Débrouillez-vous!

Ontwikkelingssamenwerking in de onderwijssector onder de hakbijl? Je moet maar de pech hebben om (ongevraagd) in een Belgisch defederaliseringproces te zitten terwijl de regeringsonderhandelaars naar extra middelen zoeken. Het dreigt verschillende Vlaamse en Waalse ontwikkelingsorganisaties te overkomen die structurele ondersteuning bieden aan de onderwijssector in ontwikkelingslanden. Door een pijnlijke samenloop van omstandigheden bevinden ze zich momenteel in een grijze zone tussen het Federale en regionale beleidsniveau en worden er, onder het mom van de usurperende bevoegdheden, drastische besparingen in de budgetten overwogen.
  • HIVA/KULeuven Prof Hans Bruyninckx (l) en dr. Huib Huyse (r) HIVA/KULeuven

Er gaat een hele historiek schuil achter deze beslissing. Halfweg de jaren ’80 kregen de gewesten en gemeenschappen voor het eerst de formele bevoegdheid om aan ontwikkelingssamenwerking te doen. De achterliggende logica daarbij was dat voor binnenlandse thema’s (zoals onderwijs) die reeds gedefederaliseerd waren, het logisch was dat de regionale niveaus ook een bevoegdheid hadden op internationaal vlak. Langs de andere kant was de defederalising van ontwikkelingssamenwerking steeds een gevoelig thema, met sterke voor- en tegenstanders waardoor er gedurende lange tijd geen stappen werden gezet in het dossier.

In de laatste ronde van onderhandelingen kwam er een stroomversnelling en kwamen de regeringspartijen overeen om de universitaire ontwikkelingssamenwerking, die gecoördineerd wordt door de internuniversitaire raden (VLIR-UOS voor Vlaanderen), en andere ‘indirecte’ actoren die zich bezig houden met hulp aan de onderwijssector (VVOB voor Vlaanderen), over te hevelen naar de gewesten en gemeenschappen. Die beslissing lijkt nu gebruikt te worden om extra besparingen door te voeren op federaal niveau, waarbij er sprake is van een afbouwtraject over drie jaar van het huidige jaarlijkse budget van 65 miljoen euro.

Het is voorlopig volledig onduidelijk of de aangekondigde afbouw zal gecompenseerd worden door Vlaamse financiering, en het risico bestaat dat beide niveaus de hete aardappel naar elkaar toeschuiven. Discussiëren over bevoegdheden is een complex proces. Als het gebeurt in de context van bezuinigingen en met weinig tot geen overleg dreigen er slachtoffers te vallen. De beleidskeuzes van het federale niveau om eenzijdig de financiering af te bouwen  lijken tot op heden op geen enkele manier onderbouwd  door evaluaties of studies van de acties van de betrokken organisaties, of van onderwijsprogramma’s in het algemeen. In tegendeel, studies tonen aan dat professioneel opgezette programma’s ter versterking van het basisonderwijs, hoger- en universitair onderwijs in ontwikkelingslanden een duurzame investering in menselijk kapitaal vormen. Zo worden er bijvoorbeeld verbanden gelegd tussen de indrukwekkende groei van de nieuwe opkomende economieën in Azië en Latijns Amerika en de massale investeringen in de onderwijssector in deze landen, niet alleen in het basis – en secundair onderwijs, maar ook in hoger en universitair onderwijs en onderzoek.
Het is niet toevallig dat we ook dichter bij huis, bijvoorbeeld binnen de EU, zoveel middelen besteden aan de versterking van ons onderwijs, en inzetten op de uitwisseling van studenten, leerkrachten, en onderzoekers tussen Europese scholen en universiteiten. Misschien is dit soort samenwerking minder mediageniek dan beelden van de Westerse helpende hand bij een nieuwe humanitaire crisis, maar werken aan kwalitatief onderwijs en onderzoek is een langetermijninvestering en relevanter dan ooit in een geglobaliseerde wereld met mondiale uitdagingen.

We zien vier belangrijke redenen waarom een afbouw van de middelen voor onderwijsprogramma’s een ongelukkige beleidskeuze zou vormen. Eerst en vooral, het is ondertussen een boutade, maar we leven in toenemende mate in een kennismaatschappij waarbij de deelname van ontwikkelingslanden aan internationale netwerken van kennisdeling en onderzoek essentieel zijn om aansluiting te vinden bij het groeiende peloton van ontwikkelde economieën. Los van ethische beschouwingen over de nood aan internationale solidariteit, dwingen een nieuwe reeks van mondiale ontwikkelingsproblematieken, denk maar aan klimaatsverandering of de financieel-economische crisis, ons er toe om onderwijs- en onderzoeksnetwerken met het Zuiden te versterken, en onze kennis en inzichten over de impact van deze uitdagingen in het Zuiden te verdiepen.

Ten tweede hebben gespecialiseerde instellingen zoals VLIR-UOS en VVOB een lange traditie opgebouwd op het vlak van de ondersteuning van onderwijs en onderzoek in het Zuiden. Ze zijn sterk verankerd in Vlaanderen en kunnen een beroep doen op gradueel opgebouwde expertise vanuit de onderwijskoepels, hogescholen en universiteiten. Die expertise wordt internationaal erkend, onder meer zichtbaar in het groeiend aantal partnerschappen met internationale instellingen.

Een derde argument vertrekt van de vaststelling dat de programma’s van deze organisaties, met hun focus op de kwaliteit van het onderwijs en onderzoek, erg complementair zijn aan de activiteiten van een aantal bestaande donoren, maar ook van nieuwe donoren zoals China en Indië, die hoofdzakelijk investeren in de bouw van scholen en universiteiten met het oog op een betere toegang tot het onderwijs. Ondertussen bouwen belangrijke donoren zoals Nederland hun investeringen in onderwijsprogramma’s af, een bijkomende reden om sterk op dit thema te blijven inzetten.

Ten slotte is er ook het argument van de coherentie. Vlaanderen is terecht trots op de internationale erkenning die het krijgt voor het niveau van haar onderwijs en onderzoek, ook zichtbaar in de middelen en de beleidsaandacht die er aan worden besteed. Het zou een merkwaardig signaal zijn dat door een speling van het lot –het samengaan van een defederaliseringproces en een besparingsronde- onderwijsinstellingen hun activiteiten in het Zuiden sterk gekortwiekt zien worden met de boodschap: ‘Débrouillez-vous!’.

Prof Hans Bruyninckx en dr. Huib Huyse zijn verbonden aan HIVA/KULeuven

Meer uit het dossier Ontwikkeling 3.0

World Bank/Arne Hoel
In 2012 stelde BTC voor het eerst sinds 2004 een daling van het uitvoeringsniveau van de bilaterale ontwikkelingssamenwerking vast .
Gie Goris
De steun aan microkredieten vormt vandaag een sterke institutionele en politieke rem voor duurzame sociale en economische ontwikkeling.
Gie Goris
De Europese Commissie gaat meer aan ontwikkeling doen met minder middelen.
De 49 Minst Ontwikkelde Landen hebben behoefte aan snelle en volgehouden economische groei om uit hun diepe armoede te geraken, maar de groeicijfers halen de doelstellingen niet.

Laat een reactie achter

Javascript is vereist om dit formulier te gebruiken.
X

Ontdek

MO*nieuwsbrieven

Schrijf je in op onze gratis nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het belangrijkste mondiaal nieuws.

Facebook/Twitter

Blijf op de hoogte van het belangrijkste mondiaal nieuws.

MO*magazine

Abonneer je op ons unieke kwartaalmagazine voor slechts € 20.

Een abonnement nemen

MO*papers

Abonneer je op de gratis digitale achtergronddossiers (pdf) over actuele mondiale thema’s.