Agroforestry of boslandbouw helpt CO2 opslaan in de bodem

Slimme boeren planten bomen

© tine Hens

Klimaatbewuste boeren pakken het anders aan met boslandbouw. Met (op de foto: pas geplante) bomen stoppen ze koolstof in de grond.

35 stoelen had Carl Adriansens klaargezet op een dinsdagavond in januari. De boer van Hof ter Meulen in De Haan broedde samen met zijn vrouw, Tessa, op een nieuw plan, en daarvoor hadden ze de mensen nodig die rond de boerderij wonen.

‘Ferm-é’ stond telkens in de linkerbovenhoek van de dia’s van de powerpointpresentatie. Daaronder een menselijk figuurtje met wortels in de grond, en rond dat alles een cirkel. Als in: de kring sluiten. Carl wil een hectare van zijn grond aan de gemeenschap geven, in bruikleen, voor het zaaien en oogsten van groenten. Achter het vrijgevige gebaar zit een fundamentele vraag: ‘Hoeveel mensen kan ik volwaardig voeden met een hectare gezonde grond?’

Hij had een rekensom gemaakt. ‘Stel dat het er twintig zijn. Dan hebben we grofweg vijfhonderd miljoen hectare landbouwgrond nodig om voedsel te telen voor tien miljard mensen. Volgens de Wereldvoedselorganisatie (FAO) bewerken we nu al anderhalf miljard hectare. We produceren dus al op drie keer zoveel grond als we nodig hebben. Tegelijkertijd smijten we steeds meer voedsel weg.’

Hij legde die eerste reeks cijfers naast het taartdiagram van de globale uitstoot van broeikasgassen. Landgebruik, ontbossing en landbouw zijn goed voor een derde van die uitstoot. Boeren zijn mee oorzaak van de klimaatverandering en vangen tegelijkertijd de eerste schokken op.

Voorschotten in ruil voor verdere schaalvergroting: het gekende riedeltje. Het voelde als een vergiftigd geschenk

Carl kan erover meespreken. 2010 is een jaar dat hij niet snel zal vergeten. ‘Van vier hectare aardappelen waren we naar dertig gegaan. Het najaar was zo nat dat we de aardappelen amper gerooid kregen. Met zware machines hebben we ze uiteindelijk binnengehaald. Ze waren klein.’

‘Gelukkig viel de prijs nog mee, maar onze grond was kapot. Het voorjaar was uitzonderlijk droog. Het leek alsof we aardappelen in beton pootten. Ik moest een bruto omzet van 180.000 euro draaien om mijn leningen te kunnen betalen. We haalden met moeite 63.000 euro.’

‘Het was een drama. Financieel. Mentaal. De sector wierp een hulplijn uit: we kregen voorschotten, in ruil voor verdere schaalvergroting. Het gekende riedeltje. Het betekende opnieuw een investering van een half miljoen.’

‘Het voelde als een vergiftigd geschenk, maar ik dacht dat het de enige weg was. Ik wilde tekenen, want datzelfde jaar verloren we ook nog eens 120 slachtrijpe varkens. Mijn vrouw hield me tegen. “Gaan we dat wel doen?”, vroeg ze. “Moet het zo?”’

Vetste varken

‘Zo’n simpele vraag’, vertelt Carl. ‘Ik zette een stap terug en dacht aan al het voedsel dat we al die jaren hadden weggegooid. Aardappelen die geen klant vonden omdat ze te klein waren. Onzinnig als je er even over nadenkt. We besloten het roer om te gooien.

In het doen en denken van Carl en Tessa moet Ferm-é de volgende stap worden op de weg naar anders boeren, die ze ondertussen bijna tien jaar geleden insloegen.

Eerst vervingen ze de vleesvarkens, van zoveel mogelijk beesten op zo weinig mogelijk plaats naar het vetste varken van Europa, het mangalicavarken. Dat laten ze buiten in de weide wroeten en draven om, als de tijd er rijp voor is, het vlees lokaal en in hun eigen winkel te verkopen.

Daarna plantten ze bomen en houtgewassen. Notelaren, kerselaren, hazelaars. Als windbuffer, om schaduw en voedsel te bieden aan de varkens, maar ook om water en koolstof in de grond vast te houden en de bodem te voeden. Nu willen ze grond delen met de gemeenschap.

‘Overproductie is the mother of all fuck-ups.’ Altijd méér leidt tot verlies voor idereen.

De diversiteit die Carl zich herinnert uit zijn kinderjaren op de boerderij, is stilaan teruggekeerd. Er dartelen weer vogels boven de velden, er zoemen vlinders en bijen in de zomer. Voor zijn vader, die de omschakeling met bezorgde blik volgde, leek het op een terugkeer naar wat hij bewust achterliet.

Wat Carl deed, druiste in tegen alles wat de vader op school had geleerd. Het botste ook met wat Carl zelf als industrieel-ingenieur landbouw had meegekregen en met wat de markt van de boer verlangt.

© Tine Hens

Boer Carl gooide het roer om. ‘We breiden uit in diversificatie, niet in kwantiteit.’

Carl kent de cijfers uit het hoofd. Rendabel zijn betekende volgens zijn professor varkenshouderij minimum 10.000 vleesvarkens en 500 zeugen houden. ‘Als je nu een varkensstal wil bouwen, moet het minstens voor 2000 varkens zijn. Anders komen de banken niet met geld over de brug. In Diksmuide rijzen projecten uit de grond voor 20.000 varkens.’ Hij schudt het hoofd.

‘Overproductie is the mother of all fuck-ups.’ Het staat groot op de slide en Carl spreekt het lachend, bijna verontschuldigend uit voor zijn publiek. Maar hij meent het. Altijd meer leidt tot verlies voor iedereen.

De avond was al een succes nog voor hij begon. Er moesten stoelen worden bijgezet. Wel dertig.

Carl deelde geduldig de andere rekensom die hij keer op keer had gemaakt. Hoe de boer deel van de oplossing kan worden door een nieuwe taak op zich te nemen: het organisch leven in de bodem stimuleren en zo CO2 in de grond opslaan. Want bomen zetten CO2 om in hout en wortels en slaan het dus voor lange tijd op.

‘Het is perfect mogelijk om tien ton CO2 op te slaan per hectare grond. Nu krijgt een Europese boer 300 euro subsidie per hectare om een monocultuur van tarwe of suikerbieten in te zaaien. Hij moet daarvoor niet in zijn bodem investeren. Stel dat we boeren daarentegen geld geven om CO2 weg te steken. Ik weet niet of veel boeren daartegen zijn. Boeren willen boeren, en appreciatie krijgen voor wat ze doen.’

‘En zo,’ hij tikt met zijn vinger op de reeks cijfers, ‘krijg je zelfs de kapitalisten mee.’

Heel even heel stom

Agroforestry of boslandbouw is het oudste landbouwsysteem ter wereld. Aan zijn keukentafel in Waterloo toont Patrick Worms me gravures van velden met dadelpalmen, uit de tijd waarin de eerste steden rond de Tigris en de Eufraat ontstonden. ‘De combinatie van bomen, houtgewassen, voedingsgewassen en dieren is eeuwenlang vanzelfsprekend geweest.’

‘Pas na de Tweede Wereldoorlog zijn we bomen beginnen omhakken met het oog op mechanisatie en meer productie.’ Hij leunt achterover en zegt: ‘Binnen zoveel jaar kijken we op deze periode terug en zeggen we: we zijn heel even heel stom geweest.’

Ook als moleculair bio-ingenieur had Worms tot tien jaar geleden nooit van agroforestry gehoord. Hij werkte voor de Europese administratie, zette projecten op om het milieubewustzijn in Oost-Europa te vergroten, stampte daarna zijn eigen lobby- en communicatiebedrijf uit de grond en verkocht dat weer toen naar eigen zeggen de spreidstand tussen ethiek en bedrijfsgroei te pijnlijk werd.

‘Bomen planten rond velden is het meest eenvoudige en belangrijke dat je kunt doen om CO2 op te slaan in de bodem zonder inkomensverlies.’

