Afghanistan is te onveilig voor het leger

Er zitten straks honderdduizend westerse militairen in Afghanistan, waaronder vierhonderd Belgen. Toch winnen de opstandelingen jaar na jaar terrein. De Navo zou zichzelf graag een overwinning cadeau doen voor zijn zestigste verjaardag, maar moet alles uit de communicatiekast halen om een vernedering te maskeren. Gie Goris ging in Kaboel en Kandahar luisteren naar wat de Afghanen daar zelf van denken. Niet embedded.

  • Gie Goris Zonsopgang boven Kaboel Gie Goris

‘Dit is de koninklijke zaal van Mazdahdah.’ Mauladad zegt het zonder spoor van ironie, al is er niets royaals aan de lage, lemen bunker van twee op drie meter waarin we zitten. Voor Mauladad en de andere mannen die neerhurken op de aangestampte aarde is dit de enige plek waar ze veilig zijn voor de koude en regen van de winter in Kandahar. Maar hun families zijn veel te talrijk om hier te schuilen, laat staan te leven. Ze blijven dus aangewezen op de geïmproviseerde tentjes op het braakliggende terrein dat ze Mazdahdah noemen, naar de garage die er moet komen. En dat terrein hebben ze gekraakt.

Mauladad is herder. Schapen en geiten kent hij als geen ander, maar de combinatie van honger en geweld tussen krijgsheren, taliban en politie verdreef hem uit de noordwestelijke provincie Herat en deed hem, samen met een paar tientallen familieleden, belanden in dit geïmproviseerde vluchtelingenkamp midden in de stad. Een vergeetput is het, zegt hij.

‘Onze kinderen worden van school gestuurd omdat ze te vuil zijn en wij kunnen niet voor hen zorgen omdat er in geen velden of wegen werk te vinden is. Niemand bekommert zich om ons. De gouverneur niet, de Verenigde Naties niet –ook al zijn die tweemaal op inspectie gekomen– de centrale regering niet en de strijdende partijen al helemaal niet.’ In de opsomming van machten en krachten die niet naar hen omzien, vermeldt Mauladad de International Security Assistance Force (ISAF) zelfs niet. Voor hem horen de buitenlandse Navo-soldaten tot de strijdende partijen waarvoor hij moest vluchten, niet tot de instanties waarnaar hij uitkijkt voor hulp.

Tijdens een gesprek in Charahi Qambar, een vluchtelingenkamp aan de rand van Kaboel waar een kleine vijfduizend mensen kamperen, komt de ISAF wel ter sprake. ‘Er is een kleine medische post, maar die heeft nauwelijks medicijnen. De burgemeester van Kaboel heeft de enige handwaterpomp laten vergrendelen en belet de bouw van toiletten, om te voorkomen dat wij ons hier permanent zouden vestigen’, zegt Abdelmalek.

Hij komt uit de provincie Helmand en ging op de vlucht voor de bommen van de internationale troepenmacht. ‘Tijdens een nacht van ISAF-bombardementen op ons dorp stierven wel 150 mensen’, beweert Abdelmalek. Daarom lieten hij en een heleboel andere families hun graan- en papavervelden achter om de relatieve veiligheid van de stad op te zoeken. Maar de uitzichtloosheid waarin ze terechtgekomen zijn, trekt diepe groeven in de gezichten. ‘Waarom vermoorden ze ons niet gewoon?’, vraagt Mohammed Jemah zich hardop af. ‘We willen toch niet leven op deze manier, zonder waardigheid.’ Verschillende bewoners zeggen dat ze beter af zouden zijn als ze zich zouden aansluiten bij de opstandelingen. ‘Die zorgen tenminste voor soldij en ze beschermen de papavervelden van hun medestanders.’

verkeerde prioriteiten

Afghanistan wordt tot de vijf armste landen ter wereld gerekend, al is het bijna onmogelijk om echt betrouwbare cijfers te vinden. Het bruto nationaal product bijvoorbeeld wordt door de Wereldbank op ongeveer 11,6 miljard dollar geschat. Maar zeker is men daarvan niet, want meer dan vijftig procent van het bnp zou afkomstig zijn van –uiteraard illegale– drugsproductie en -handel. ‘Er is gewoon veel te weinig geïnvesteerd in de landbouweconomie’, weet mijnheer Safi, directeur van het kantoor van de Afghanistan International Bank in Kandahar. Landbouw zorgt voor tachtig procent van de tewerkstelling en voor vijftig procent van het bnp, maar van alle hulp die Usaid gegeven heeft, ging nauwelijks vier procent naar landbouwprojecten.

