2009, de Grote Klimaattest voor de Homo Sapiens

Wanneer eind dit jaar de Verenigde Naties bijeenkomen in Kopenhagen, moet duidelijk worden of het mensdom echt iets wil doen aan de klimaatverandering. De weg naar Kopenhagen wordt zwaar, de ambitie is niet gering. Als het goed loopt, wordt in de schoot van de VN een geldmachine geïnstalleerd die ontwikkelingslanden toelaat versneld een groene economische ontwikkeling door te maken. Maar eerst moeten de rijke landen bindende beloftes maken over hoeveel broeikasgassen ze minder zullen uitstoten.
  • Alma De Walsche Na Poznan kan het zogenaamde Aanpassingsfonds dat opgericht is echt van start gaan. Alma De Walsche
‘Bij vloed reikt het zeewater steeds dieper het land in’, vertelt Makereta Komai uit de Fiji-eilanden. ‘De akkers verzilten en de boeren moeten hogerop gaan wonen. Dat vereist een andere leefwijze.’ Mauritius en de Seychellen gaan ervan uit dat ze eerlang hun kusten –hun grote toeristische troef en inkomensbron– verliezen. De kleine eilandstaten Tuvalu en de Maldiven onderhandelen al over definitieve migratie. In veel landen is de klimaatverandering geen theoretische discussie meer maar dagelijkse realiteit. Zij voelen nu al wat de rest van de wereld straks zal ervaren.
‘Toen het Klimaatverdrag er in 1992 kwam, beschikten we nog niet over de wetenschappelijke gegevens die we nu hebben’, verklaart Yvo De Boer, secretaris-generaal van het VN-Klimaatverdrag. ‘Nu weten we dat de klimaatverandering onvermijdelijk is. Het komt erop aan snel te handelen. Tot nu toe zijn slechts kleine stapjes gezet.’ De Belgische klimaatwetenschapper Jean-Pascal Van Ypersele stelt de zaken nog scherper: ‘Als we willen dat de temperatuur niet meer dan twee graden stijgt, moet de mondiale productie van broeikasgassen vanaf 2015 dalen. We hebben dus nog zeven jaar tijd om de omslag te maken.’
Daartegenover staat een wereldeconomie die de voorbije jaren, tot vlak voor de financiële crisis, sterk groeide, met reusachtige ontwikkelingslanden die dorsten naar welvaart en daarbij de weg kiezen die de rijke landen al 200 jaar volgen. Ze halen hun energie uit steenkool, olie en gas, terwijl we weten dat juist dat de atmosfeer zodanig heeft gewijzigd dat het klimaat erdoor verandert. Zo lijken ontwikkeling en milieu niet met elkaar te verzoenen. Zelfs veel rijke landen slagen er, ondanks beloften, niet in hun uitstoot van broeikasgassen te verminderen.