En toen woonde hij een milieuconferentie in Dubai bij en leerde hij boslandbouw kennen. ‘Twee zaken verbaasden me. Dat het zo’n schitterend systeem is, waarbij de productiviteit toeneemt zonder de bodem uit te putten. Maar vooral: dat ik er nooit van gehoord had. Het leek het best bewaarde geheim, enkel bekend in een kleine kring van fanatieke landbouwers.’

Hij was zo enthousiast dat hij zichzelf aanbood bij het World Agroforestry Centre om de principes van boslandbouw bekender te maken dan ze waren.

De eerste jaren moest hij op deuren bonken om binnen te mogen. ‘Ik werd wel eens uitgenodigd op een vergadering, men luisterde beleefd naar me, maar verder dacht men toch vooral: “Fijn, hippie, keer nu maar terug naar je bos en laat de serieuze mensen de zaken regelen.”’ Hij glimlacht. ‘Dat is veranderd. Ik word gebeld.’

Niet meer dan logisch, meent hij. Er ligt weinig anders op tafel met zo veel voordelen en zo weinig kosten. ‘Bomen planten rond velden en weiden is het meest eenvoudige en belangrijke dat je kunt doen om CO2 op te slaan in de bodem zonder inkomensverlies. Het Europese landbouwbeleid moet daar op inzetten.’

Geeks van het land

Bij slim denkt Worms niet noodzakelijk aan drones en precisiemetingen – al kunnen die een rol spelen. Belangrijker zijn gedreven boeren met inzicht in ecosystemen en de relaties tussen bomen, bodem, planten en dieren. Hij noemt ze de ‘geeks van het land’, die hun boerderij uitdokteren als een netwerk waarbij alles inhaakt op elkaar.

‘Het domste en meest desastreuze dat we vandaag doen, is massaal land inzetten en bijkomend ontbossen voor de teelt van voedergewassen voor dieren. Dat moet op de schop. We mogen niet langer land voor landbouw ontbossen en moeten daarentegen landbouwgrond bebossen. Liever gisteren dan vandaag.’

‘Daarin hebben dieren hun plaats. Ze kunnen er eten van het land en dat land op hun beurt bemesten, maar ze horen in geen geval mais of soja te eten. Laat ze door geleid grazen het systeem beheren.’

Wereldwijd en verspreid over alle continenten groeien er bomen op veertig procent van de landbouwgrond. Jaarlijks neemt die aanplant van meerjarige gewassen met een procent toe. Dat mag sneller en meer, meent Worms. Vooral omdat agroforestry overal mogelijk is waar er voldoende regen valt.

Hij opent een presentatie en toont de schrale gronden in Tigray in Ethiopië. In de jaren tachtig veroorzaakten misoogsten hier een hongersnood die muzikanten als Bob Geldof en Bono ertoe bewoog solidariteitsconcerten te organiseren.

Dertig jaar later is dit begroeid land, met bomen die de kavels afzomen en een uitgekiend irrigatiesysteem. Op een lap grond na. Die blijft jaar na jaar braak liggen. Het is de herinnering voor toekomstige generaties. Over wat slecht beheer en overexploitatie met de aarde doen.

‘Het gaat niet over ideologie, het gaat over slim boeren.’

Worms laat de ene praktijk na de andere voorbijglijden. Een groene oase van tien miljoen hectare aan de rand van de Sahara in Zinder in Niger, graasbeheer in Aberdeen in Zuid-Afrika en het weelderige groen van het Lössplateau in China. Voorbeelden van uitgeputte landbouwgronden die hersteld werden met de aanplant van bomen, gevarieerde gewassen en grazende dieren.

De bomen, vertelt Worms, slaan ook bruggen. Tussen natuurjongens en boeren, maar evengoed tussen traditionele en nieuwe boeren.

‘Nogmaals,’ benadrukt Worms, ‘het gaat niet over ideologie, het gaat over slim boeren. Twintig procent van je grond reserveren voor bomen, levert je op termijn twintig tot veertig procent extra opbrengst op. Bovendien verbeter je je bodem, draag je bij aan natuurherstel en bespaar je op allerlei producten die je niet meer nodig hebt.’

Er moeten toch nadelen zijn? Worms schudt het hoofd. ‘Weinig.’ Hij denkt na. ‘Of toch: één. Het voornaamste.’ De reden ook waarom hij er tot tien jaar geleden nooit over hoorde. ‘Er zit geen geld in. Er is een zakenmodel om landbouwgif te verkopen, maar niet voor boslandbouw. Integendeel. Boslandbouw maakt een boer onafhankelijk.’

‘Gelukkige dieren zijn gezonde dieren’

Vijf jaar geleden sproeide boer Carl voor het laatst zijn aardbeien. ‘Een systeem heeft tijd nodig om zich te herstellen. In het begin zag ik enkel de nadelen, nu heb ik geleerd te wachten en te vertrouwen.’ Hij wijst naar de buizerd in de boom naast het veld. ‘Mijn natuurlijke pestbeheerder’, lacht hij.

We wandelen naar de stal die hij inrichtte tot kraamkamer. Vroeger zaten hier 250 varkens die enkel het daglicht zagen als ze klaar waren voor de slacht. Nu zogen de zeugen hier hun biggen. ‘De kleintjes blijven bij hun moeder tot ze niet meer willen. Of tot de moeder niet meer wil.’

© Tine Hens

‘Vroeger zaten hier 250 varkens die enkel het daglicht zagen als ze klaar waren voor de slacht. Nu zogen de zeugen hier hun biggen.’

Hij heeft er lang over getwijfeld of het nog verantwoord is dieren te houden en te kweken. De aarzeling hoorde bij de evolutie die hij doormaakte. ‘Vroeger stond ik daar niet bij stil. Een varken was een vakje in een excel-tabel. Toen begon ik te lezen, me te informeren, over de intelligentie van het varken, de gevoeligheid. Stoppen of doorgaan?’

Hij aait een zeug over haar kop, schudt het stro op en geeft de biggen plaats om tussen en langs zijn benen door te rennen.

‘Ik denk dat we er in slagen het dier in ere te herstellen. Ons oudste varken is acht jaar. Hij is stilaan afscheid aan het nemen van het leven. Na drie jaar kregen we een raadgever van de Boerenbond over de vloer. Hij wilde weten wanneer we onze zeugen gingen wisselen. Zolang ze gezond zijn, niet. En wat merken we? Door de rust in de groep neemt het aantal biggen per zeug toe. Gelukkige dieren zijn gezonde dieren.’

Blijf op de hoogte

Schrijf je in op onze nieuwsbrieven en blijf op de hoogte van het mondiale nieuws
Hij sluit de deur van de stal. ‘Deze week kreeg ik telefoon uit Antwerpen met de vraag of ik wekelijks aan een restaurant wilde leveren.’ Hij houdt zijn hand boven zijn ogen en tuurt omhoog. De buizerd schiet in duikvlucht over het erf. ‘Ik heb nee gezegd. We breiden uit in diversificatie, niet in kwantiteit.’

‘Na de Tweede Wereldoorlog wilde de boer weten hoe groot hij moest worden om zijn kostprijs te verlagen, zodat hij met de wereld kon concurreren. Dat verhaal is voorbij. Ik wil ontdekken hoe klein ik kan zijn om in de lokale behoeften te voorzien en hiervoor een leefbare, faire vergoeding te krijgen.’

Hij veegt de modder en mest van zijn voeten. ‘Als er een boer in het Antwerpse interesse heeft om van ons te leren en samen te werken, dan hoor ik het graag.’

Dit artikel werd geschreven voor het lentenummer van MO*magazine. Voor slechts 32 euro kan je hier een jaarabonnement nemen! Je kan ook proMO* worden voor slechts 4 euro per maand. Je krijgt dan ook ons magazine toegestuurd en je steunt daarmee ons journalistiek project. Opgelet: Knack-abonnees ontvangen MO* automatisch bij hun pakket.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2388  proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Klimaat en sociaalecologische transitie

    Tine Hens is historica, journaliste en auteur van Het klein verzet (Epo, 2015), het verhaal van mensen die van Griekenland tot Denemarken in hun eigen wijk of stad, of met hun eigen b

    Actieve thema's