Miserere

10 jaar geleden trok choreograaf Sidi Larbi Cherkaoui met z’n artistieke partner Damien Jalet en zangeres/actrice Christine Leboutte doorheen Italië tijdens Pasen. Het werd een ontdekkingsreis, maar ook een culturele reflectie. Een wandeling in een parallele wereld, een onderzoek naar overlevering, religie en samenzang.

  • Bart Lasuy Sidi Larbi Cherkaoui Bart Lasuy

Sidi Larbi Cherkaoui

Choreograaf
11 april 2012

Plaats

Sessa Aurunca, Italië. Maar het had evengoed Castelsardo of een ander dorp geweest kunnen zijn in het “armere” zuiden van Italië.

Het woord “arm” is hier relatief, lijkt me, het hangt af van waar je waarde aan hecht.

Het hangt af van je waarden.

Het arme zuiden is ook rijk; rijk aan een fascinerend, nog erg aanwezig, kleurrijk en traditioneel verleden. Het zuiden hangt vast aan haar seizoenen, aan haar zee, aan haar bomen, aan de zon en aan eeuwenoude gewoontes en rituelen, en ze laat die niet zomaar los. Het zuiden is rijk aan ruimte en aan tijd, en erg genereus naar haar bezoekers toe.

Het zuiden heeft ook haar eigen soort mensen…

Die mensen dicteren niet het ritme van hun dag, ze luisteren ernaar. En soms, enkele keren tijdens het jaar, zingen ze hun dagen, uit volle borst, met een rauwe gebroken stem doorheen de straat, of zacht in de hoek van een steegje. Ironisch genoeg zingen ze vooral in de “Stille Week”. Pasen.

Tijd 

Het is 2001. Het begin van de 21ste eeuw, 11 jaar geleden. Lente.

Op raad van vriendin/actrice/zanglerares die-dit-soort-excursies-al-enkele-jaren-deed Christine Leboutte, hadden Damien Jalet en ik beslist om naar Sessa Aurnunca te komen. Om een pareltje te ontdekken: de Miserere van Sessa Aurunca.

Een geheimzinnig lied dat enkel tijdens de Goede Week wordt gezongen in deze contreien, en dat sinds honderden jaren mondeling overgedragen werd, generatie na generatie.

Het is het hoogseizoen voor dit uitzonderlijke lied en we zijn fervente jagers.

Terwijl anderen verborgen Paaseieren rapen in Vlaamse tuinen en kamers, terwijl nog anderen met vasten ophouden of standbeelden in de straten zuilen, of zichzelf kastijen, of op skivakantie gaan, schuimen wij verre Oud-Romeinse dorpen af op zoek naar unieke stemmen en klankkleuren.

We zagen onszelf als enthousiaste lied-archeologen. Het was voor ons weliswaar artistiek, sociologisch en/of wetenschappelijk onderzoek. Het religieus aspect ervan liet ons aanvankelijk op die jonge leeftijd onwaarschijnlijk koud. Het was vooral de uitzonderlijke eigenheid van de zang in dit gebied dat ons aantrok alsook haar verhouding met de gewoontes van het volk. Er was niets godsdienstig aan deze trip,

écht niet…

of toch?

Religie 

Maar hoe on-spiritueel kan je muziek of zang eigenlijk wel noemen…?

En wetenschap, kunst, sociologie en het zoeken naar inhoud, is dat niet in sé ook gewoonweg erg mystiek? Waar liggen toch soms de grenzen tussen esoterie, geloof en tastbare realiteit, als je het allemaal even op een rijtje zet? 11 jaar later stel ik me veel vragen bij die onduidelijke definities… 

Voor wie bang is van hier plots al te Christelijk gedachtes vol Schuld en Boete te gaan lezen, of voor wie flashbacks heeft van saaie missen of zondagskledij, voor wie het benauwd krijgt over gedachten van een hiernamaals en laatste oordelen, oncomfortabele biechtstoelen en vermoeiende communie feestjes; even wat geruststellende woorden over dit Italiaanse Pasen.

Eerst en vooral: het zuiden van Italië kan je, in mijn ogen, gewoonweg níet monotheïstisch noemen.

Met hun voorliefde voor Patronen en Heiligen en Maria’s en grote en kleine Christussen heeft het meer weg van het polytheïstisch Hindoeïsme dan van eender welk algemeen beeld dat ik had over de Katholieke Kerk. Er is duidelijk een enorme kloof tussen het Vaticaan en wat er hier in Campanië tijdens Pasen gebeurd. En maar goed ook.

Het geloof hier, lijkt me, is van de mensen zélf en van niemand anders. Hier past “God” zich even aan de kleur, het karakter en de noden van de bevolking en haar voorouders, en niet omgekeerd.

Al die beeldjes, die figuren, die heiligen en idolen werken hier als één grote familie of vriendenkring, als in een soap opera of een goed stripverhaal, is er voor elk wat wils.

Ben je iets kwijt? Bid aan Sint Anthonius. Brandproblemen? Vraag Sint Aghata om hulp. Je kan het je niet inbeelden of er is wel een Heilig beeldje als oplossing voor één van je problemen. Deze diversiteit is verfrissend én misschien wel een interessante vertaling van de menselijke nood aan gesprek; gesprek met anderen maar ook met jezelf of met een ingebeelde verwante ziel?

Zolang je voelt dat “men” luistert, ben je eigenlijk niet alleen?

In Vlaanderen zag ik dit soort logica ook wel bij mijn grootmoeder’s generatie; het heeft, voor mij toch, iets vertederend en onschuldig. En mijn interne monologen klinken redelijk gelijkaardig geef ik toe.

Hoedanook,we zijn hier voor de samenzang. Tijdens Pasen blijkt het hele dorp een focus te leggen op de Christusfiguur, z’n lijdensweg, z’n avontuur, z’n leven, en dit van het begin tot het einde. Het is een hele beleving, een opkomst, een vernietiging tot een reconstructie. Via afgesproken handelingen en specifieke liederen wordt hier een soort collectieve herrijzenis geënsceneerd. Met ingestudeerde aardbeving en al.

Volk vs. Kerk

Ik wil ook vermelden dat de meeste liederen die het volk hier zingt tijdens dit indrukwekkende theaterstuk, eigenlijk niet door de officiële “Kerk” worden geapprecieerd; sommige handelingen, flagelanten etcetera worden er eigenlijk zelfs actief door verworpen.

Dat kan “het volk” hier dan weer geen moer schelen, hun eigen overtuigingen en gewoontes (zijn gewoontes altijd “gewoon”?) zijn zo oud en ingebakken dat de “saaie” Kerk er geen vat op kan hebben. De mensen zijn hier vrij om hun eigen richting te nemen in hun geloof; ze zingen in luide kreten en spelen een collectief spel doorheen het hele dorp.

Noch de Paus noch de Staat, heeft daar vat op.

De mensen gaan hier eigenlijk dus met hun acties ver voorbij aan zowel klassiek conservatieve religie, als aan progressieve politiek. In die zin heeft het veel weg van hedendaagse kunst.

Waarom, zult u me vragen, m’n keuze om op 25-jarige leeftijd, als hedendaagse danser en choreograaf, ‘in the middle of nowhere’ te zoeken naar een oud haast onbekend lied tijdens Pasen!? Waar kwam die noodzaak toch vandaan, als het dus niet religieus te noemen is?

Waarom niet gewoon op skivakantie of naar de zee of naar één of andere dansstage…?

Rede

Daarvoor moet ik even kort terug in de tijd:

Ik ben geboren in ’76, opgevoed als stadskind en opgegroeid in een cultuur waar alles van waarde: oftewel geschreven was in boeken, kranten en blogs, oftewel op TV kwam, of hapklaar te koop was in de winkel.

In de stad moest en zou alles sneller gaan, daar waren de doeners en denkers. Het platte land was primitief en minderwaardig in m’n véél te jonge, naïeve ogen.

Ik was de toenmalige “volgende” generatie maar m’n realiteit was overmaat en overproductie. Het is een cliché, maar m’n opvoeding lag ver van de natuur en de seizoenen, ver van enige vorm van evenwicht of behoud. Het was prestatie.

Wat ik meekreeg van onze maatschappij was vooral veel geld te moeten leren verdienen (op welke manier dan ook) en steeds te denken aan meer en aan later.

“Werken” werd, in m’n kinderjaren, altijd beschreven als iets zeer theoretisch en abstracts doen (… niet te veel met het lichaam want dat was oftewel vreemd, oftewel minderwaardig). Werken was weliswaar duidelijk noodzakelijk en het werd niet verbonden aan enige vorm van passie. Misschien vandaar m’n interesse in muzikale Passies?

Voor je passie had je “hobbies”. “Plezier” vond je ook zeker niet in werk, enkel in entertainment, iets dat bestond naast werken en dat je ook mocht/moest consumeren, met het geld dat je verdiende dankzij je werk... een vreemde viscieuze cirkel die z’n eigen complexe systeem heeft.

