Adonis, de grootste Arabische dichter

De Arabische wereld blinkt niet altijd uit in culturele vitaliteit, maar bovendien kennen we de grote namen uit de literatuur, muziek, hedendaagse kunst en cinema niet. MO* liet de kans niet voorbijgaan toen het Moussem Festival in december de allergrootste levende dichter naar Brussel haalde.
Of ik geen zin had om eens te praten met Adonis? Een openbaar gesprek in BOZAR? Het was een oude Marokkaanse kennis die het me vroeg. Natuurlijk wilde ik dat. Adonis is de grootste levende Arabische dichter. Als je in een stad woont als Brussel, samen met meer dan honderdduizend medeburgers van Noord-Afrikaanse herkomst, dan aarzel je toch niet zeker?
Weliswaar spreken de meesten van hen Berbers, maar toch, ze hebben deel aan de immense Arabische ruimte, die zich uitrekt van de Atlantische tot de Indische Oceaan. Uit die gewesten horen we hoofdzakelijk wapengekletter en dreigende kreten. Dat daar al eeuwen betoverende poëzie wordt geschreven, wil ons wel een keer ontgaan.    
Daar stond hij in de gang van BOZAR, een kleine, getaande, duidelijk mediterrane man, zwarte jas, zwarte hoed, grijs haar, bril. Hij spreekt een heel zorgvuldig Frans, met licht rollende r’en, degelijk aangeleerd. Hij is dan ook geboren in Syrië, 1930, toen dat land nog een mandaatgebied van Frankrijk was. Ja, de grootste hedendaagse dichter van de Arabische taal, een van de grootsten ooit, is hoogbejaard. Maar daarom niet minder fel en, op zijn bedaarde, vriendelijke manier, overtuigd.
Straks zal hij zijn verzen lezen voor een volle zaal. Lezen? Psalmodiëren. Mensen toch, wat een kracht, wat een stuwing. Ik snap er geen woord van, maar het Arabisch, dat me elders, op straat, op televisie, ellendig dof in de oren klinkt, barst hier van onvermoede muzikaliteit. Indrukwekkend. Ik applaudisseer als bezeten. Het publiek gaat uit de bol. Het publiek draagt zijn dichter op handen. De mensen willen hem omhelzen, ik overdrijf echt niet. Dit is niet de hysterie voor een gehypete popster, dit is aanhankelijkheid, dit is dankbaarheid, zeer ontroerend, zoiets krijg je maar zelden te zien. Adonis is een levende legende.

***


Ali Achmed Saïd, die namen krijgt hij bij zijn geboorte. Ali Achmed groeit op in een bergdorp, zijn vader is een boer, maar een geletterde boer, die de Koran en ook klassieke Arabische gedichten reciteert. De kleine jongen luistert gretig naar oude dorpelingen die soefi-poëzie opzeggen. De familie van Ami Achmed is alawitisch, ze hoort dus bij een minderheid aan de rand van de islam en dat heeft zijn belang.   
In 1942, Ali Achmed is twaalf jaar, komt de president op bezoek in een naburig stadje. De jongen wil erheen, zijn vader verbiedt het hem. Hij gaat toch. Een mens moet op het juiste moment ongehoorzaam weten te zijn. Eerst jaagt de lijfwacht van de president hem weg. Ali Achmed roept luidkeels dat hij een gedicht wil voordragen. De president wenkt hem. Vandaag wordt zo’n snotjong in een professionele houdgreep genomen en afgevoerd en mag hij blij zijn als hij geen pak ransel krijgt. Niet toen. Trillend als een espenblad brengt Ali Achmed zijn eerste verzen ten gehore. De president is zeer onder de indruk.
Hoe kan ik je belonen, vraagt hij. Ik wil doorleren, zegt Ali Achmed.
En zo geschiedt. Hij gaat naar de middelbare school, in Syrië is dat in die jaren, 1942, nog de Franse school, de arabisering komt pas later. De republikeinse logica van de Mission Laïque Française zal hem blijvend tekenen. Vandaag is hij bijvoorbeeld een fervent tegenstander van de sluier. Die verbergt meer de geest dan het hoofd, vindt hij.
Hij is pas zeventien als hij de schuilnaam kiest waarmee hij voortaan door het leven zal gaan: Adonis. Die naam hoort onmiskenbaar bij de oudste geschiedenis van Syrië, eeuwen voor de islam zich in het land vestigde.
Adonis hoort bij de Griekse mythologie en de Grieken hebben hem dan weer overgenomen van de Feniciërs. Adonis was een koningszoon van verblindende schoonheid. Afrodite (Venus, als dat duidelijker is), de godin van de liefde zelf dus, raakte smoorverliefd op de mooie jongen.
Echter, tijdens een jachtpartij werd Adonis aan stukken gereten door een everzwijn. Uit het bloed van Adonis’ verhakkelde lijk bloeide een bloem, de rode anemoon. Volgens één van de verhalen die tot ons gekomen zijn, zou de dode minnaar ieder jaar in de lente de onderwereld verlaten om in de bovenwereld te vertoeven bij zijn geliefde Afrodite. Hij komt in de lente, zoals de anemoon, en kondigt dus nieuw, opbloeiend leven aan.
De piepjonge scholier die zijn bac, zijn Franse eindexamen, voorbereidt, weet terdege dat zijn keuze ketters is. Hij schopt keihard tegen de kern van de islam aan, tegen het strenge monotheïsme. Wie de naam Adonis kiest, kiest voor polytheïsme en dat is de ware islamiet een gruwel. Halve en hele volksstammen zijn ervoor afgeslacht. De jonge dichter kiest resoluut voor de veelvuldigheid, dit wil zeggen voor de ongewisheid, voor de twijfel, voor het tasten en tegen het slaan, tegen de verkettering, tegen het fundamentalisme. Hij is voorgoed, in zijn eigen woorden, de dolaard die als enig vaderland zijn onzekerheid heeft.

***


Die avond in BOZAR zei hij me: ‘Het is toch een vreselijke gedachte dat na de ene profeet, na het ene boek, alles gezegd en geschreven zou zijn. Als Mohammed werkelijk de laatste der profeten was, dan kan na Mohammed geen menselijk woord meer klinken en, wat nog veel angstaanjagender is, ook geen goddelijk woord meer. Het heilige boek is een val die dichtklapt. Ieder monotheïsme zit met hetzelfde probleem. Het christendom had de kans om aan die val te ontsnappen, maar heeft het niet gedaan. Het heeft zich vereenzelvigd met de macht en het dogma omhelsd.’
‘Constantijn de Grote’, zeg ik.
‘Precies’, antwoordt de oude Arabier.

***


In 1956 verlaat Adonis zijn geboorteland. Hij vestigt zich in Beiroet. Intussen had hij zich vertrouwd gemaakt met de Franse poëzie. Hij las bijvoorbeeld Les Fleurs du Mal van Baudelaire, vers na vers spellend met een woordenboek bij de hand. In 1960 nodigt de Franse regering hem voor een jaar uit naar Parijs. Hij zegt graag dat hij voor een tweede keer geboren werd in de Franse poëzie en de Franse taal. Hij is onbetwistbaar een groot kenner van de Franse poëzie, maar hij blijft schrijven in zijn geliefde Arabisch. Hij noemt zichzelf een Arabier als mens én als dichter. ‘Wij hebben geen identiteit buiten de Arabische’, schrijft hij.
Zodra je Adonis hoort spreken over identiteit, moet je uitkijken. Hij rekt de betekenis van dat woord danig op, tot het alle vastigheid verliest. De ontmoeting met de ander is altijd, principieel, onmisbaar om jezelf te worden, vindt hij. En hij schuwt de ontmoeting met de wérkelijk andere niet, integendeel. Ook heeft hij altijd koppig geweigerd zich te onderwerpen aan een ideologie of een religie of een partijprogramma.  
In Libanon sticht hij twee literaire tijdschriften, waarin hij ruimte laat voor de experimentele poëzie in het Arabisch. Hij zal telkens opnieuw proberen de grote traditie van de Arabische poëzie te verbinden met de moderne, westerse stromingen van de twintigste eeuwse poëzie, in de eerste plaats de Franse. Voor Adonis zijn juist de vergeten, de verguisde, de verdoemde dichters de belangrijkste en het maakt hem natuurlijk niet uit of ze stammen uit pre-islamitische tijden.
Libanon wordt verscheurd door burgeroorlog. Op den duur moet Adonis vrezen voor zijn leven. Hij vlucht weg in 1980 en vestigt zich definitief in Parijs. Dankzij Franse vertalingen breekt hij nu ook door in het Westen. Hij bouwt onvermoeibaar bruggen, tussen oost en west, tussen traditie en moderniteit. Zijn essay over soefisme en surrealisme is op dat gebied baanbrekend. Volgens Adonis hebben het oeroude soefisme, die mystieke stroming in de islam, en het surrealisme, dat vreemde kind van de twintigste eeuw, niet alleen een gemeenschappelijke oorsprong, maar ook nog eens gemeenschappelijke doeleinden. Soefisten én surrealisten zoeken op parallelle paden naar het verborgene van de existentie. Heilige extase en het ontredderen van de zintuigen liggen vlak bij elkaar.

***


Toen ik hem die avond in BOZAR zijn Arabische gedichten hoorde voorlezen, dacht ik, gut ja, ik lees dat in een Franse vertaling, waarschijnlijk uitstekend, daar niet van, maar dan zoals een zwart-wit foto van bijvoorbeeld een schilderij van Rembrandt uitstekend is. Je mist tachtig procent. Vertalen blijft verraden, zeker voor poëzie als deze, een en al ritme en muziek. Stel je even voor dat we pakweg Schubert zouden moeten gaan vertalen. Het verklaart meteen waarom Adonis nooit de Nobelprijs Literatuur heeft gekregen, al werd hij dan ook herhaaldelijk voorgedragen. Wat mij betreft mag Adonis de Nobelprijs 2010 hebben. Die komt hem toe.
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver & voormalig journalist

    Geert van Istendael (°Ukkel, 1947) studeerde sociologie en wijsbegeerte. Hij werkte bij het Nationaal Fonds voor Wetenschappelijk Onderzoek, over ruimtelijke ordening.