Dossier: 

11 september

Ik weet nog erg duidelijk wanneer de wereldpolitiek me voor het eerst persoonlijk raakte. Dat was op 11 september 1973, dag waarop ik, staande in de hal van het Sint-Pietersstation in Gent, over de putsch in Chili hoorde.

De militairen onder leiding van de extreem rechtse generaal Augusto Pinochet smoorden op die dag de jonge, veerkrachtige sociaaldemocratische samenleving van president Salvador Allende, die net drie jaar en één week aan de macht was, in het bloed. Zijn Unitad Popular had het nationale belang al snel overstegen en was het hoopvolle symbool geworden voor de armere landen van Latijns-Amerika. Allende werd koelbloedig vermoord, er volgden talrijke executies en razzia’s, grote groepen mensen werden samengedreven in het voetbalstadion van Santiago de Chile. Ik herinner me dat we in de dagen volgend op de putsch de liederen van de volkszanger en activist Victor Jara beluisterden. Enkele dagen later werd hij verminkt en vermoord gevonden; de vingers van de sympathieke gitarist, zo werd meegedeeld, waren afgehakt.

Tien dagen later stierf ook de grote dichter Pablo Neruda. Hij was, zoals de kranten meldden, gestorven aan een hartinfarct ten gevolge van de gebeurtenissen en de dood van zijn persoonlijke vriend Allende; de schok was compleet, de nachtmerrie vrat zich zelfs door onze cursussen literatuur en het vredevol lezen van poëzie.

Dat dit soort zaken kon gebeuren in een land waar via democratische verkiezingen een door het volk gelegitimeerd regime aan de macht was, opende bruusk mijn ogen: het kon eigenlijk nog bijna overal gebeuren. Wat ons in de geschiedenislessen was geleerd – dat het fascisme verslagen was, dat we in een vrije wereld leefden die in die comfortabele jaren zeventig van de vorige eeuw in volle ontplooiing was – het bleek een sprookje. Plots werden onze blikken ook weer op Spanje gericht, waar de oude dictator Franco nog steeds aan de macht was; op Portugal, waar het regime van dictator Salazar via zijn opvolger Caetano nog steeds met harde hand regeerde; op Griekenland, waar de militaire junta van Papadopoulos nog steeds slachtoffers maakte. Die elfde september 1973 maakte me duidelijk dat zelfs de helft van ons eigenste Europa niet eens genoot van de democratische voorrechten waar wij via onze flower power, vrolijke joints en rockmuziek onbekommerd van genoten. De leuzen over de hele ‘free world’ bleken een publiciteitsstunt, niet meer of niet minder. We vernamen dat de Verenigde Staten op zijn minst een gedoogbeleid voerden ten aanzien van de militaire junta; dat Chili vergeven was van de gevluchte nazi-misdadigers.

De wereldkaart werd voor mij op die elfde september hertekend – zoals ze dat ook zou worden na die tweede keer elf september. Het betekende ook dat ik voor het eerst het grimmige gelaat van wereldeconomische belangen besefte: de putsch kwam de internationale concerns maar al te goed uit. Het Westen bleek vooral te werken aan een ‘free world’ van eigenbelang.

In feite is dit alles nog steeds waar; inmiddels kennen we talloze voorbeelden van het cynisme waarmee ondemocratische situaties als breekijzer worden gebruikt om economische belangen veilig te stellen. Dat daarbij hele bevolkingen worden onderdrukt of gediscrimineerd, lijkt telkens van maar zeer relatief belang.

Als student die, komend uit een rustig katholiek en Vlaamsgezind nest, via de vakken wijsbegeerte en historische kritiek vrij snel van zijn geloof was afgevallen, en daarna via de uitgesproken links denkende vader van een vriendinnetje de ogen had leren openen voor sociaal onrecht, raakte ik betrokken bij het gekissebis tussen toenmalige trotskistische en maoïstische studentenbewegingen, zag ook daar niet bepaald hartverheffende sentimenten en dogma’s spelen. Al snel besefte ik dat men als jong mens moest uitkijken om niet cynisch te reageren; dat beschavingsidealen broos zijn, dat het verdedigen van een praktische moraal van rechtvaardigheid haaks kan staan op allerlei hoogdravende politieke theorieën. Mei ’68 was net achter de rug, de Parijse intellectuelen vertoonden een selectieve blindheid voor de mislukking van het communistische experiment, Sartre liet zich in de luren leggen, en dat alles was voor iemand als ik, die net te laat kwam voor de eigenlijke beweging van mei ’68, verwarrend en complex. Het leerde me dat democratie op geen enkel moment een vanzelfsprekend iets is; dat ze elke dag bevochten moet worden, ook in eigen rangen, in het eigen land, bij de eigen vrienden en kennissen, in de politieke partijen waarin men gelooft of het geloof verliest. Misschien leerde 11 september 1973 me wat het is of zou moeten zijn, een ‘waakzame burger’ te blijven, zoals Plato het zo mooi had geformuleerd voor zijn – toen ook al – lichtjes totalitaire utopie.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift