1960-2010: van onafhankelijkheid over Afropessimisme tot multicultureel drama

Onze moeilijke omgang met allochtonen en immigranten heeft zijn wortels in de koloniale omgang met “inboorlingen” en “évolués”. De analyse die Boubacar Boris Diop maakt van de afropessimistische stroming is dan ook niet alleen relevant voor een beter begrip van een halve eeuw Afrikaanse onafhankelijkheid. Het is impliciet ook een waarschuwing tegen allochtonenpessimisme.
  • Klaas Verplancke Klaas Verplancke
In de zoektocht naar oorzaken van de mislukking van onze onafhankelijkheid, heeft het afropessimisme de slavenhandel en de kolonisatie buiten beschouwing gelaten, om dan tot de conclusie te komen: het probleem van Afrika is de Afrikaanse cultuur. Zij staat de mentaliteitsveranderingen die noodzakelijk zijn voor de vooruitgang in de weg. Op welke manier is de Afrikaanse cultuur een obstakel? Er wordt dan zonder enige orde of onderscheid verwezen naar de verhouding van de Afrikaan tot de macht of naar het feit dat hij loyaler is aan zijn stam dan aan zijn staat.
De afropessimistische auteurs verwezen ook vaak naar onze opvatting van de tijd. De tijd wordt door de Afrikanen alleen in zijn onmiddellijkheid gezien –vandaar hun onvermogen om op lange of middellange termijn te plannen– en zou voor hen ook synoniem zijn met oneindige ontspanning. De tijd die naar werk had moeten gaan, werd besteed aan dansen en feesten. Etounga, Mana en Kabou wezen ook op de terugkeer van de hekserij en het kannibalisme in Afrika.
Kortom, de auteurs beweren dat het obscurantisme, de weigering om zich in te spannen en de verering van elke vorm van sociaal gezag – de jongeren gehoorzamen de ouderen, de vrouwen gehoorzamen de mannen– totalitaire maatschappijen tot stand brengen waarin de logica van economische en financiële hebzucht de armoede verergert.
Deze kritiek op de eerste drie decennia van de onafhankelijkheid had de verdienste dat er nieuwe en verrassende stemmen te horen waren. Hun woede was een heilzame reactie op degenen die voortdurend verwezen naar het zogenaamd paradijselijke verleden van Afrika, om een schitterende toekomst te voorspellen – terwijl chaos zich overal aan het installeren was.
Men kan het afropessimisme ook niet verwijten belangrijke feiten voor de analyse zoals hekserij, de relatie tot het goddelijke , de onderwerping aan autoriteit en het tribalisme, verzonnen te hebben. Dat Afrika hier geen monopolie op heeft, neemt niet weg dat deze problemen reëel zijn.
De boeken die het afropessimisme gestalte gaven, werden op een emotionele manier ontvangen, wat aandachtig lezen verhinderde. Vandaag zien we beter hoe arrogant, slecht beargumenteerd en weinig overtuigend ze zijn.

Verwarring


De auteurs hadden zeker moed. Maar waartoe dient moed als men te weinig scherpzinnig is? Door Afrika los te koppelen van zijn hele noordelijke deel, hebben ze, zonder twijfel ongewild, een raciale lezing van erg ingewikkelde politieke en economische processen aangemoedigd.
Ze hebben er daarenboven voor gezorgd dat zelfs de briljantste geesten Afrika sindsdien als één en hetzelfde land beschouwen. Dat soort chronische verwarring lijkt uitsluitend mogelijk als het gaat over Afrika ten zuiden van de Sahara. Niemand zou het in zijn hoofd halen om de regering van New Delhi verantwoordelijk te stellen voor wat in Pakistan gebeurt en omgekeerd. Ik heb dat voorbeeld niet zomaar uitgekozen: India en Pakistan hebben tot 1947 werkelijk één staat gevormd. En wie zou de politieke situatie in Groot-Brittannië, Italië en Bulgarije beoordelen met één set van criteria? Door misbruik te maken van gemakkelijke veralgemeningen ontmoedigde het afropessimisme elk onderscheid tussen de Afrikaanse landen die inspanningen leveren om hun economische en sociale problemen op te lossen en da andere Afrikaanse landen.
De verwarring die daardoor gecreëerd werd, is zo groot dat elke Afrikaan zich vragen gaat stellen over zijn identiteit. Ik, bijvoorbeeld, ben Senegalees: heeft dat dan niets te betekenen? Mijn geschiedenis en mijn relatie tot de anderen zouden heel anders zijn als ik in Zaïre of in Burkina Faso geboren was. Van mij een ‘Afrikaan’ maken, opgaand in een niet gedifferentieerde massa, berooft me van mijn geschiedenis, van de opeenvolging van toevalligheden en omstandigheden –de oorlogen, de grote migratiebewegingen, zelfs de natuurrampen, de tragedies zoals de slavenhandel, de kolonisatie of zelfs de grote sportieve evenementen– die uiteindelijk, in pijn en onzekerheid, de Senegalese natie vorm gegeven hebben.
Maar de grootste fout van het afropessimisme was zeker dat het te vroeg en te eenzijdig beschuldigend kritiek leverde op de onafhankelijkheid. Het was bovendien absurd om dertig korte jaren van soevereiniteit te beoordelen zonder rekening te houden met eeuwen van vernietigend contact met Europa.
De auteurs wilden de alarmklok luiden, want volgens hen stond het continent in 1991 al op de rand van de afgrond. In 2010 blijken zulke onvoorzichtige voorspellingen lachwekkend. Ook al is de situatie heel erg moeilijk, Afrika bevindt zich niet langer in het tijdperk van Moboetoe en Amin Dada.
Staatsgrepen, heel frequent in de jaren zestig, zijn vandaag uitzonderingen. Een snelle blik op de kaart maakt duidelijk dat van Mozambique tot Liberia, over Sierra Leone, Angola, Burundi en Zuid-Afrika, tientallen conflicten werden opgelost. Ook al kunnen we niet over algemene stabiliteit spreken, toch kunnen we niet ontkennen dat de situatie op het continent verbeterd is en dat de politieke strijd bijna overal op een opener manier wordt gevoerd.
Het afropessimise, dat de Afrikaanse maatschappijen hun immobilisme zo gretig verweet, is blind gebleven voor hun interne dynamiek. Ironisch genoeg kunnen we deze jonge denkers, die zo graag gezien wilden worden als symbolen van flamboyante moderniteit, van archaïsme verdenken. Het is hun niet gelukt, want amper twintig jaar later lijken hun werken uit een ver verleden te komen. En dat is misschien de reden waarom ze zich uiteindelijk in stilzwijgen gehuld hebben, terwijl men dacht dat ze de eerste bakens van een groot œuvre aan het uitzetten waren.

Onverschilligheid en genocide


Een maatschappij gaat er gedeeltelijk op vooruit dankzij de kritiek van haar intellectuelen. Men kan zich nochtans afvragen of dit de bedoeling was van het afropessimisme, dat een heel vreemde eigenschap had: terwijl het verondersteld werd zich tot de Afrikanen te richten om hen te helpen aan te haken bij de vooruitgang, was het in feite vooral gericht tot de westerlingen. Uiteindelijk is de beweging er vooral in geslaagd om deze laatsten –die zich veel ongemakkelijker voelen over verleden dan ze willen laten geloven– van hun schuldgevoel af te helpen.
Het is ook normaal dat zulke werken meer weerklank vinden in Parijs dan in Bamako. Ze dienen ook vandaag nog als kweekbodem voor het alledaagse racisme. De Amerikaanse antropoloog Stephen Smith en anderen hebben daar volop gebruik van gemaakt om hun racistische stellingen te ondersteunen. Om de haverklap naar de afropessimisten verwijzen was een manier om tegen de lezer te zeggen: ‘Ik verzin niets, ik kijk helemaal niet neer op de Afrikanen. Ik herhaal alleen maar uitspraken van Kabou en Manguelle, die ook Afrikanen zijn.’
In zijn erg controversiële toespraak in Dakar in 2007 heeft ook de Franse president Sarkozy –zonder ze te noemen– naar de afropessimisten verwezen.
Aan hen dankt hij het idee dat ‘de Afrikaan onvoldoende deel uitmaakt van de Geschiedenis’ en vooral de overtuiging dat de slavenhandel en de kolonisatie gerelativeerd dienen te worden. De Franse wet van 23 februari 2005 over ‘de positieve aspecten van de kolonisatie’ is er ook niet uit het niets gekomen.
Er bestaat volgens mij een direct verband tussen deze oppervlakkige zelfverachting en de genocide in Rwanda. De onverschilligheid van de internationale gemeenschap toen is vandaag nog steeds onderwerp van debat.
Tussen april en juli 1994 werden in Rwanda elke dag tienduizend mensen gedood. De VN, goed geïnformeerd over de situatie, heeft dus honderd dagen de tijd gehad om een miljoen onschuldigen te redden. Gedurende honderd dagen was men van oordeel dat er niets nieuws onder de zon is wanneer Afrikanen elkaar uitmoorden. In plaats van meer troepen naar Kigali te sturen om duidelijk te maken dat de genocide niet geaccepteerd werd, heeft men het omgekeerde signaal naar de beulen gestuurd door het contingent blauwhelmen beduidend te verkleinen. Iedereen herinnert zich nog de beelden van westerlingen die toen samen met hun huisdieren geëvacueerd werden alsof hun leven veel meer waard was dan dat van de Rwandezen.
Deze onbegrijpelijke houding steunde op de overtuiging, wijdverspreid tegenwoordig, dat er voor Afrikanen geen grens is tussen leven en dood en dat –naar de bekende uitspraak van François Mitterrand– ‘een genocide in die landen (onze landen, dus) niet zo belangrijk is’. De Franse auteur Jean d’Ormesson vatte het drama zo samen: ‘Rwanda, dat waren grandioze slachtingen in sublieme landschappen.’ Het afropessimisme is uiteraard niet verantwoordelijk voor wat er in Rwanda gebeurd is. Maar door bepaalde clichés over Afrika te bevestigen, heeft het duidelijk zulke denigrerende uitspraken in de hand gewerkt en een sfeer gecreëerd die de internationale gemeenschap niet aanmoedigde om op een adequate manier te reageren.

Intellectuele ijdelheid


In feite heeft het afropessimisme zich over de hele lijn door de resultaten laten fascineren, op zo’n manier dat het de oorzaken van de fenomenen die het verondersteld werd te analyseren volledig heeft genegeerd. Zo werd er nooit gewezen op het feit dat de onafhankelijkheid in Afrika slechts schijn was. Op het moment dat Washington via zijn bloeddorstige marionetten macht had over Latijns-Amerika en Azië, zette Parijs in Franstalig Afrika de ene militaire staatsgreep na de andere op touw, ten voordele van beesten zoals Bokassa.
Het is belachelijk, zelfs oneerlijk, om de moeilijkheden van Afrika te verklaren door te verwijzen naar de voorouderlijke religie, de relatie tot de tijd of vergelijkbare onzin, zonder het te hebben over realiteiten als la Françafrique, de politieke dominantie van Franstalig Afrika door Parijs na de onafhankelijkheid. Laten we voor een ogenblik het kolonialisme “vergeten”, zoals het afropessimisme het wil. Moeten we dan ook zwijgen over het neokolonialisme, dat in die tijd al onze onafhankelijkheid van alle betekenis beroofde?
Elke gemeenschap heeft haar zwaargewichten. Samen met hen krijgt de gemeenschap, vaak op een pijnlijke manier, greep op het verleden, maar ook uitzicht op de moderniteit. Afrika heeft bijzondere leiders voortgebracht, die moeilijke maar noodzakelijke veranderingen in hun samenlevingen gerealiseerd hebben. Geen enkele van deze leiders heeft de kans gehad om zijn politieke project over een lange periode uit te voeren. Of om het nog anders uit te drukken: in Afrika werd de wil om sociale hervormingen door te voeren altijd met de dood bestraft tijdens de Koude Oorlog.
Die dood kon fysiek zijn –Um Nyobé, Sankara, Cabral– of politiek – Kwame Nkrumah. Zij die Lumumba hebben vermoord om Kongo aan Moboetoe toe te vertrouwen, kunnen zich niet ontdoen van de verantwoordelijkheid voor de vernietiging van dit immense en rijke land. Het afropessimisme heeft altijd op een vrij verdachte manier deze uitermate storende politieke feiten verdoezeld.
Het afropessimisme heeft uiteindelijk zelfs niet de verdienste van de originaliteit gehad. Fictie-auteurs sloegen reeds dertig jaar eerder alarm. Een soort van intellectuele ijdelheid –te herkennen aan het overvloedige gebruik van vinnige formuleringen– heeft onrijpe denkers tot op de rand van het autoracisme gebracht, wat nog altijd de uitdrukking is van een vorm van schaamte voor zichzelf. Zo hebben ze het gemakkelijk gemaakt voor negrofoben die verwarring hebben gezaaid en de geschiedenis zonder enig respect voor de waarheid hebben herschreven.
De teksten van Kä Mana, Manguelle en Kabou zijn misschien wat in de vergetelheid geraakt, maar hun denkbeelden blijven doorwerken in de manier waarop de wereld Afrika benadert. En dat leidt tot beslissingen over leven of dood van duizenden Afrikanen, zoals gebeurd is in Rwanda. Het is in die zin dat ze jammerlijk actueel blijven. Het is dus van groot belang om ze opnieuw te bestuderen en het gevaar dat ze betekenen bekend te maken. Het afropessimisme leeft, en dat is jammer.

Wat is afropessimisme?
Het afropessimisme refereert over het algemeen aan essays geschreven aan het einde van de jaren tachtig door Daniel Etounga-Manguelle (L’Afrique a-t-elle besoin d’un programme d’ajustement culturel?), Kä Mana (L’Afrique va-t-elle mourir?) en Axelle Kabou (Et si l’Afrique refusait le développement?), drie auteurs die zich niet konden vinden in het dolle optimisme van de beginperiode van de onafhankelijkheid.

Hun teksten beschreven een Afrika dat gebukt gaat onder stammenoorlogen en corruptie en dat van internationale liefdadigheid leeft. Het nieuwe aan deze benadering lag vooral in de weigering om met een beschuldigende vinger naar het Westen te wijzen. De jongste loot aan de boom van het Afropessimisme is Dambisa Moyo, met haar Dead Aid.


Deze tekst verschijnt later dit jaar in een bundel literaire en niet-literaire teksten die uitgegeven worden door Bozar in het kader van Visionary Africa.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift