Deze cijfers zijn niet echt verrassend, omdat ze bevestigen wat je op zowat elk internetforum kan lezen: mensen hebben angst dat hun huidig hoog welvaartspeil niet zal blijven aanhouden. De huidige, aanslepende crisis speelt uiteraard een rol, maar ook de vergrijzing jaagt de mensen schrik aan. De vergrijzingsgolf betekent immers dat er minder mensen gaan werken en meer mensen met pensioen zijn; je hoeft geen wiskundeknobbel te zijn om te besluiten dat we het gezamenlijk dan met minder zullen moeten doen.
En toch klopt het niet. De toekomstige generatie zal het immers zeer waarschijnlijk wél beter hebben. En niet alleen de werknemers, maar ook de gepensioneerden. Dat blijkt in ieder geval uit de projecties van de Vergrijzingscommissie. Ja, de bevolking op arbeidsleeftijd (15 tot 64 jaar) zal sterk dalen van 66 procent in 2010 tot 61 procent in 2030. Maar dat wordt deels gecompenseerd doordat er relatief meer mensen op arbeidsleeftijd aan het werk zullen zijn, vooral vrouwen. Daardoor zal het aandeel werkenden op de totale bevolking slechts dalen van 42 procent in 2010 naar 41 procent in 2030.
Dat is nog altijd een daling, maar die wordt verder ruimschoots gecompenseerd door het feit dat we elk jaar productiever zullen worden, volgens de Vergrijzingscommissie namelijk 1,3 procent productiever per jaar. Dat zou betekenen dat de welvaart per inwoner zal stijgen van 30.000 euro in 2010 naar 38.000 euro in 2030, een stijging van 27% op twintig jaar tijd dus. Op basis van deze cijfers is er dan ook geen enkele reden om te denken dat we het slechter zullen hebben.
Productiever werken
Maar we moeten dan wel de komende twintig jaar effectief productiever gaan werken. Er is grote kritiek op de voorspelling van de Vergrijzingscommissie: in de periode van 2000-2007 was de gemiddelde jaarlijkse productiviteitsstijging in België 0,65% of de helft van wat de Vergrijzingscommissie voorspelt voor de komende 20 jaar. Maar zelfs met een productiviteitsstijging van 0,65% per jaar zijn we per inwoner wel nog steeds 12% rijker in 2030.
Het grootste obstakel voor de productiviteitsstijging is volgens mij niet de technologische ontwikkeling (die komt er wel), maar wel de mentaliteit: de productiviteitsgroei wordt immers vaak als een bedreiging gezien voor de werkgelegenheid, niet in het minst door de vakbonden. Op korte termijn is dat misschien te begrijpen, omdat een productiviteitsstijging op korte termijn vaak resulteert in minder jobs, waardoor er soms mensen ontslagen moeten worden, vandaar de afkeer van de vakbonden. Op de lange termijn is deze negatieve houding echter nefast voor de welvaart van iedereen.
Vervoer zonder chauffeur
Een mooie testcase in de toekomst wordt ongetwijfeld de revolutie in het vervoer van personen en goederen. Binnen een tiental jaren zullen auto’s, bussen en vrachtwagens geen chauffeur meer nodig hebben en zelf kunnen rijden. Dat betekent een grote productiviteitswinst, want er zullen minder werknemers nodig zijn in de transportsector en voor personenvervoer. Dat is net wat we nodig hebben met de vergrijzing. Maar men kan er gif op innemen dat de sectoren met de sterktste vakbonden, zoals de staatsmaatschappij De Lijn, deze ontwikkeling het langst zullen trachten tegen te houden.
Naast een mentaliteitswijziging ten aanzien van productiviteit, is er ook de vraag naar de manier waarop de extra sociale uitgaven zullen gefinancierd worden. Volgens de Vergrijzingscommissie zullen de totale sociale uitgaven immers stijgen van 25 procent van het bbp in 2010 naar 29 procent in 2030. Dat betekent ongeveer 15 miljard euro extra uitgaven (voor de huidige begroting). Als we aannemen dat die extra uitgaven door de werknemers en werkgevers zal gefinancierd worden via extra belastingen, dan zal de belastingdruk op arbeid nog stijgen, terwijl die nu al hoog is.
Dat betekent dat de prikkel om te studeren, te investeren en om hard te werken nog vermindert. Hierdoor wordt het inkomensverschil tussen werken en niet-werken kleiner, waardoor minder mensen willen werken, waardoor de welvaart daalt. Een oplossing voor deze werkloosheidsval is dat de overheid zich terugplooit op haar kerntaken, zoals de sociale zekerheid, die ze dan kan blijven financieren zonder de arbeidslasten te moeten verhogen. Andere domeinen, zoals openbaar vervoer of cultuur, kan ze dan aan de markt overlaten.
Optimistisch
Kortom, het probleem is dus niet zozeer dat we zullen verarmen. Dat zal immers niet gebeuren, op voorwaarde dat we een stimulerend klimaat voor productiviteitsgroei kunnen creëren, wat ons daarenboven competitiever maakt, met een verbeterde garantie op werkgelegenheid. Doen we dat niet, en proberen we die productiviteitsgroei zolang mogelijk buiten te houden, dan zullen we op lange termijn met minder jobs en welvaart achterblijven. Daarnaast moet er een debat komen over hoe we de extra sociale uitgaven zullen financieren. Zelf ben ik ervan overtuigd dat er dan ook over de kerntaken van de overheid zal moeten gepraat worden.
Een positief klimaat voor productiviteitsgroei en een debat over de kerntaken van de overheid: zo moeilijk lijkt het dan toch niet om onze welvaart te behouden, en zelfs te verhogen. Een mens wordt er zowaar optimistisch van.
Andreas Tirez is voorzitter van de liberale, onafhankelijke denktank Liberales. Hij schrijft deze bijdrage in eigen naam.














2 reacties
Nu al dreigt behoorlijk werk in veel Europese landen een schaars goed te worden. Ik woon momenteel in Duitsland, waar het aannemen van slecht betaald werk een verplichting is geworden, tot vreugde van veel werkgevers: echte banen worden omgezet in onbetaalde stages en de beruchte “400-Euro-jobs”. Dat houdt jongeren wel aan het werk, en uit de statistieken, maar het is erg cynisch en op de iets langere termijn onhoudbaar. Enkele dagen geleden schreef de Engelse docent Richard Sennett in The Guardian: “...a structural problem of capitalism has been dumped into the lives of young people as their personal problem.” (http://tinyurl.com/8483s56) Een verstandiger stuk dan deze al te luchthartige, louter door neoliberale ideologie ingegeven bijdrage.
Wat is daar volgens jou mis mee?
Nog dit: de lonen van werknemers volgen op lange termijn de productiviteitsgroei (in België de laatste jaren er zelfs iets boven => minder winst voor de werkgever).
Nieuwe reactie inzenden