Ruimteschip Aarde


Het enige instrument dat de mensheid heeft om klimaat en ontwikkeling wél met elkaar te verzoenen, is het Klimaatverdrag en het eindeloze onderhandelingsproces over de concrete toepassing van de principes uit dat verdrag. De Klimaattop die in december plaatsvond in het Poolse Poznan was een zoveelste hoofdstuk in dat proces. Negenduizend deelnemers uit alle hoeken van de wereld discussieerden er twee weken over hoe het verder moet: ngo-, bedrijfs- en regeringsafgevaardigden uit de 192 landen die het verdrag ter bestrijding van de klimaatverandering van 1992 hebben bekrachtigd.
Het klimaatprobleem heeft het vermogen om de mensheid samen te brengen. Het is ons gezamenlijke ruimteschip Aarde dat minder mensvriendelijk dreigt te worden en alle mensen hebben er belang bij daar iets aan te doen. Het probleem is dat niet alle landen evenveel bijdroegen tot het probleem en dat ze er ook niet evenveel zullen onder lijden. Het Klimaatverdrag stelt duidelijk dat de Annex I-landen –de rijke landen en voormalige Oostbloklanden– de grootste verantwoordelijkheid dragen: zij hebben met hun industriële ontwikkeling de atmosfeer zodanig gewijzigd dat het klimaat verandert.
 In het jargon heet dat ‘gemeenschappelijke maar verschillende verantwoordelijkheid’. Deze landen moeten de leiding nemen in de strijd tegen de klimaatverandering door hun uitstoot van broeikasgassen te verminderen. Bovendien moeten de rijke landen (Annex II-landen) de inspanningen van de arme landen financieren, stelt het verdrag. Daar schuilt het potentieel voor enorme spanningen tussen arm en rijk. Temeer omdat juist de ontwikkelingslanden het eerst de gevolgen dragen van de klimaatverandering.
Toch heeft de stroom wetenschappelijke data sinds 1992 de regeringen stilaan overtuigd dat er echt iets moet gebeuren. Daarom werd eind 2007 op de VN-top van Bali beslist dat de wereld in 2009 een langetermijndoel over lagere emissies moet vastleggen –mondiale reductietargets voor zowel 2020 en 2050– en ook moet bepalen hoe ze daar aan zal werken. Daarbij werd bepaald dat de rijke landen nu al kwantitatieve emissiedoelen moeten vastleggen. De ontwikkelingslanden moeten enkel meetbare en controleerbare acties ondernemen en daar moet geld en technologiesteun tegenover staan.
Het voorbije jaar mochten alle landen hun ideeën spuien over hoe ze die samenwerking zien. In Poznan werd een tekst aanvaard die al ideeën opsomt. Tegen juni moet de werkgroepvoorzitter daar een onderhandelingstekst van maken die mogelijks in Kopenhagen zal worden goedgekeurd. Maar de tegenstellingen zijn nog groot.

Het aanpassingsfonds


Er is niet enkel nood aan werk op lange termijn. Overstromingen, droogtes, stijgende zeespiegels, smeltende ijsvlaktes en gletsjers bezorgen mensen nu al last. En de komende jaren belooft het alleen maar erger te worden. Het Klimaatverdrag stelt dat de rijke landen (Annex II-landen) de ontwikkelingslanden ‘moeten bijstaan in de aanpassingskosten’. Daartoe is het zogenaamde Aanpassingsfonds opgericht dat na Poznan echt van start kan gaan. Er waren overigens harde discussies over dat fonds.
De ontwikkelingslanden, bij monde van de Groep van 77 (die ondertussen 130 ontwikkelingslanden telt) en China, vonden dat ze direct toegang moesten krijgen tot het fonds. De rijke landen wilden er zeker van zijn dat het geld goed gebruikt wordt. Termen als goed bestuur zijn dan nooit ver weg. Dat stoort sommige ontwikkelingslanden mateloos. Zij vinden immers dat dit geen ontwikkelingshulp is, waaraan allerlei voorwaarden mogen verbonden worden, maar iets waar ze recht op hebben omdat de rijke landen het probleem veroorzaakt hebben.
De discussie zorgde tot op het laatst voor spanningen –‘zoals altijd als het over geld gaat’, aldus Peter Wittoeck, hoofd van de Belgische delegatie– maar uiteindelijk haalden de ontwikkelingslanden hun slag thuis. Interessant is de financieringswijze van het fonds, dat wordt gespijsd door een heffing op de Schone Ontwikkelingsmecanismen (zie kader). Daarmee zitten we meteen kniediep in het Kyotoprotocol.

Moeilijke eerste stap


Dat Kyotoprotocol (1997) bijtelde de ‘gemeenschappelijke maar verschillende verantwoordelijkheid’ vast in de eerste concrete afspraken. Het stelt dat de landen die al veel broeikasgassen hebben uitgestoten (Annex I-landen) hun uitstoot in 2008-2012 moeten terugbrengen tot vijf procent onder het niveau van 1990. De arme landen mogen doorgroeien.
Formeel gezien zijn de Annex I-landen in hun opdracht geslaagd. Hun gezamenlijke emissies lagen in 2006 al 4,7 procent lager dan in 1990. Dat resultaat is evenwel te danken aan de emissiedaling met veertig procent in de voormalige Oostbloklanden die economisch ineenstorten toen de Berlijnse Muur viel. De emissies in de andere Annex I-landen lagen in 2006 gemiddeld tien procent hoger dan in 1990. Daar zijn uitzonderingen op: Duitsland (-18 procent), VK (-15 procent), Zweden (-8 procent) en België (-5 procent) horen bij de betere leerlingen. Maar Spanje (+50 procent), Portugal (+40 procent),  Australië (+28 procent) en de VS (+14 procent) doen die resultaten teniet.
Kyoto laat nochtans toe dat rijke landen hun uitstootvermindering niet alleen in hun eigen economie realiseren: ze kunnen gebruik maken van de flexibele mechanismen (zie kader) door elders te investeren in uitstootvermindering. Zo kan wie rijk genoeg is, uitstootrechten “kopen” voor de eigen economie. Een kritiek op het EU-klimaatplan is dat de reductieinspanningen voor 65 procent elders gekocht mogen worden.
Het Kyotoprotocol bepaalde ook dat een taks op de Clean Development Mechanisms (CDM) gebruikt zou worden om het Aanpassingsfonds te spijzen. Als België een uitstootvermindering van 100 metrische ton CO2 realiseert met een CDM-project –en op die manier 100 gecertificeerde emissierechten (CER’s) verkrijgt– mag het er maar 98 van in de inventaris van zijn eigen inspanningen noteren. De andere twee CER’s gaan naar het aanpassingsfonds. Het resultaat is dat er nu in het fonds een hele pak CER’s zitten. Het fonds kan die verkopen op de markt.
In Poznan wilden de ontwikkelingslanden dat het aanpassingsfonds meer geld zou kunnen krijgen door ook een taks op de andere flexibele mechanismen te heffen. Dat is niet gelukt. Onthoud uit dit ingewikkelde verhaal vooral dat de “magie” van de uitstootrechten en de markt ervan geld in het laatje brengt van het VN-Klimaatverdrag, en nog veel meer kan brengen.

Nieuwe engagementen zijn cruciaal 


Het Kyotoprotocol vervalt in 2012. Dan moeten er voor de rijke landen nieuwe doelstellingen inzake emissievermindering komen. De EU belooft zijn uitstoot tegen 2002  met twintig procent te verminderen (tegenover 1990) –én gaat tot dertig procent als er een internationaal akkoord komt. De hoop leefde dat landen als Australië en Canada in  Poznan ook al cijfers op tafel zouden leggen maar dat viel zwaar tegen. Evenmin was er bereidheid om de volgens de wetenschap noodzakelijke reductievermindering met 25-40 procent tegen 2020 –waar in Bali via een voetnoot werd naar verwezen– expliciet in de tekst te vermelden.
De hoop is dat de nieuwe Amerikaanse president Barack Obama daar beweging in brengt. Nochtans reikten zijn verkiezingsbeloften niet verder dan een reductievermindering met nul procent tegen 2020. De noodzakelijke mondiale reductie met minstens 25 procent wordt dan enkel haalbaar als de EU veel verder gaat dan we ze nu belooft. Het wordt dus aartsmoeilijk om te doen wat de wetenschappers vragen.
Targets voor de Annex I-landen zijn nochtans cruciaal. Zonder die targets komen de ontwikkelingslanden niet in beweging en komt er geen pact over de samenwerking op lange termijn en de ombouw naar een groene wereldeconomie. Targets leveren tevens mee de basis voor de financiering van die ombouw –lees: voor de inspanningen in de ontwikkelingslanden. Ze zijn het gaspedaal van de geldmachine die het Klimaatverdrag potentieel is. Hoe minder uitstootrechten het Klimaatverdrag toekent aan de rijke landen, hoe hoger de vraag ernaar in verhouding tot dat aanbod en dus hoe hoger de prijs ervan.
Elke heffing erop of veiling van die rechten brengt dan meer geld op. Daarom ontgoochelde de EU nogal wat observatoren toen ze besliste om grote delen van haar industrie gratis emissierechten te geven. Een deel van de opbrengsten van die veiling wordt immers gebruikt om ontwikkelingslanden te helpen bij hun inspanningen. 
De deelnemers in Poznan waren het er over eens dat de financiële crisis geen excuus mag zijn,  maar net een kans kan vormen. Enerzijds klopt het dat regeringen door de crisis actiever in de economie tussenkomen, en dat ze kunnen beslissen om dat geld in een klimaatvriendelijke richting te investeren. En daartoe ook geneigd lijken. Ook de vakbondswereld lijkt nu meer dan vroeger overtuigd van het groene verhaal. ‘Waar de vakbonden in 1997 nog gekant waren tegen het Kyotoprotocol, geloven we nu dat een groene New Deal (naar analogie met het programma van voormalig VS-president Franklin Roosevelt om de VS uit het slop van de Grote Depressie te trekken,jvd/adw ) juist banen kan opleveren’, zei Guy Ryder van het Internationaal Vakverbond.
Anderzijds lijkt de crisis regeringen ervan te weerhouden hun bedrijven te veel normen op te leggen. De steile daling van de olieprijzen maakt alternatieve energie ook weer relatief duurder. De vraag is dus in hoeverre de retoriek over een groene New Deal ook in daden wordt omgezet.

Costa Rica wil CO2-neutraal zijn tegen 2021. En ook China, India, Brazilië en Zuid-Afrika hebben onlangs een klimaatplan gelanceerd.
Een groene New Deal


Om de opwarming beheersbaar te houden, moet deze groene New Deal niet alleen in de rijke landen plaatsvinden, maar ook in de ontwikkelingslanden. Het is immers daar dat de economie het snelst zal groeien. De groei is er ook meer vervuilend omdat er met oudere technologie wordt gewerkt. Het Klimaatverdrag bepaalt dat ook ontwikkelingslanden hun emissies moeten inperken, en in Bali werd voor het eerst vastgelegd dat dat op een meetbare manier moet gebeuren. Costa Rica wil CO2-neutraal zijn tegen 2021. En ook China, India, Brazilië en Zuid-Afrika hebben het voorbije jaar een klimaatplan gelanceerd.
Net als een aantal andere ontwikkelingslanden zijn ze tot omschakeling bereid, maar ze willen dat daar geld tegenover staat, en het Klimaatverdrag geeft hen daarin gelijk. Vermits investeringen in energieproductie op lange termijn gebeuren (dertig jaar), moeten eigenlijk nu zoveel mogelijk juiste investeringsbeslissingen genomen worden. Omdat investeren in hernieuwbare energie meer kost dan in kool of olie, is er geld nodig. Toegang tot nieuwe technologie en financiering maken mee de kern uit van de “grote groene ombouw”.
Een voorbeeld. India staat voor een explosie van zijn energienoden en zal, om niet al te afhankelijk te worden van invoer, steunen op zijn goedkope steenkool, wat zeer slecht is voor het klimaat. Indiase onderzoekers legden in Poznan een plan voor om minstens de helft van de Indiase energie tegen 2030 uit hernieuwbare energie te halen. Dat scenario is technisch doenbaar, maar vereist een externe steun in de orde van twintig miljard dollar per jaar, en dat tien jaar lang.

Geldmachine in het hart van de VN


In hun meest recente berekening schatten de VN dat er jaarlijks tussen 646 en 1700 miljard dollar energie-investeringen nodig zijn om de uitstoot tegen 2050 te halveren.
Een belangrijk deel daarvan wordt publiek geld omdat technologie in haar eerste stadia van ontwikkeling, demonstratie en verspreiding publieke ondersteuning nodig heeft, opdat het proces zich snel zou doorzetten. Andrew Higham van het Energie Onderzoekscentrum van Nederland schat dat er jaarlijks minstens 100 miljard dollar aan overheidssteun vereist is. Vraag is: vanwaar moet dat geld komen?
De ontwikkelingslanden legden voorstellen op tafel. De G77 en China gingen het verst. Zij vragen dat de rijke landen bovenop de klassieke ontwikkelingshulp een half tot een procent van hun bnp inbrengen in een klimaatfonds: elk jaar tussen 200 en 400 miljard dollar. Noorwegen wil dat de financiering niet afhangt van nationale begrotingen: de VN zou een deel van de emissierechten van de rijke landen veilen en de opbrengst gebruiken om de ombouw te financieren. Zwitserland denkt aan een belasting van twee dollar op elke ton CO2 met dien verstande dat elke persoon recht heeft 1,5 ton vrije CO2-uitstoot. De minst ontwikkelde landen (MOL’s) stellen een belasting op kerosine voor.
Wat in veel voorstellen terugkomt, is dat de grootste vervuilers (nu en historisch) meer moeten bijdragen, volgens het principe “de vervuiler betaalt” uit het Klimaatverdrag. Het recht op ontwikkeling wordt verrekend door eenieders recht op een minimale consumptie niet mee te tellen als vervuiling. Cruciaal is dat de financiering betrouwbaar is, en dus best onafhankelijk van nationale budgetten. Vraag is of dat alles zal volstaan om de eerste internationale belastingen van de geschiedenis in te voeren.
De G77 en China willen verder dat een klimaattechnologiefonds onderzoek, ontwikkeling, overdracht en verspreiding van technologie stimuleert. Een actieplan moet de noden in kaart brengen en concrete voorstellen formuleren hoe de wereld die noden best lenigt. Maar in Poznan kwam weinig reactie op hun voorzet. ‘Dat de rijke landen niet op de voorstellen ingingen, leidt tot frustatie,’ zei Srivanam van Greenpeace India. Wat er ook van zij, in de loop van 2009 moet er een deal komen over de inspanningen vanwege de ontwikkelingslanden en het geld dat de rijke landen daarvoor op tafel leggen. Dat wordt niet makkelijk.

Veranderde verhoudingen, alweer


De verhoudingen in de wereld veranderen. De ontwikkelingslanden wegen nu zwaar door op de onderhandelingen in de Wereldhandelsorganisatie. De G7 erkent dat ze de wereld niet meer kan sturen en lijkt op weg om permanent een aantal grote ontwikkelingslanden in de club op te nemen.
De Klimaatconferentie is op haar beurt een VN-proces waar de tegenstelling tussen arme en rijke landen traditie is. De G77 en China scharen zich, ondanks hun toenemende diversiteit, samen om gemeenschappelijke doelen te bereiken. Dat is in het Klimaatverdrag niet anders. Vooral de grote ontwikkelingslanden wegen. Voor de kleintjes is dat veel minder evident. Kasulu Seya Makongo, hoofd van de Congolese delegatie in Poznan, vroeg zich af of er niet beter vier categorieën landen komen: de rijke, de middeninkomenslanden, de opkomende landen en de MOL’s. Kleine ontwikkelingslanden hebben soms ook moeite om de onderhandelingen te volgen. Swaziland bijvoorbeeld had maar twee vertegenwoordigers om de tientallen werkgroepen in Poznan te volgen.
Nieuw is dat de VN via dit verdrag, voor het eerst sinds lang, weer iets over economie te zeggen hebben. De voorbije decennia hadden vooral het Internationaal Muntfonds en de Wereldhandelsorganisatie –waar de rijke landen meer macht hebben– reële invloed op de economie. Omdat de VN democratischer functioneren, verwerven de ontwikkelingslanden via het Klimaatverdrag een stem over hoe we de vergroening van de wereldeconomie kunnen combineren met hun nood aan ontwikkeling. 

Uit het klimaatwoordenboek


  • Annex I-landen: de landen met historische verantwoordelijkheid voor de toename in broeikasgassen; de westerse landen, Japan en het vroegere Oostblok. 
  • Annex II-landen: de westerse rijke landen en Japan.
  • adaptatie: aanpassing aan de gevolgen van de opwarming, door infrastructuurwerken, aanleg van dammen, drinkwater- en landbouwvoorzieningen…
  • mitigatie: opwarming afremmen door de uitstoot van broeikasgassen in te krimpen of de stockage ervan te bevorderen. Dit kan door minder fossiele brandstoffen te gebruiken, ontbossing tegen te gaan, herbebossing te stimuleren. 
  • flexibele mechanismen: de mogelijkheid om uitstootrechten te verwerven door elders de uitstoot te verminderen:
  • Clean Development Mechanism of Mechanisme voor Schone Ontwikkeling: investeringen van rijke landen in projecten die duurzame ontwikkeling op gang brengen in ontwikkelingslanden, zoals projecten voor geothermische-, wind- of zonne-energie. Zo’n investering levert gecertifieerde EmissieReducties van 1 metrische ton CO2 op.
  • Joint Implementation of Gezamenlijke Implementatie:  gelijkaardige projecten maar tussen industrielanden onderling (vaak Annex I-landen die investeren in Annex II-landen)
  • Emission Trading of Handel in Emissierechten:  het verhandelen van emissierechten op een internationale CO2 markt. Bedrijven of landen die minder uitstootten dan de kredieten die ze kregen, kunnen de overige verkopen. Wie tekort heeft, kan er kopen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift