'Access for all in 2008': Silicon cities in India

Indiase softwareondernemingen verdienden in 1998-1999 ongeveer 2,65 miljard dollar met opdrachten voor buitenlandse klanten. Daarmee was India wereldwijd de belangrijkste onderaannemer van computerklussen die op afstand – via internationale datatransmissie - worden uitgevoerd: van het verwerken en beheren van gegevens van luchtvaartmaatschappijen, verzekeringsinstellingen en ziekenhuizen tot het herschrijven van computerprogramma’s zodat die na 31 december 1999 feilloos blijven werken.
De in steden als Bangalore, Mumbai, Delhi, Calcutta, Chennai, Pune en Hyderabad – sommigen noemen die laatste stad al Cyberabad – verzamelde expertise leek tot voor drie jaar weinig in beweging te brengen in India zelf, maar rond 1997 ging het hek ook daar opeens van de dam. Overheidsinstellingen, talrijke middelgrote bedrijven en zelfs ontwikkelingsorganisaties begonnen een wedloop naar het Internet. De Indiase regering ziet de dingen intussen al echt groot. Een in mei 1998 opgezette National Task Force on Information Technology and Software Development werkte een actieplan uit dat India in tien jaar tijd tot een ‘wereldwijde IT-supermacht’ moet doen uitgroeien – het idee komt van Bill Gates, die dat woord bij een bezoek aan India in de mond nam. Tegen 2008 zou de Indiase software-sector per jaar 50 miljard dollar aan exportinkomsten moeten opleveren en nog eens 30 miljard dollar in eigen land binnenrijven; de verkoop van in India geproduceerde hardware moet de kaap van 20 miljard dollar overschrijden. Volgens het plan moeten in 2008 ook alle Indiërs – dat zijn er tegen die tijd bijna 1,1 miljard – toegang hebben tot het Internet – een gedurfde doelstelling in een land waar nu slechts ongeveer de helft van de bevolking kan lezen en schrijven en begin ’98 nog maar 800.000 pc’s verkocht waren. Sommige critici stellen dat India zeker de middelen niet heeft om in cyberspace met de rijkste industrielanden te wedijveren én tegelijk zowat 350 miljoen mensen boven de armoedegrens uit te tillen. Anderen leggen vooral de nadruk op het feit dat de Indiase regering kansen laat liggen om de ontwikkelingen in de eigen IT-sector zo te sturen dat zoveel mogelijk Indiërs er beter van worden.

‘IT should be made a mass movement’

De rol die India de komende jaren kan spelen in de wereldwijde ontwikkeling van de informatietechnologie, wordt wel eens onderschat. Indiase bedrijven produceren niet eens één procent van de internationaal verhandelde computersoftware en stellen op het vlak van de ontwikkeling en de productie van hardware nog veel minder voor. Maar de talloze computerbedrijfjes in de VS tellen wel opvallend veel werknemers van Indiase afkomst - makkelijk weg te lokken uit de Indiase onderzoeksinstellingen en bedrijven waar ze gemiddeld slechts één achtste verdienen van wat ze in de VS kunnen opstrijken. In India zelf werken tienduizenden informatici en aanverwante specialisten uit de IT-sector aan opdrachten van grote klanten overzee - het totale aantal werknemers in de Indiase IT-sector wordt op 260.000 geschat. Die bedrijvigheid - die vanuit Indiaas oogpunt een beetje verwarrend als software-export wordt omschreven - expandeert bovendien snel. Volgens een studie uit 1998 van de Nasscom, een samenwerkingsverband van de belangrijkste Indiase IT-exporteurs, kunnen dergelijke internationale opdrachten in India tegen 2008 rond de 1,1 miljoen arbeidsplaatsen en 20 miljard dollar aan exportinkomsten opleveren. Maar samen met de grote militaire en openbare onderzoeksinstellingen in het land hebben toonaangevende Indiase ondernemingen in de sector, zoals Infosys, Wipro en VXL, volgens de Nasscom ook voldoende kennis in huis om in de nabije toekomst zelf een doorbraak te forceren op de nog veel meer winstgevende wereldmarkt van programma’s en toepassingen. Dat zou het geld pas echt binnen laten stromen, waardoor India meteen ook werk zou kunnen maken van het bevoorraden met aangepaste computertechnologie van zijn gigantische maar voor het overgrote deel onderontwikkelde eigen markt. Dat laatste voornemen is op middellange termijn zeker economisch zinvol, maar moet nu in eerste instantie vooral voldoende politieke steun verwerven voor het hele project. De Taskforce gebruikt dan ook een omschrijving die in India wel moet aanslaan: ‘IT moet een massabeweging worden’.

Omzetprognoses op middellange termijn zijn in een snel veranderende sector als die van de informatietechnologie uiteraard met een flinke korrel zout te nemen. De waarde van de Indiase software-export steeg van 4 miljoen dollar in 1980 tot 68 miljoen dollar in 1990, 480 miljoen dollar vijf jaar later en 2,65 miljard dollar tussen april 1998 en maart 1999, maar niemand weet of die waanzinnige groeicijfers de komende jaren even hoog zullen blijven, en hoe sterk de concurrentie met andere Aziatische landen met een te duchten IT-sector, zoals Singapore, Maleisië, Taiwan en China (vooral Hongkong) zal blijken. Tegenover die landen heeft India het voordeel dat het uit een veel grotere reserve van perfect Engelstalige specialisten kan putten die - alvast enkele jaren - met een lager loon tevreden zijn; de grootste nadelen van India vormen de gebrekkige telecommunicatie-infrastructuur, de schaarsheid van investeringskapitaal, de bureaucratische rompslomp en de relatief onderontwikkelde thuismarkt. Op termijn bieden de 150 à 200 miljoen Indiërs die nu al voldoende verdienen om zich moderne consumentenelektronica aan te schaffen dan weer wel een belangrijk groeipotentieel.

Het is alvast duidelijk dat India zwaar zal moeten investeren om de ambitieuze doelstellingen voor de volgende tien jaar te realiseren. Om de beperkte capaciteit van de bestaande telecommunicatieverbindingen in India uit te breiden, wil de Indiase IT-Taskforce bijvoorbeeld al tegen 2001 een High Speed National Network Backbone klaarkrijgen tussen de 10 grootste steden en alle belangrijke onderzoeksinstellingen, universiteiten en IT-bedrijven. Die nieuwe ‘ruggengraat’ van het Indiase telecommunicatienetwerk zal samen met de nieuwe circuits in de grote steden 150 miljoen dollar kosten. De komende jaren moet India ook een vijftigtal ‘High Tech Habitats’ krijgen, speciale industriezones bij grote steden waar door middel van allerlei voordelen een kritische massa aan IT-bedrijven moet worden aangelokt. En dan is er ‘Operation Knowledge’, het voornemen om het Internet toegankelijk te maken voor steeds meer Indiërs. Voor het plan om tegen 2003 alle secundaire scholen en instellingen voor hoger onderwijs op het Internet aan te sluiten, is minstens 500 miljoen dollar nodig. Helemaal duizelingwekkend zijn de bedragen die de regering moet vinden om de rest van India te voorzien van snelle telecommunicatie-infrastructuur en om meer dan één miljard inwoners de nodige apparatuur ter beschikking te stellen waarmee ze hun eerste stappen in cyberspace kunnen zetten. De Taskforce gaat ervan uit dat het nog meer dan 20 jaar zal duren vóór een meerderheid van de Indiase gezinnen een eigen telefoonlijn ter beschikking zal hebben. Daarom wordt in de eerste plaats gemikt op het ombouwen van de 600.000 over heel het land verspreide telefoonkiosken tot ‘multipurpose community tele-infocentres’. In Rajkot, een district in de deelstaat Gujarat, is de Internationale Telecommunicatie Unie (ITU) dit jaar met een beperkt experiment rond dergelijke moderne telecentra van start gegaan; de met eenvoudig te bedienen computers uitgeruste kiosken bieden mensen in afgelegen plaatsen de mogelijkheid op een virtuele manier artsen te raadplegen, waren te verhandelen of aan administratieve verplichtingen te voldoen. Ook de deelstaatoverheden van Tamil-Nadu, Kerala en West-Bengalen staan op het punt te gaan investeren in dergelijke Internet Access Centres.

In alle grote Indiase steden zijn er al tientallen privé-ondernemers die dergelijke dienstencentra uitbaten. Nadat op 6 november 1998 het monopolie van de openbare Internetprovider VSNL was afgeschaft, is het aantal Internetaansluitingen in India snel beginnen stijgen. Medio ’99 telde VSNL al meer dan 130.000 Internetabonnees, in 2000 zal India naar verwachting 1,5 miljoen Internetgebruikers tellen. Die groei zal nog aanzienlijk versnellen als de 37 miljoen Indiase gezinnen die nu tv-kijken via de kabel de mogelijkheid krijgen om via diezelfde verbinding ook te gaan surfen. En naarmate een groter deel van de bedrijven en privé-personen uit de middenklasse het Internet begint te gebruiken, zal ook bij de minder kapitaalkrachtige Indiërs in de steden de vraag naar telecentra met Internettoegang steeds sneller beginnen toe te nemen.

Intussen staat de Indiase regering nog voor investeringen op een heel ander vlak. Het Internet wordt gedomineerd door Amerikaanse en westerse aanbieders van informatie. Als daartegenover niet voldoende aantrekkelijke inhouden van Indiase producenten komen te staan, zal de Internethype de Indiase elite steeds sneller van het eigen land doen vervreemden. De Indiase film- en muziekindustrie is dankzij de enorme binnenlandse markt tot een schaal kunnen groeien die haar momenteel zowat onkwetsbaar maakt voor de internationale concurrentie, maar op het Internet zijn de Indiase aanbieders dwergen in vergelijking met de buitenlandse concurrenten. De Indiase overheid zal diep in de schatkist moeten putten om het nieuwe Internetpubliek op haar grondgebied ook warm te maken voor informatie die in de eerste plaats de Indiase belangen dient.

‘Silicon Cities’

Het actieplan om van India een IT-supermacht te maken, is voor een groot deel geïnspireerd door het succesverhaal van Bangalore, de hoofdstad van de zuidelijke deelstaat Karnataka maar sinds het begin van de jaren 90 vooral bekend als het Indiase Silicon Valley. Eind 1997 waren in het ‘Software Technology Park’-programma van Bangalore 55 buitenlandse, 18 grote Indiase en 108 middelgrote en kleine Indiase IT-bedrijven geregistreerd, terwijl er daarnaast nog eens meer dan 400 andere onderneminkjes tot de IT-sector werden gerekend. Al die bedrijven samen waren toen goed voor meer dan 60.000 banen - 11 procent van de industriële arbeidsplaatsen in Bangalore. Naar alle waarschijnlijkheid liggen die cijfers nu nog hoger.

India telt momenteel nog vijf andere steden die voor ‘silicon cities’ mogen doorgaan. Mumbai (Bombay), de economische hoofdstad van India, telt meer softwarebedrijven dan Bangalore. Chennai (Madras), Calcutta en de regio rond Delhi hinken nog achterop bij Bangalore, maar ze hebben een grotere bevolking en een groter industrieel gewicht, elementen die in de toekomst nog belangrijker kunnen worden. Pune is met 2 miljoen inwoners veel kleiner dan alle andere silicon cities, maar is nauwelijks 100 kilometer van Mumbai verwijderd. Hyderabad, de hoofdstad van de deelstad Andhra Pradesh, is de nieuwste stad in het rijtje, maar telde in 1997 toch al meer vestigingen dan Calcutta en Pune. Door de omvang en de hoge productiviteit van de IT-bedrijven in Bangalore blijft de stad echter voorlopig samen met Mumbai onbetwist aan de kop: Bangalore is nog steeds goed voor ongeveer 30 procent van de buitenlandse IT-opdrachten die in India terechtkomen.

En zelfs in dat Bangalore is er niet naast de digitale kloof te kijken. Op enkele honderden meters van de gekoelde kantoren waar de medewerkers van de Indiase softwaremultinational Wipro zich over de problemen van klanten in de VS en West-Europa buigen, stroomt het afvalwater nog door open riolen en schuilen recent aangekomen plattelandsvluchtelingen onder plastic zeilen. Tussen augustus 1991 en mei 1997 investeerden buitenlandse firma’s ca. 1,5 miljard dollar in Karnataka - het leeuwendeel daarvan in Bangalore - maar het gemiddeld jaarinkomen per hoofd van de bevolking in de deelstaat was in ’97 nog steeds niet voldoende om er een moderne computer voor te kopen. Bangalore telt 4 universiteiten die in India hoog staan aangeschreven, maar zowat 44 procent van de bevolking van Karnataka kan nog steeds niet lezen of schrijven.

Door de aanwezigheid van de duizenden IT-experts in de stad - en van een veelvoud van dat aantal aan studenten en scholieren die vast van plan zijn carrière te maken in de IT-sector - zijn e-mail en internet voor veel inwoners van Bangalore wel een begrip geworden. Momenteel telt de stad een vijftigtal commerciële cybercafés en andere computercentra waar iedereen met een minimum aan geld en kennis van het Engels het net op kan. 25 minuten surfen kostte er begin ’99 zo’n 20 frank. Bangalore heeft net als de rest van India vaak te maken met stroomonderbrekingen en problemen met de telefoonverbindingen, maar dat kan de groei van de virtuele werkelijkheid in de stad niet tegenhouden. Alle bedrijfsleiders in Bangalore die zichzelf een beetje respecteren, lopen met e-commerceplannen rond of zijn zelfs al aanwezig op het web - de eersten al van 1997.

Maar wat in Bangalore mogelijk was en nu wordt herhaald in een handvol andere Indiase cybersteden, kan zomaar niet worden veralgemeend over de rest van India. Buitenlandse ondernemingen en hun jongere Indiase concurrenten vonden in Bangalore een voor India vrij unieke combinatie van factoren die een snelle groei mogelijk maakten. De op 1000 meter hoogte gelegen stad heeft een aangenaam klimaat en is in vergelijking met de andere Indiase miljoenensteden nog geen verschrikking geworden. Vanaf de jaren ’50 bracht de Indiase overheid bovendien een belangrijk aantal militaire en burgerlijke onderzoeksinstellingen en hoogtechnologische productieafdelingen samen in Bangalore. Ook het hoger onderwijs kende een snelle expansie. Momenteel telt Bangalore een kleine 30 openbare instellingen voor onderzoek en ontwikkeling in sectoren als de lucht- en ruimtevaart, informatietechnologie, automatisering en elektronica, vijf vestigingen van overheidsbedrijven die marktleider zijn in die sectoren, en vier universiteiten met samen zo’n 250.000 studenten. In de jaren 70 lokte die uitzonderlijke concentratie aan hoogtechnologische toeleveringsbedrijven en de onuitputtelijke voorraad aan hoogopgeleide en toch goedkope arbeidskrachten de eerste buitenlandse investeerders - onder meer Texas Instruments, Hewlett-Packard en IBM. Toen de Indiase economie in 1991 verregaand werd geliberaliseerd, was de naam van Bangalore al gemaakt en kon alles snel gaan.

Inmiddels zijn nog een vijftal andere Indiase steden - waaronder de vier grootste steden van het land - uitgegroeid tot IT-centra. In nog een zestigtal andere steden raakte het Internetgebruik eind 1999 snel in zwang bij de overheid, bij grote bedrijven en bij instellingen voor hoger onderwijs. Maar de stap naar de kleinere steden en de dorpen lijkt langer op zich te laten wachten.

Het lokalisatieprobleem

Het gebruik van computers en van het Internet is in India nog steeds bijna uitsluitend weggelegd voor mensen uit de elite van 2,5 à 5 procent van de bevolking die min of meer perfect Engels spreekt. Nagenoeg alle besturingsprogramma’s en tekstverwerkers die in India worden verkocht zijn Engelstalig. Dat kan verbazing wekken: naast het Hindi – momenteel voor naar schatting 380 miljoen Indiërs de moedertaal, lijken ook het Bengaals (gesproken door 200 miljoen mensen in India en Bangladesh), het Punjabi (in India en Pakistan samen 104 miljoen), het Telugu (77 miljoen), het Tamil (71 miljoen), het Marathi (70 miljoen) en het Urdu (in India en Pakistan samen 60 miljoen) groot genoeg om de vertaling van computerprogramma’s te verantwoorden. Grote producenten doen die inspanning al jarenlang voor het Chinees - al levert die taal daarbij de nodige problemen op - en voor relatief kleine landen als Denemarken of Noorwegen. De zogenaamde ‘lokalisatie’ houdt wel meer in dan louter vertalen: om echt bruikbaar te zijn moeten de oorspronkelijk Engelstalige programma’s en besturingssystemen altijd andere tekensets en woordenboeken krijgen, en vaak ook gewijzigde scrollfuncties, een andere pagina-indeling, nieuwe zoekinstrumenten en een ander datumsysteem. Waarom dit tot dusver niet voor de Indiase talen gebeurde, heeft verscheidene oorzaken. Alle huidige computergebruikers in India beheersen het Engels, net als de meest kapitaalkrachtige klanten van de nabije toekomst. De grote meerderheid van de Indiërs die wel baat zouden hebben bij computerprogramma’s in hun moedertaal, zullen zeker nog enkele jaren een te weinig kapitaalkrachtige markt vormen. Op middellange termijn zal dit echter veranderen, en daarom moeten er nog andere redenen meespelen. De verhouding tussen de grote talen die in India worden gesproken, vormt een gevoelig politiek probleem, en internationale softwarefirma’s lopen het gevaar van vooringenomenheid te worden beschuldigd als ze slechts voor enkele van de 18 officiële talen kiezen. Daarnaast is er het niet geringe gevaar dat succesvolle gelokaliseerde programma’s duchtig illegaal gekopieerd zouden worden en dus niets zouden opbrengen.

Intussen hebben Indiase programmeurs echter het probleem van de uitblijvende lokalisering van belangrijke programma’s al gedeeltelijk opgelost. Nadat het openbare Centre for Development of Advanced Computing (CDAC) in Pune eerder al uitpakte met vertaalprogramma’s zoals Mantra (Machine Assisted Translation) en een fontcode die toelaat vanop een standaardklavier en onder Windows toch teksten in Indiase talen in te tikken, introduceerde het centrum vorig jaar iLEAP, momenteel het meest verbreide tekstverwerkingspakket dat toelaat documenten af te drukken, e-mails te versturen en webpagina’s aan te maken in 13 Indiase talen. Sinds april kan het pakket overigens door alle VSNL-klanten van de website van die provider worden gedownload.

Een nieuwe kloof in de Indiase NGO-wereld

Op www.indev.org., de grootste portal site voor alles wat met ontwikkeling in India te maken heeft, is echter nog geen spoor van Indiase talen te bekennen. De in het voorjaar van 1999 gelanceerde webstek is een pareltje van moderne Internettechnologie, maar tegelijk een kras voorbeeld van hoe de opkomst van de Informatie- en Communicatietechnologie in sommige opzichten kan terugvoeren naar de verhoudingen van de jaren 50 - of regelrecht naar de koloniale tijd. De site is eigendom van de British Council, werd opgezet met hulp van het eveneens overwegend Britse en over heel de wereld actieve OneWorld, en biedt naast de Indiase overheid vooral grote instellingen en internationale niet-gouvernementele organisaties zoals Oxfam, Caritas en Unicef een vrij podium. Het NGO-karakter van de website maakt uiteraard wel een groot verschil uit met de toestand van de jaren 50: er is wel degelijk ook plaats voor kritische informatie en meningen die elkaar tegenspreken. Toch ligt de nadruk vooral op projecten en bijvoorbeeld niet op de talrijke politieke campagnes rond de ontwikkelingsproblemen waarmee India kampt. Indev organiseert dan weer wel aan de lopende band Internetcursussen voor plaatselijke - en dus kleinere - NGO’s en biedt deze organisaties assistentie bij het opzetten van hun eigen websites - iets wat op termijn de verscheidenheid aan opinies op de website nog zou moeten doen toenemen. Maar toch lijkt de hele opzet het vaak problematische machtsonevenwicht tussen donororganisaties en de Indiase basisbewegingen voorlopig eerder nog te versterken dan af te bouwen. Het is zelfs de vraag of sommige kleine NGO’s zich niet hopeloos zullen overtillen aan het vullen en het onderhoud van hun nieuwe websites.

De introductie van elektronische communicatie in India was heel wat meer hoopgevend. Vanaf de tweede helft van de jaren ’80 begonnen onderwijsinstellingen en NGO’s in de grote steden al volop via hun computers met elkaar te communiceren. Lokale NGO’s uit de omgeving van Bangalore, Mumbai en Delhi gingen daarvoor samenwerken in het zogenaamde Indialink, een netwerk dat goedkope en technisch eenvoudige oplossingen tracht uit te werken waardoor zoveel mogelijk NGO’s aan discussiegroepen kunnen deelnemen, ‘informatieborden’ raadplegen en langs elektronische weg kunnen lobbyen. Intussen zijn echte Internetaansluitingen in India voldoende goedkoop geworden voor grote en middelgrote NGO’s, zodat die hun eigen e-mailaccounts en websites kunnen openen. Indialink speelde met de idee ter overkoepeling en ondersteuning van die initiatieven een supersite op te zetten, maar de organisatie kwam tot de vaststelling dat ze – in tegenstelling tot de British Council - daarvoor niet het nodige geld in huis had. Voor de kleine actiegroepen en NGO’s blijft Indialink echter een belangrijke rol vervullen: eenvoudige dial-upverbindingen vormen voor hen waarschijnlijk nog jarenlang de enige mogelijkheid om via de computer informatie uit te wisselen.

De voordelen die elektronische communicatie aan actiegroepen biedt, zijn vooral in een land als India niet te onderschatten. Brieven die van stad tot stad moeten reizen, doen er al vaak vijf dagen over; een e-mail is binnen enkele minuten ter plekke – als de stroom niet uitvalt. In vergelijking met fax en telefoon is e-mail dan weer veel goedkoper. NGO’s kunnen eindelijk met relatief weinig moeite de elite in hun streek of in New Delhi bereiken, en als de nood aan de man komt ook razendsnel hun partners overzee. De meest vooruitstrevende actiegroepen en bewegingen maken hun informatie op eigen websites voor iedereen beschikbaar, en beginnen ook internationaal ervaringen uit te wisselen. De beweging van kleine kustvissers, die vrij sterk staat in Zuid-India, geeft bijvoorbeeld samen met vissers uit andere Aziatische landen en uit Latijns-Amerika een tijdschrift in drie talen uit, dat door medewerkers uit al die landen wordt samengesteld en vertaald - zonder e-mail een onmogelijke onderneming.

Maar bij veel Indiase actiegroepen is er nog steeds kritiek te horen op de grote hulporganisaties die enthousiast met het Internet in de weer zijn. In arme dorpen waar nu al coca cola maar nog steeds geen drinkbaar water te vinden is, staat straks ook een pc met Internetaansluiting terwijl het water nog even gevaarlijk is, luidt een steeds weerkerend argument. Het tegenargument dat groeiende informatie- en communicatiemogelijkheden mensen meer kansen geven om zich tegen onrecht te verzetten, wordt door die critici maar ten dele geaccepteerd. Misschien neemt de organisatiekracht toe van gemarginaliseerde groepen die elkaar en mogelijke bondgenoten via het Internet kunnen vinden, geven ze toe, maar het idee dat meer informatie automatisch tot meer verandering zal leiden, is volgens hen fout. E-mail en Internet lijken ‘democratische’ media, maar voorlopig werken ze de dominantie van het Westen, van de Indiase elite en van de bedrijfswereld verder in de hand.

Literatuur- en sitelijst :

De belangrijkste werkdocumenten van de National Taskforce on Information Technology and Software Development;

www.iworldindia.com;

www.indev.org;

BICKERS CHARLES and GILLEY BRUCE, Asia’s Race to go Digital, in : Far Eastern Economic Review, 1 July 1999, p.8-12;

FROMHOLD-EISEBITH MARTINA und EISEBITH, GUENTER, Technologieregion Bangalore, in : Geographische Rundschau 51 (1999) p 96-102;

KENISTON KENNETH e.a., Native Computers, in : Himal, Vol.11 No.4 April 1998, p.15-37.

De auteur is redacteur van het nieuwsagentschap IPS.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift