet meer weg te denken, daarom zouden progressieve en sociaal denkende instellingen een rol moeten spelen in het zoeken naar een kader waarin de ggo wel iets goed kan betekenen en dit samen met een evenwichtige berichtgeving aanbieden aan het grote publiek. Deze bestaan momenteel niet of worden niet gehoord. Het resultaat ervan is dat er twee visies en groepen blijven bestaan rond ggo. De ene omvat de mensen die volledig geloven in ggo en niet meer kritisch kunnen kijken naar de nadelige gevolgen die optreden als er geen evenwichtig beleid rond de productie en het gebruik van ggo’s bestaat. Maar er bestaan ook mensen die alles wat met ggo te maken heeft meteen van de hand doen en in deze groep merk ik ook een soort van gebrek aan kritisch denken (waarbij ik dit artikel gebruik om deze stelling kracht bij te zetten). Hierdoor wordt het vormen van een kritisch beleid rond ggo’s bemoeilijkt en worden er geen alternatieven naar voren geschoven. Er bestaat momenteel geen krachtige visie die de gulden middenweg tracht te zoeken. Dit is een gemiste kans en zoals ik hiervoor al heb aangegeven werken beide visies alleen maar een falend beleid in de hand waardoor commerciële bedrijven enorm veel vrijheid krijgen. Ik vrees dat het kritisch denken rond een sociaal aanvaardbaar kader enkel vanuit deze laatste groep mensen zal moeten komen. En daarom wou ik graag met deze brief uw redactie aanspreken en hopelijk kunnen aansporen iets evenwichtiger en positiever om te gaan met het concept ggo. Ik zou graag afsluiten met de gedachte dat we soms te weinig vertrouwen hebben in de lokale boer, die zijn land alsook de gewassen die hij teelt door en door kent. Als deze boer geen heil ziet in de hem aangeboden ggo zal hij het volgende jaar opnieuw ten volle gebruik maken van zijn vertrouwde variëteiten.