Enfin, niet meteen de meest voldoeninggevende of inspirerende maatstaven om als tiener mee op te groeien. Op zich een herkenbare maar toch erg vreemde culturele logica.

Ik klink nu waarschijnlijk plots even érg negatief, en besef dat alles wel veel genuanceerder was en niet zo simplistisch, maar als tiener dacht ik er helemaal níet genuanceerd over, vandaar nu even deze toon...

M’n kinderlijk materialisme bereikte snel haar grenzen en wat bleef er dan nog over? Alles leek aan authenticiteit, referenties en diepte te missen en ik was op zoek naar oudere bronnen, naar verborgen waarheden en verhalen. Naar alternatieven voor de pasklare McDonald-geschiedenis lessen waar ik mee opgegroeid was in de jaren ‘80.

Als twintiger was ik op zoek naar reële leermeesters, naar concrete vertellers, naar praktische kenners, naar passies… M’n nieuwsgierigheid, een natuurlijk gevolg van m’n eenzijdige onnatuurlijke opvoeding waarschijnlijk, ontwikkelde een typische zoektocht naar zingeving, want dat was er sowieso niet in het dagdagelijkse Kafka-stadsleven dat we allemaal collectief voor elkaar onderhielden.

Een emotionele tegenreactie bracht me liefst zo ver mogelijk weg van geld, want; dat was er oftewel al meer dan genoeg, of het was er sowieso veel te weinig...

Waarom? Daarom dus…

Ach, die nood aan een roeping, een richting, een lotsbestemming, een meester.

Na vele straatjes en omwegen kwam ik, dankzij vrienden als Damien Jalet en Christine Leboutte, in de voetsporen van een inspirerende grote dame en vertelster: Giovanna Marini. Als ik nu aan Pasen denk, denk ik ook steeds aan haar.

Italiaanse Meester

Giovanna Marini, geboren in 1937, een etno-musicologe uit Italië, ze is ook zangeres, lerares, componiste… en zo veel meer.

Giovanna had straffe inzichten over de evolutie van maatschappij en volk; ze was ook erg bevriend met belangrijke marginale artiesten als Pier Paolo Passolini, ze was verbonden met haar omgeving doch uiterst kritisch ervoor.

Met Passolini deelde ze haar passie en haar bezorgdheid voor de toekomst van de Italiaanse cultuur. Ze wilde op haar manier Italië redden van een morele en culturele verloedering. En dat was niet evident, zeker niet in de jaren ’60 en ’70. Door de opkomst van de televisie was Italië haar rituelen, haar identiteit, haar eigenheid, haar dialecten, haar “gewoontes” en kwaliteiten aan het verliezen. Er kwamen domme Amerikaanse televisie spelletjes, Hollywood films, goedkope variété en Algemeen Beschaafd TV-Italiaans in de plaats. Niet echt een eerlijke waardenruil.

Prachtige populaire polifonische muziek die honderden jaren lang werd uitgevoerd door tal van individuen in de Italiaanse bevolking, werden in een mum van tijd tot uitsterven bedreigd. Noord Italië was snel haar noorden kwijt, maar het zuiden had meer afstand, meer tijd. Gelukkig was het zuiden wat “armer” en dus wat “trager”. Gelukkig had het zuiden geen “geld” en kon het zo een zekere eigenheid, een andere rijkdom, behouden.

Giovanna werd één van de belangrijke pilaren in het actieve behoud van een interessante hedendaagse Italiaanse cultuur.

Ze studeerde eerst als klassieke zangeres alvorens uiteindelijk haar roeping te vinden als onderzoekster en beschermster van de Italiaanse orale traditionele muziek. Zo is ze, als jonge dame, doorheen Italië getrokken om tientallen obscure liederen, die sinds de Middeleeuwen gezongen werden, te ontcijferen en, via opnames, te bewaren. Een beetje wat we zelf dus hier ook mee bezig waren.

Ze werd een wandelende, ademende, zingende encyclopedie.

Niet alleen onthield ze al de liedjes en translateerde ze de noten in overzichtelijke partituren, maar ze benadrukte ook de klankkleur en eigenheid van de ongepolijste en vrije volkstemmen, dus niet enkel wát maar ook hóe. De “manier waarop” iets gezongen wordt was in klassiekere muziek geschriften nogal verloren gegaan, bij haar werd dat een belangrijk referentiepunt…

Zingen werd terug van iedereen en voor iedereen. Elke stem, hoe rauw of eigen ook, had haar plek in deze traditionele mondeling overgeleverde muziek. Haar bijdrage was niet alleen een eenvoudige transcriptie, maar ook een gedetailleerde verklaring van het hoe en het waarom en het wanneer. Alles had een functie, een rede. Alles had zin.

Als een muzikale archeologe/documentariste analyseerde Giovanna ook de handelingen die tot op de dag van vandaag nog tijdens processies en rituelen worden uitgevoerd in al die kleine dorpen en plekken.

Een antropologe van haar “eigen volk”, een biografe voor haar voorouders. Ze stond concreet in haar cultuur en toch ook erbuiten. Pasen was één van haar favoriete periodes, niet uit godsdienstige overwegingen, maar om de diversiteit van de liederen dat zich verspreidde over de dorpen heen. Elk dorp had haar eigen verhaal, haar eigen manier van zingen, en dit waren collectieve rituelen, het hele dorp werkte samen.

Als unieke toondichteres gebruikt ze die eeuwige gezangen dan ook nog ‘s als basis voor muziek arrangementen én als inspiratie voor haar persoonlijke hedendaagse composities. Nu, anno 2012, is ze 75 geworden. Haar drijfveer is nog steeds het doorgeven van waardes en concrete cultuur, ver van enige vorm van pretentieus academisme of religieuze onmenselijkheid. Haar stem is onwaarschijnlijk krachtig, letterlijk en figuurlijk. Met veel humor, intelligentie, liefdevolle en zelfrelativerende overgave, haar gitaar in de hand, zingt en vertelt ze nog steeds honderden verhalen die blijven boeien voor jong en oud. Ze is in die zin de ideale avontuurlijke tante of grootmoeder, vol kennis en ervaring.

Enfin ik ben dus duidelijk fan, haha. 

Zij was en is inderdaad ons idool, zoiets moet soms ook wel eens gezegd worden.

Christine, Damien en ik waagden deze pelgrimstocht doorheen Italië, deze trip naar Sessa Aurunca, dan ook in haar eer.

Uiteindelijke ervaring

Dus hier zijn we dan, het is onze eerste avond hier. Damien en ik slapen in een klein pittoresk hotelkamertje in dit feëriek dorp in het Zuiden van Italië.

Het is erg, erg donker buiten; de gewoonlijke stedelijke straatverlichting is met haar lichtvervuiling nog niet tot deze gemeente in Campanië geraakt. Dankzij die leegte, hebben de sterren de hemel eindelijk helemaal voor zich alleen. Een zwarte leemte overlopend van witte sproeten, iets dat ik nog nooit zag in het neonlicht-verzadigd Vlaanderen.

Daarbij is het hier ook nog eens erg, erg stil. Een stilte die ik als stadskind ook weer nooit had kunnen meemaken. Alsof de wereld helemaal weg was. Na een tijdje zwijgen zelfs je gedachten, en hoor je enkel nog het binnenste van je eigen lichaam, je hart, je ademhaling. Zo’n rust, zo’n afstand, zo’n werkelijkheid, de eerste nacht op deze pelgrimstocht, en alles is al anders.

Plots horen we in de straten, in de verte, drie stemmen die versmelten tot één onwaarschijnlijke kleur en gevoel. Het is de aanzet tot de Miserere.

Het klinkt oud, alsware het je voorouders die je een verhaal vertellen. Het nasale geluid klinkt bevreemdend, ver van al de pop of klassieke muziek referenties waarmee de doorsnee Westerling opgroeit. Het klinkt magisch, surreëel en tijdloos; je wordt als het ware in een ver verleden terug geroepen met dit lied. Maar het zou ook iets futuristisch kunnen hebben, een geluid uit een meer dan geslaagde sciencefiction film of zo. Primair maar toch complex, de stemmen vloeien in elkaar over, er onstaan wonderlijke boventonen. Haast ongearticuleerd, meer een kleurevolutie dan werklijk een discour, doet het je de tijd vergeten. Het is dierlijk, nasaal, anders. Je kan er ongemakkelijk om lachen of erin opgaan, al naargelang je luisterbereidheid. Het is iets uniek. Het zijn slechts drie stemmen, maar de tertsen en kwinten geven je het gevoel dat je een heel koor hoort, dat de hele wereld meezingt. Of eerder, meeklaagt. Het lijkt gemaakt uit spijt en tranen.

En vooral ook, je hebt zin om mee te klagen, om erin op te gaan met je eigen stem.

De Miserere lijkt ook dat voor me, een collectieve gedachtenstroom waar je zonder gevaar mee in kunt opgaan. De stemmen lijken een manifestering van hemel aarde en al wat zich ertussen bevindt. In die zin, zoals zoveel ethnomusicologen soms beweren, lijkt de weg die de individuele zanglijnen afleggen, een reflectie of vertaling van haar geologische omgeving, straten heuvels of valeien.

Inhoudelijk is het bevreemdend; het lied is een in muziekgebrachte versie van de Psalm van Koning David als ik me niet vergis, die vergiffenis vraagt voor z’n misdaden; hij maakte Batseba van haar echtgenote Uria afhandig, en vraagt vergiffenis aan z’n God en profeet Natan. Een soort overspel/lust tragedie.

Soms vraag ik me af in hoeverre sommige zangers eigenlijk wel weten dat het dat is dat ze zingen? En hoe houdt dit verband met de enscenering van de hele Heilige Week? What does it all mean and how does it all fit together?

De weg dat die klanken hebben afgelegd lijkt me ver voorbij te gaan aan de eigenlijke woorden of bronnen, alsof er misschien wel eerst de polifonische klanken waren, en misschien later de woorden erop gelegd werden, misschien is deze text een vervanging van een veel oudere oorspronkelijke text? Wie weet, hoedanook het luisteren doet je speculeren en denken…

De modulaties in de Miserere breken de voorspelbaarheid, het is soms alsof de grond onder je voeten wegzakt als je er naar luistert. Het lied is een ware belevenis en getuigt van een complex samenspel, elke zanger heeft zijn rol in het parcours van Spijt en Zonde. De drie mannen staan erg dicht bij elkaar in een erg intieme, gesloten driehoek. Zingen als excuus om dichter bij elkaar te staan, elkaars grenzen af te tasten…? Of te versmelten in het geluid van een ander, met je eigen woorden?

Er is nog zoveel op te zoeken en te begrijpen over deze rituelen, alsof je slechts een tipje van de sluier oplicht. Elke antwoord dat je vindt brengt je letterlijk naar een volgende vraag.

Het jaar erop ging ik naar een ander dorp voor een ander lied, sinddien blijf ik opzoeken wat waar gezongen wordt, nog steeds in de voetsporen van Christine en Giovanna.

Pasen was en is dan ook misschien wel vooral dat voor me; een mogelijkheid om even in een ander z’n wereld te stappen, erin te versmelten zelfs. Misschien is wat me aantrekt in die zang het samen zijn, de eigenheid die noodzakelijk is en toch de samenhorigheid die het teweegbrengt?

LEES OOK

© Nick Baelemans
In Italië wonen zeven op de tien ongehuwde mannen jonger dan 35 nog thuis. Bij de jongeren tot 25 jaar is dat zelfs negen op de tien.
Een jonge protestbeweging, 'i forconi' of de Hooivorken, beheerst momenteel de Italiaanse media. De betogers zijn boos op hun regering en komen massaal op straat.
Het gebied tussen Caserta en Napels, in de Italiaanse regio Campania, is niet alleen een toeristische trekpleister. Het staat ook bekend als de vuilnisbelt van Italië, met dank aan de maffia.
CC Freedom House
Nu de omstandigheden voor vluchtelingen in Egypte verslechteren, kiezen veel Syriërs voor een onzekere reis naar Europa.

Meest recent van Sidi Larbi Cherkaoui

© Brecht Goris
Sidi Larbi Cherkaoui kreeg vorige week het nieuws dat hij binnenkort Commandeur in de Kroonorde is. Niet echt een adellijke titel, wel een uitzonderlijk ereteken. Wat voelt hij daarbij?
© Brecht Goris
Een uitspraak van de Nigeriaanse schrijfster Chimamanda Ngozi Adichie over blanke privileges zette ook Sidi Larbi Cherkaoui aan het denken.
Brecht Goris
M'n eerste reactie was ongeloof, daarna verbazing, ik was een beetje perplex en ook wel geflatteerd. Enfin, ik voelde een beetje vanalles tegelijk.
Brecht Goris
De laatste weken waren moeilijk te verteren voor de internationale holebi gemeenschap.

Laat een reactie achter

Javascript is vereist om dit formulier te gebruiken.
X

Ontdek

MO*nieuwsbrieven

Schrijf je in op onze gratis nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het belangrijkste mondiaal nieuws.

Facebook/Twitter

Blijf op de hoogte van het belangrijkste mondiaal nieuws.

MO*magazine

Abonneer je op ons unieke kwartaalmagazine voor slechts € 20.

Een abonnement nemen

MO*papers

Abonneer je op de gratis digitale achtergronddossiers (pdf) over actuele mondiale thema’s.