Safi: ‘Het geld dat de internationale gemeenschap investeert in Afghanistan, gaat vooral naar de veiligheidssector en met name naar de bescherming van buitenlanders. Intussen kunnen boeren nauwelijks nog op hun velden. Ze kunnen al zeker niet meer met hun producten naar de markt en de industrie ligt zo goed als plat. Van de ongeveer 120 fabrieken die in Kandahar gebouwd werden sinds 2001 zijn er misschien nog twee of drie actief.’

De klacht van Safi weerklinkt in alle toonaarden tijdens gesprekken met mensenrechtenactivisten, dichters, ngo-werkers, ondernemers, journalisten, dorpsouderen, overheidsambtenaren en zelfs westerse militairen: er is te weinig aandacht voor armoedebestrijding en ontwikkeling, en de militaire operaties slorpen veel te veel geld op. Acbar, een koepel van hulporganisaties in Afghanistan, leverde het rekenwerk in Falling short. Aid effectiveness in Afghanistan.

Volgens dat rapport uit maart 2008 spendeert het Amerikaanse leger gemiddeld honderd miljoen dollar per dag aan de Afghaanse oorlog, terwijl de hele internationale gemeenschap samen zo’n zeven miljoen dollar per dag opbrengt voor hulpprogramma’s. Ook de Belgische uitgaven tonen die scheefgetrokken verhouding: in 2009 zou België minstens 42 miljoen euro uitgeven aan de militaire aanwezigheid, terwijl ontwikkelingssamenwerking zo’n 7 miljoen euro vrijmaakt voor Afghanistan.

Van de 25 miljard dollar aan internationale hulp die sinds 2001 beloofd werd, is bovendien slechts 15 miljard effectief beschikbaar gemaakt. En van dat geld keerde niet minder dan veertig procent terug naar de donorlanden in de vorm van onder andere lonen voor consultants en winsten van betrokken privé-ondernemingen. Het Amerikaanse bedrijf BearingPoint bijvoorbeeld huurde vijftig buitenlandse consultants in voor het renoveren van het ministerie van Financiën. De kosten daarvoor liepen op tot 500.000 dollar per consultant per jaar –inclusief beveiligingskosten.

Bovendien stelt Acbar vast dat de hulp ingezet wordt voor het realiseren van militaire objectieven: de controle van het hele grondgebied door de regering-Karzai en het verdrijven van de taliban of andere al-Qaeda gelinkte opstandelingengroepen. Met name de bewuste vermenging van heropbouw en ontwikkeling met intelligence en militiare operaties binnen de Provinciale Reconstructie Teams wordt gehekeld. Deze militaire PRT’s ‘hebben in veel gevallen het ontstaan van effectieve overheidsinstellingen belemmerd en heel wat andere burgerlijke ontwikkelingsprocessen doorkruist’, stelt het rapport.

Op veilige hoogte

De enige reden waarom luitenant Erik Eennaerts tegen mij roept, is omdat een Belgische F-16 en een Franse Mirage naast elkaar warm draaien voor een eventuele opdracht. Verder is Eennaerts de minzaamheid en behulpzaamheid zelve. Ook de andere Belgische militairen op de luchtmachtbasis van Kandahar zijn mannen en vrouwen die niet liever willen dan dat hun vier maanden durende verblijf in de stofwoestijn van Kandahar Airfield bijdraagt tot een betere toekomst voor de Afghanen. Maar hoe het leven van die Afghanen eruit ziet, daarvan hebben ze eigenlijk geen idee.

Niemand verlaat de basis en het meest concrete beeld van het leven zoals het is, krijgen de Belgen via de hoogtechnologische apparatuur in de vier F-16’s die hier sinds september 2008 actief zijn. Daarmee kan de piloot zelfs van op een veilige hoogte van zeven kilometer zien hoeveel mensen er op een erf rondlopen. Op datzelfde scherm kan dan het doelwit voor de lasergeleide bommen vastgesteld worden. Samen moeten die technologische snufjes vergissingen voorkomen. Eennaerts is ervan overtuigd dat het feilloos werkt. De Afghanen niet.

Human Rights Watch (HRW) meldde in september 2008 dat van de 1633 Afghaanse burgers die in 2007 het leven lieten bij het oorlogsgeweld, er 434 omkwamen in ISAF- of VS-acties –waarvan 321 in luchtaanvallen. Van de 173 slachtoffers van westers geweld die HRW de eerste maanden van 2008 telde, waren er 119 gedood bij luchtaanvallen. De kans op burgerslachtoffers is bij luchtbombardementen bijna vanzelfsprekend veel groter dan bij grondoperaties –alle technologie ten spijt. En het aantal luchtbombardementen neemt exponentieel toe met het stijgende aantal schermutselingen tussen opstandelingen en internationale troepenmacht: in de maanden juni en juli 2008 werden evenveel bommen gegooid als in heel het jaar 2006. Hoeveel bommen de Belgisch gevechtsvliegtuigen in 2008 dropten, wil het ministerie van Defensie niet zeggen.

Lal Gul, voorzitter van de Afghanistan Human Rights Organisation windt er in zijn kantoor in een buitenwijk van Kaboel geen doekjes om. Hij heeft het niet langer over schendingen van mensenrechten, maar over oorlogsmisdaden. ‘De buitenlandse troepen bombarderen om te doden. Ze vallen ’s nachts de dorpen binnen om onze culturele en religieuze waarden en gewoonten te schenden. Ze sluiten onschuldigen op om terreur te installeren onder de mensen.’

Hij is een vurig verdediger van de mensenrechten, maar ziet meer heil in dialoog met de taliban dan in samenwerking met de westers georiënteerde internationale gemeenschap. Veel gesprekspartners gaan een eind in de richting van wat Gul zo extreem verwoordt. Onder andere Vahid Mojdeh bevestigt dat de internationale troepenmacht haar –tussen 2002 en 2004 onmiskenbaar aanwezige– krediet verspeeld heeft door met vuile voeten door het culturele huishouden van Afghanistan te stappen en door onnodig veel burgerdoden te maken bij zijn militaire optreden. Mojdeh handelt vandaag in bouwmaterialen, maar in een vorig leven was hij een hoge ambtenaar in de talibanregeringen, en daarvoor in de administratie van Rabbani die daaraan voorafging.

fuckistan

Qatub is een forse, Pathaanse ondernemer die naast me zit op de vlucht naar Kandahar. Kort na het opstijgen meldt hij trots dat zijn clannaam Popalzai is. Dezelfde clan als president Karzai. Aangenaam. Hij probeert me een paar basiszinnen Pathaans te leren en verder wil hij dat ik besef dat alle kwaad in Kandahar en de rest van het land afkomstig is uit Pakistan. Waarop zijn vader, die tot dan onaangedaan uit het raampje naar de kale bergen zat te staren, voorover buigt en zegt: ‘Not Pakistan, but Fuckistan.’ Bulderlach. Pathanen staan niet echt bekend om hun subtiele humor.

Qatubs overtuiging wordt opvallend breed gedeeld in Afghanistan. Dat heeft diepe historische wortels. De minister van Buitenlandse Zaken zei onlangs bijvoorbeeld nog dat Afghanistan geen internationale grens heeft met Pakistan. Hij bedoelt: de 2500 kilometer lange grens is opgelegd door de Britse kolonisator en nooit erkend door Afghanistan, tot vandaag. Maar er zijn ook heel actuele redenen voor de anti-Pakistan houding. De taliban en hun internationale kompanen van al-Qaeda vluchtten in 2001 over de grens naar de tribale gebieden in Pakistan, waar ze ongehinderd konden hergroeperen en zich voorbereiden op een eclatante terugkeer vanaf 2004. De Pakistaanse journalist Ahmed Rashid beschrijft dat uitgebreid in zijn jongste boek,

De corruptie van de huidige regering, de blijvende armoede en de burgerslachtoffers van de ISAF-bombardementen drijven de mensen recht in de armen van de taliban.

De dreiging van chaos. Eén voorbeeld: in de zomer van 2003 al kochten de taliban in Quetta zo’n 900 moto’s en ze importeerden honderden Thuraya stalliettelefoons uit de Golfstaten.

Toch gelooft  niet iedereen dat alleen Pakistan dubbel spel speelt in deze internationale oorlog. Vahid Mojdeh: ‘Geloof niemand die je vertelt dat het om het welzijn van de Afghanen gaat. Niet het Westen, niet de taliban, niet de regering-Karzai met zijn krijgsheren, maar ook niet de buurlanden.’ De Verenigde Staten worden ervan verdacht een permanente aanwezigheid in Afghanistan na te streven om zo de aangrenzende landen in de gaten te kunnen houden. Anderzijds hebben Rusland, Iran, Pakistan, China en India elk ook politieke of economische redenen om het Amerikaanse bezettingsproject in Afghanistan te laten mislukken. En dus, gelooft Mojdeh, zullen al die regionale spelers wel een manier vinden om de opstand te financieren of te steunen.

glanspapieren tijger

De oorlog in Afghanistan is voor de Navo op de eerste plaats een oefening om haar eigen toekomst af te tasten en te omschrijven. Dat bevestigt een hooggeplaatste Navo-militair, die vrijuit spreekt op voorwaarde dat zijn naam niet genoemd wordt. ‘Het Westen kan niet zitten wachten tot terroristen toeslaan, wij moeten overal in de wereld preventief kunnen optreden om terroristische groepen een veilige haven te ontzeggen en mislukte staten te stabiliseren.’

De commandant, die betrokken is bij de strategische planning van het militair bondgenootschap, beklemtoont dat zulke acties –zoals de ISAF-missie in Afghanistan– onder de leiding van de Verenigde Naties of een vergelijkbaar regionaal verband moeten vallen, niet onder de eenzijdige leiding van de Verenigde Staten. Bovendien moeten ngo’s en civiele organisaties ingeschakeld worden in een overkoepelende strategie. En, neen, hij ziet niet in waarom dat ervaren zou worden als een nieuw imperialistisch project, ook al klopt het natuurlijk wel dat de Navo een Amerikaans-Europees bondgenootschap is, en dat ngo’s eigenlijk onafhankelijk moeten opereren. Maar in tijden van oorlog gelden andere wetten, vindt hij.

In april viert de Navo haar zestigste verjardag in Straatsburg. Dan verwacht mijn commandant dat er definitief gekozen wordt voor die nieuwe, mondiale rol. Om dat met enig tromgeroffel te kunnen doen, draait de pr-machine al op volle toeren. Want Afghanistan moet een succes zijn. En op het glanspapier van de Navo-brochures lukt dat wel. ‘Vijf jaar geleden liepen 900.000 kinderen school, vandaag zijn er 6,4 miljoen ingeschreven –waaronder 1,5 miljoen meisjes.

Zestien miljoen vaccinaties werden uitgevoerd, wat bijdraagt tot een daling van de kindersterfte met 26 procent tegenover 2002. Meer dan tachtig procent van de bevolking heeft toegang tot gezondheidszorg, tegenover acht procent onder de taliban. De ringweg [die Herat, Kandahar, Kaboel en Mazar-e-Sharif verbindt] is voor driekwart verhard.’ De zegeberichten komen uit Progress in Afghanistan. Bucharest Summit 2-4 April 2008.

Als ik Brigadier Generaal Sher Mohammad Zazai, bevelhebber van de 205 Brigade Heroes Afghan National Army, echter vraag of ik met een militair konvooi mee kan van Kandahar naar Kaboel, antwoordt de generaal dat het leger de weg niet meer gebruikt wegens te onveilig.

Gousuddin Frotan, directeur van Hindara Media and Cultural Foundation in Kandahar, vult aan: ‘Er zijn al zeker vijftig bruggen vernield tussen Kandahar en Kaboel. En de taliban hebben de gsm-operatoren bevolen hun diensten langs de hoofdweg uit te schakelen tussen zonsondergang en zonsopgang. Alleen Etisalat plooit niet voor dat bevel, maar dat betekent dat al wie ’s nachts tegengehouden wordt en een gsmnummer heeft dat begint met 0786 eigenlijk een elektronisch doodvonnis op zak heeft. De regering is afwezig op het platteland, de internationale troepen worden er verworpen en de opstandelingen hebben de controle.’

In toenemende mate gaat die stelling ook op voor de steden. Syed Abdul Hai, coordinator de ngo Human Development Resources Agency, geeft me een nachtbrief mee die de taliban in Kandahar verspreid hebben onder mediamensen. Daarin geeft al Haj mullah Gulam Gulam vier telefoonnummers die authentiek van talibanwoordvoerders zijn. Kwestie van valse bedreigingen of vragen voor “vrijwillige bijdragen” te onderscheiden van echte.

De Navo-brochure stelt ook dat zeventig procent van alle “veiligheidsincidenten” plaatsvonden in tien procent van de districten, waar slechts zes procent van de Afghanen woont. In een intern rapport dat de Brit Hugh Bayley schreef voor de Parlementaire Vergadering van de Navo in  2008 klinkt het minder geruststellend: ‘De veiligheidssituatie in het belegerde land verslechtert duidelijk.’

ongeloofwaardige democratie

Arghandab is een voorstadje ten noordoosten van Kandahar. Iedereen vertelt me dat hier, bij het schrijn van Baba Wali, duizenden mensen kwamen picknicken op vrijdag. En altijd klinkt dat verhaal in de onvoltooid verleden tijd: picknick hoort bij de tijd van vóór de terugkeer van de taliban. Vandaag wordt er gevochten om Arghandab. Toch wordt er gewerkt aan een nieuwe brug over de Arghandab-rivier, en dat is geen luxe als je ziet hoe taxi’s, ezelskarren en ander vervoer in volle droogte door de bedding van de rivier hobbelen. Op de vraag wanneer aan de weg verder oostwaarts begonnen wordt, antwoordt de lasser van dienst verschrikt dat aan het einde van de brug-in-opbouw ook de veiligheid ophoudt. Geen zinnig mens zal daar –hij wijst niet meer dan honderd meter verder– infrastructuurwerken gaan doen, want dan krijg je de stempel van collaborateur. En dat is een doodvonnis.

Op 3 januari 2009 vallen gewapende mannen een kantoortje van de verkiezingscommissie in Arghandab aan. Meteen is duidelijk wat iedereen in Kandahar een maand daarvoor al wist: de presidentsverkiezingen, die volgens de grondwet ten laatste in juni 2009 moeten plaatsvinden, kunnen niet doorgaan tenzij de veiligheidssituatie dramatisch zou verbeteren. Maar niemand gelooft daarin, ook niet als er plots een stevige versterking komt van de buitenlandse troepen. En die zal er zeker komen.

Christopher C. Prat van de Amerikaanse aannemer Orbis Operations  spreekt alvast over florissante zaken op Kandahar Airfield. Ook andere bronnen hebben het over de grootste bouwwerf in Zuid-Afghanistan. Diplomaten in Kaboel denken dat de verkiezingen een paar maanden uitgesteld zullen worden, zoals ook een toenemend aantal volksvertegenwoordigers vraagt. Maar of dat enig soelaas brengt, is zeer de vraag.

Helemaal rampzalig worden de verkiezingen als ze alleen doorgaan in veilige gebieden, want dan verdwijnt het laatste restantje legitimiteit van de Afghaanse regering in Pathaanse regio’s als Kandahar, Zabul, Paktia en Helmand. Zelfs de Pathaanse president, Hamid Karzai, is er nooit in geslaagd zijn volksgenoten ervan te overtuigen dat de regering in Kaboel ook hun regering is. De aanwezigheid van –grotendeels niet-Pathaanse– krijgsheren is daarvoor verantwoordelijk, al helpen ook de strapatsen van zijn broer, Ahmed Wali Karzai, in Kandahar niet.

De Navo-commandant beweert dat ISAF harde bewijzen op tafel heeft gelegd van de betrokkenheid van Ahmed Wali bij de drugseconomie. De president heeft geen vinger  uitgestoken. Toen de gouverneur van Kandahar, majoor-generaal Rahmatullah Raufi, op drie december ontslag nam, motiveerde hij dat door te zeggen dat hij een conflict had met niet nader genoemde “machtige personen”. Dat maakte voor iedereen duidelijk dat hij het over A.W. Karzai had.

‘De corruptie van de huidige regering drijft de mensen recht in de armen van de taliban’, zegt Javed Ahmed, een freelance journalist in Kandahar, met een zwaar Amerikaans accent. ‘Dat, de blijvende armoede én de burgerslachtoffers van de ISAF-bombardementen.’ Javed Ahmed is nog niet lang op vrije voeten. Hij zat elf maanden in de internationale gevangenis van Bagram, een plek die door Time Magazine begin januari werd omschreven als een grotere versie van Guantanamo. Zijn vergrijp: als journalist voor de Canadese tv was hij altijd zo snel op de plek van een aanslag, dat hij achterdocht opwekte.

Hij werd vrijgelaten na 150 ondervragingen –in het begin met de harde hand. Er was nooit een formele aanklacht, er waren geen advocaten en er kwam geen proces. Maar Ahmed en zijn pakweg dertig miljoen landgenoten moeten wel geloven dat de Navo democratie, een rechtsstaat en ontwikkeling komt brengen. ‘Ik bereid een klacht voor en wil compensatie’, zegt hij. ‘In het Westen gelden regels die westerlingen in Afghanistan aan hun laarzen lappen. Dat pikken wij niet.’

Deze reportage kwam tot stand met de steun van het Fonds Pascal Decroos.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur