Afrika begint aan de Pyreneeën (1)

Deze bijdrage is geen historische of socio-politieke analyse. Ze wil alleen aantonen dat de punten die Huntington in zijn argumentatie aanvoert als elementen van verscheidenheid, op een ander tijdstip van de geschiedenis elementen van gelijkenis kunnen zijn.
Samuel Huntington heeft het over een toekomstige wereld vol conflicten tussen beschavingsblokken, en met name tussen het westers blok en de islam. In zijn boek ‘Botsende beschavingen’ analyseert de auteur de relaties tussen de beschavingen. Hij gaat op zoek naar een nieuwe totaalvijand die de conflicten van beschavingen een tastbare vorm geeft en vindt die in de islam. Huntington brengt de beschavingen in kaart en situeert ze in de ruimte, maar heeft geen oog voor hun continuïteit in de tijd. Hij zegt wel dat ‘…er een traditie van conflicten bestaat die onderzocht en gebruikt kan worden door wie dit nuttig acht. In die conflictrelaties is de geschiedenis springlevend, gezond en schrikwekkend’. Verder, sprekend over de ‘toename van de breuklijnoorlogen op het einde van de twintigste eeuw’ zegt hij dat die conflicten wortelen in de geschiedenis en dat ‘de herinnering aan dat verleden blijft doorwerken en aan beide kanten angst en onveiligheid schept. Deze relaties hebben door de eeuwen heen gezorgd voor een afwisseling tussen periodes van samenleven in wantrouwen en van wreedaardig geweld.(2)

Geschil, breuklijnoorlogen, wantrouwen, wreed geweld, neiging tot conflict, dat zijn de termen waarmee Huntington de relaties tussen het Westen en de islam weergeeft. Hij spreekt zelfs over de ‘bloedige grenzen van de islam’.

In antwoord op de thesis van Huntington stel ik een analyse voor die gebaseerd is op het historische verloop van een relatie die op de scheidingslijn ligt tussen de westerse christenheid en de islam en ‘waarvan de Europeanen algemeen het fundamentele belang aanvaarden’. Het gaat over de Spaans-Marokkaanse relaties in de periode tussen het einde van de negentiende en het midden van de twintigste eeuw. We plaatsen deze relaties in hun algemene context. Door de gedachtegang te volgen van Joaquin Costa, een van de denkers van deze periode en door telkens daarin de verschillen van opvatting aan te duiden met het betoog van Huntington, kunnen we vaststellen hoe het verleden dikwijls plaats maakt voor het heden, zonder het gevoel van continuïteit te breken.

Vooral willen we uitleggen waarom we even terugkeren in de geschiedenis. Waarom heeft men bijna steeds de beschavingen bestudeerd vanuit één bepaalde cultuur of vanuit principes waaraan men universele waarde toekent? Door naar gemeenschappelijke kenmerken van de beschavingen te zoeken, vragen we ons af waar de grens ligt tussen verscheidenheid en gelijkheid.

Beschavingen, geschiedenis en maatschappij

In zijn ‘Grammaire des civilisations’ (3) zegt Fernand Braudel dat ‘de beschavingen een continuüm vormen, dat geen enkele beschaving echt begrepen kan worden zonder kennis van de reeds doorlopen weg, van de oude waarden, van de beleefde ervaringen. Het evidente feit dat er vele interpretaties zijn van de geschiedenis met uiteenlopende opvattingen en zelfs met tegenstrijdigheden vindt zijn verklaring in de dialectiek eigen aan de geschiedenis, die steunt op de verscheidenheid van de historische tijden zelf: de snelle tijd van de gebeurtenissen, de lange tijd van de periodes, de trage, lome tijd van de beschavingen.’

In deze veelheid van interpretaties is er altijd een sterke neiging geweest om de Andere te verketteren en om het anderszijn gelijk te stellen met geweld. Het boek van Huntington is een bewijs van deze trend. Toch beveelt hij in zijn laatste hoofdstuk aan, de gemeenschappelijke kenmerken van de beschaving op te zoeken. Doordat hij over beschaving in het enkelvoud schrijft, zijn wij geneigd te denken dat hij spreekt over een unieke en universele beschaving. Toch is dit niet heel duidelijk in zijn tekst: ‘ In plaats van de zogenaamde universele kenmerken van een beschaving te promoten, vereist het intercultureel samenleven dat er gezocht wordt naar wat gemeenschappelijk is aan de meerderheid van de beschavingen. In een wereld met verscheidene beschavingen is het aangewezen te verzaken aan het universalisme, de verscheidenheid te aanvaarden en naar de gemeenschappelijke eigenschappen te zoeken.’ (4)

Het is niet genoeg ernaar te zoeken, men moet het gemeenschappelijke in bepaalde kenmerken leren erkennen, of zelfs nagaan om welke reden en in welke context het verschil van die kenmerken beklemtoond wordt.

Bovendien komt die veelheid van interpretaties van de geschiedenis meestal tot ons langs een uitgebreide bibliografie die momenten van onenigheid, oorlogskronieken en conflictanalyses weergeeft. De relaties tussen volkeren, beschavingen en culturen worden sterker belicht aan hun conflictzijde dan in hun eigenlijke onderlinge verhouding. Zo blijven de Spaans-Marokkaanse betrekkingen dikwijls beperkt tot een analyse van de negatieve kenmerken die men de ‘andere’, in dit geval de ‘moor’ heeft toegeschreven. Deze negatieve oordelen doen vooroordelen, stereotypen en clichés ontstaan die op hun beurt een vijandbeeld scheppen.

Beschavingen en individuen

In de culturele contacten zijn het individuen die elkaar ontmoeten, niet de culturen zelf. De geschiedenis wordt gewoonlijk aangeleerd vertrekkend van gebeurtenissen, koningen en veldslagen, en altijd vanuit een bepaalde cultuur. Deze cultuur heeft helden nodig, mythen en een glorierijk verleden als fundament voor een nationale identiteit. Op die manier is gedurende lange tijd de geschiedenis geschreven door de overwinnaars. De ‘anderen’ verschijnen alleen in ons historisch scenario wanneer zij door de ‘onzen’ verslagen zijn. Voor vele Europese landen zijn de Arabieren slechts in Europa gekomen op het moment dat ze door Karel Martel in Poitiers (732) overwonnen zijn. Van dit ogenblik af worden de zeven eeuwen van samenleven en uitwisseling tussen Spanjaarden en Arabieren in de geschiedenis voorgesteld als een ‘conquista’, een verovering door de Arabieren en vervolgens als een ‘reconquista’ die haar hoogtepunt bereikt onder de Katholieke Koningen. De journalist Wenceslao Fernandez Florez argumenteert als volgt zijn verzet tegen ‘een nieuwe kruistocht tegen de ongelovige’ in een artikel van 1920 dat als titel draagt: ‘Ik ga niet op kruistocht’: ‘Wij zijn van mening dat Spanje door hen (de moorse moslims) te verjagen veel heeft verloren en vinden dat de moorse koningen die uit Andalousië verdreven werden meer Spaans waren en meer recht hadden op het schiereiland te blijven dan de Castiliaanse heersers die ons verslagen hebben.’ (5)

Naast de overwinnaars zijn er ook de overwonnenen. Wat gebeurt er met hen na de oorlog? Welke argumenten en redenen hadden zij om deel te nemen aan de oorlog?

Nemen wij een voorbeeld dat ons bij de Spaans-Marokkaanse relaties brengt. Vele Marokkaanse soldaten lijfden zich in bij generaal Franco en staken met hem de Straat van Gibraltar over in het Nationale Oproer dat zou uitmonden in de Spaanse Burgeroorlog. Door de meeste Spanjaarden worden deze Marokkanen als collaborateurs van Franco vereenzelvigd met diens ideologie. In zijn werk ‘Pages d’histoire du Maroc’ bekijkt Abdelmajid Benjelloun deze collaboratie vanuit Marokkaans oogpunt. (6) De 25.000 Marokkaanse soldaten die in de Spaanse Burgeroorlog sneuvelden, waren militante Marokkaanse nationalisten die hoopten op de autonomie van het noorden van Marokko in ruil voor hun samenwerking. Noch de aanhangers van Franco, noch zijn tegenstrevers hebben zich ooit de moeite getroost om die motivatie bekend te maken. De ‘Moorse Garde’ van Franco heeft de collaboratie-idee visueel gestalte gegeven en tot op vandaag kleurt dit vooroordeel de houding van de Spanjaarden tegenover de Marokkaanse inwijkelingen.

Beschavingen en culturele grens

De identiteit wordt voortdurend opgebouwd in een dialectische verhouding tussen zich identificeren met en zich onderscheiden van, met andere woorden, tussen ‘wij’ en ‘zij’. Waar ligt de grens? Volgens Denis Cuche moet men met betrekking tot de ‘grens’ van de identiteit de volgende vraag stellen: ‘Hoe, waarom en door wie, op welk ogenblik en in

welke context is die bepaalde identiteit tot stand gekomen, verstevigd of in vraag gesteld?’ (7)
Het zijn niet de culturele verschillen die twee etnisch-culturele groepen scheiden. Het is de wil zich als te onderscheiden op te stellen en het gebruiken van enkele culturele trekken om de eigen identiteit af te bakenen, die de scheidingslijn , de grens vormen. Eenzelfde cultuur of een deel ervan kan op verschillende, zelfs tegengestelde wijze gebruikt worden in verschillende identificatiestrategieën. De sociale organisatie van dit culturele verschil is het resultaat van een identificatieproces dat door Frederik Barth ‘etniciteit’ wordt genoemd. Volgens Barth is elke ‘grens’ op te vatten als een sociale demarcatielijn die door de onderlinge contacten veranderd kan worden. Elke verandering in de sociale, economische of politieke situatie kan een verschuiving van de ‘grenzen’ teweegbrengen. (8) Het is in deze zin dat wij spreken over verschilpunten en gelijkenissen en over de wil of het vermogen om de grens te trekken tussen ‘zij’ en ‘wij’. Wij verkiezen te spreken over identificatie eerder dan over identiteit om de nadruk te leggen op de onderlinge verhouding, op de wisselwerking tussen identiteit en anderszijn. Wij denken bewust vanuit een etnisch discours dat niet exclusief is, maar integendeel de continuïteit (de gemeenschappelijke kenmerken) tussen de twee zogenaamd verschillende culturen versterkt en aantoont. Zo kunnen wij zelfs spreken over een etnische liefdesverhouding tussen twee volkeren, verhouding die nochtans in het verleden verzwegen, gemanipuleerd of vermomd werd om gebruikt te worden in een discours die de verschillen benadrukt met als enig doel, de grens te trekken tussen ‘zij’ en ‘wij’.

Het Spaanse Afrikanisme

Wij zullen enkele elementen nemen die Huntington als centrale gegevens beschouwt in de relatie tussen het Westen en de islam en zullen vervolgens deze elementen hernemen zoals ze zich op een ander historisch moment en in een andere socio-politieke context hebben voorgedaan.

Tegenover de gedachtegang van Huntington stellen wij het betoog dat Joaquin Costa uitsprak op de plechtigheid die in het Alhambratheater van Madrid werd gevierd op 30 maart 1884. De meeting was georganiseerd door de Vereniging van Afrikanisten om de akkoorden in de praktijk te brengen die door het ‘Congreso Español de Geografia Colonial y Mercantil’ waren afgesloten. (9)

In een poging om een andere dimensie te geven aan het afrikanisme van die periode, plaatsen wij de rede van Joaquin Costa in haar tijd, door enkele uitspraken aan te halen van politici, filosofen en schrijvers die zijn tijdgenoten waren.

Sommige auteurs zien in wat men het Spaans afrikanisme noemt een mengelmoes van ‘nostalgie naar het koloniale verleden (het verlies van het Amerikaanse imperium) en van het verlossende nationaal-katholicisme (het getuigenis van Isabel de Katholieke oproepen om de historische rechten van Spanje op Noord-Afrika te legitimeren: de Spaans-Marokkaanse oorlog, het Spaanse protectoraat in de Rifzone). (10)

De context: het einde van de 19e – begin van de 20e eeuw

De periode die in de geschiedenis doorgaat als ‘el Desastre’ (de Ramp) is een tijd van sociaal onheil, van honger, emigraties en nederlagen. De blunders en nederlagen in de koloniale veldslagen die hun beslag kregen in de Spaans-Amerikaanse oorlog (Cubaanse oorlog) brachten het verlies mee van al de oude kolonies en betekenden bovendien een langdurige aderlating die veel mensenlevens kostte. Het was ook een tijd waarin het leger het gezag van de politiek betwistte en de kolonies stilzwijgend als zijn eigen gebied beschouwde. ‘De emigratie is dramatisch. De hele Oostkust van Tarragona tot Almería loopt leeg door een constante uitwijkingsstroom naar Algerije. De arbeidersbevolking van de centrale provincies en van de Cantabrische kust emigreert massaal naar de republieken van Zuid-Amerika. De miserie is verschrikkelijk.’ (11)

Er bestaat een uitvoerige literatuur uit dit tijdperk over de relaties tussen het individu, de maatschappij en de staat en over de crisis waarin de Spaanse staat op dat ogenblik verkeert. Er is een reactie tegen het militarisme en een sterke afwijzing van de absolutistische staat, die katholiek en centralistisch is en door kleine oligarchieën gemanipuleerd wordt. Hier volgen enkele levendige getuigenissen van auteurs die beschouwd worden als de voorlopers van de Spaanse revolutie:

Een wezen dat alles in zich verenigt, is ongetwijfeld soeverein. De mens, alle mensen, zijn onbestuurbaar. Elke macht is absurd. Elke mens die zijn hand boven een ander mens uitsteekt is een tiran. Alleen een akkoord kan de relatie tussen twee soevereine wezens regelen. Gezag en soevereiniteit zijn contradicties (…) Ik verdedig het akkoord, enerzijds omdat dit de federale idee bevat die mijn politiek is, anderzijds omdat ik geen ander wettig middel ken om de relatie tussen vrije en autonome wezens te regelen, en ten slotte omdat ik aan alle nationaliteiten, en vooral aan de Spaanse, een meer veilige en stevige basis wil geven. (Pi y Margall).(12)

‘Enerzijds is er een duizendtal geprivilegieerden (de oligarchen van Madrid, de hoofden van de provinciale bevolkingen en de gouverneurs die hun verbindingsagenten zijn en die regeren voor hun eigen belang, anderzijds is er het land, de 18 miljoen onderworpenen die nog in volle Middeleeuwen leven.’ Joaquin Costa. (13)

Costa wijdt vele jaren van zijn leven aan het verkondigen, promoten en verdedigen van grootse plannen van ‘materiële vooruitgang van het land’ door een brede economische politiek (irrigatie, herbebossing, bevloeiingskanalen en transport). Naast de materiële vooruitgang stelt hij een groot pedagogisch programma voor. ‘Onze leuze moet zijn: materiële welvaart en onderwijs’ Op die manier stelde hij de tekorten van het opvoedingsbeleid aan de kaak.

Is het vanuit het perspectief van deze programma’s dat Costa de geografische, raciale, sociale en culturele eenheid van Spanje en Marokko ziet waarover hij het heeft in zijn rede tot het Congres van 1884?

Afrika begint aan de Pyreneeën

We zagen dat Huntington over de relaties tussen beschavingen spreekt in termen van scheidslijnen, conflicten, breuklijnoorlogen enz. en dat de grenzen samenvallen met duidelijke, culturele verschillen. We zullen de gedachtegang van Huntington vergelijken met die van Costa en gebruiken daarvoor de grote lijnen die volkeren scheiden: territorium, ras, godsdienst en culturele identiteit. De uitspraken van Costa volgen onmiddellijk op de citaten van Huntington, zonder enig commentaar van ons, zodat ieder zijn eigen mening kan vormen. We hebben de positie van Costa enigszins aangevuld met citaten van zijn tijdgenoten van andere publicaties van de ‘Consejo Superior de investigaciones Cientificas ‘ en van het Instituut van Afrikaanse Studies. Die citaten lopen uiteen van een oriëntalistische visie tot en met een betoog van Franco-ideologie. Zo willen wij aantonen dat het niet over een geïsoleerde opinie gaat, maar dat deze denkrichting een zekere duurzaamheid vertoont en dat ze gebruikt is in dienst van verschillende politieke ideologieën.

Territorium

Huntington:

‘Waar eindigt Europa? Europa eindigt waar het Westerse christianisme ophoudt en waar de islam en de orthodoxie beginnen. Dat is het antwoord dat de West-Europeanen graag horen en dat ze in meerderheid stilzwijgend beamen.’ (p. 190)

Costa:

‘Spanje en Marokko zijn de twee helften van een geografische eenheid die de parallelle bergketens van de Atlas in het zuiden en van de Pyreneeën in het noorden als buitengrenzen heeft.’

Andere commentaren:

‘We gaan er prat op het enige volk van de Europese cultuur te zijn dat nooit de moslimvolkeren misprees en we zijn beslist het land waarnaar verwezen wordt in de internationaal veel gebruikte uitdrukking dat Afrika begint bij de Pyreneeën.’ (José Maria Campoamor) (14)

‘De Europese ‘fine fleur’ die haar middelpunt in Parijs heeft, wou ons een beetje uit de hoogte behandelen met de uitspraak ‘Afrika begint aan de Pyreneeën’, maar dat stoort ons helemaal niet. Het zijn dezelfden die nu zouden willen dat Afrika, tenminste in de hartelijkheid van zijn relaties, Parijs als brandpunt had.’ (Diario Español Tarragona, 23.03.1952) (15)

Territoriale integriteit

Huntington:

‘De Europese grenzen worden in het noorden, het westen en het zuiden gevormd door grote watervlakken die in het zuiden samenvallen met duidelijke culturele verschillen.’(p. 188)

Costa:

‘De Straat van Gibraltar zou ons scheiden? Neen, de Straat betekent geen scheiding zoals een bergketen, ze verenigt ons zoals een rivier (…) Er bestaan in de wereld landengten die twee geologische systemen, twee soorten flora, twee klimaten van elkander scheiden, bv. de Pyreneeën. Maar de Straat van Gibraltar is geen scheidingslijn: de grondlagen van de Afrikaanse bodem lopen verder in ons schiereiland, alsof er geen zee-engte was. De Straat is geen tussenwand die de ene woonkamer van de andere scheidt; integendeel, ze is een deur door de natuur geopend om de twee kamers van hetzelfde huis te verbinden.’

Over de territoriale integriteit van Marokko zegt Joaquin Costa het volgende: ‘Wat ik nu ga zeggen zal misschien sommigen schandaliseren, omdat Spanje nog niet toe is aan zulke gewaagde uitspraken en aan zulke gedurfde gedachten. Waar het voor Spanje op aan komt en wat ook tot zijn plicht behoort, is dat door zijn toedoen en met zijn hulp, niet door de hulp van gelijk welk ander land, Marokko zodanig gaat herleven dat het de terugvordering van Ceuta (de Spaanse enclave in Marokko, n.v.d.r.) als ideaal gaat nastreven, juist zoals de terugeising van Gibraltar tot onze eigen idealen behoort.’

Andere commentaren:

‘Dat er sinds de 15e eeuw een Spanje en een Marokko bestaan die door de Straat gescheiden worden, is een louter toeval (…) De geografie en de geschiedenis maken de twee landen tussen de Pyreneeën en de Atlas tot een enkel geheel.’ (Rodolfo Gil Benumeya) (16)

Juan Felipe de Lara verdedigde in 1888 eenzelfde territoriale integriteit. Hij wees erop dat Marokko het voorwerp was van een internationale samenzwering en klaagde de hypocrisie van de Europese machten aan die in hun officiële discours een onafhankelijk Marokko verdedigden terwijl ze in werkelijkheid die onafhankelijkheid kapot maakten.(Juan Felipe de Lara) (17)

‘Zonder Marokko geen Spanje. Zonder Spanje geen Marokko. Zonder Gibraltar geen Marokko en geen Spanje. Gibraltar is daarom een gemeenschappelijke doelstelling voor de twee delen van dezelfde natie, die begint aan de Pyreneeën en eindigt bij de Atlas. (Tomas Borrás) (18)

Ras

Huntington:

‘Er bestaat een grote overeenkomst tussen de opdeling van de mensen in beschavingen dankzij hun culturele kenmerken en hun opdeling in rassen door hun fysieke kenmerken (…) Met name de grote godsdiensten met missionaire bezieling, het christendom en de islam, richten zich op verschillende rassen.’ (p. 47)

Costa:

‘Is het het bloed dat ons, Spanjaarden en Marokkanen, onderscheidt, is het de geest van het ras, die zo diep zijn stempel drukt op de nationaliteit en die tussen volkeren afgronden veroorzaakt die moeilijker te overschrijden zijn dan bergketens of zeeën? Integendeel, tussen Spanjaarden en Marokkanen bestaat er een geheime, sterke aantrekkingskracht die alleen verklaard kan worden door een etnische verwantschap die ons bindt (…) Onder de verscheidene bevolkingslagen die de geschiedenis eeuw na eeuw op elkaar gestapeld heeft tussen Pyreneeën en Sahara bestond een gemeenschappelijk ras van Spanjaarden en Marokkanen. De Moren en de Spanjaarden zijn broeders, ze behoren tot eenzelfde mediterraan ras en ze hebben gedurende vele eeuwen hetzelfde lot ondergaan.

Andere commentaren:

‘Er blijken tussen ons geen andere verschillen te bestaan dan de klederdracht – en soms is er zelfs daarin geen verschil – omdat boven alle sociale, religieuze en politieke verschillen, die artificieel zijn, er de affiniteiten zijn van de natuur, de etnische en antropologische verwantschappen, die onvermijdelijk een stroom van sympathie opwekken. Dat is wat men in de volksmond de stem van het bloed noemt: omdat Spanjaarden en Marokkanen één ras vormen, hebben ze ook een gelijklopende mentaliteit en persoonlijkheid. (Mohammad Ibn Azuz Haquim) (19)

Aan beide kanten van de Straat leeft dezelfde mens, en deze gemeenschap van leven en cultuur is ontelbare eeuwen oud. Eenzelfde volk leeft in een ruimte die de natuur heeft aangelegd en de grondlaag van eenzelfde ras en biologische gegevenheid krijgt gestalte in de natie. Eenheid van bloed en eenheid van territorium. (Tomas Borrás) (20)

Religie

Huntington

‘Millennia van menselijke geschiedenis hebben aangetoond dat de religie niet ‘een klein onderscheid’ is, maar dat ze wellicht het diepste verschil uitmaakt dat tussen volkeren kan bestaan (…) Juist omdat de godsdienst het belangrijkste kenmerk is van de beschavingen, worden breuklijnoorlogen bijna altijd uitgevochten tussen volkeren van verschillende godsdienst.’ (p. 304)

Costa:

‘De Marokkanen hebben in de 12e eeuw gepoogd de godsdiensten van Christus en van Mohammed te verzoenen. Cordobese filosofen en Almohadische heersers hebben gepleit voor samensmelting; onder impuls van aartsbisschop Castro en van de jezuïeten hebben 600 jaar later christenen dezelfde verzoening voor ogen.’

Andere commentaren:

‘(De Marokkaan) zou voor ons de ongelovige zijn, hij die ons geloof niet deelt, de niet-christen. Laten we niet vergeten dat vele van onze landgenoten in Spanje niet-christen zijn. Moeten wij die dan allemaal een kopje kleiner maken? Wat is de dogmatische efficiëntie van een mitraillette? Er wordt niet meer gevochten voor religieuze motieven. Mensen doden elkaar als industrie en commercie het zo willen. In de oorlogen van vandaag worden geen idealen verdedigd maar belangen.’ (Wenceslao Fernandez Flores) (21)

‘De ganse antieke wereld vatte Spanje en Marokko als één enkele entiteit op. Politiek en administratie hebben nu een waarheid erkend die lang voor hen bestond. Zoals men gedurende de periode van de islamisering het gebied tussen de twee bergketens als één geheel beschouwde (…) Hoewel zich hier een keuze voordoet die we moeten aannemen: Mauritanië aanvaardt Mohammed; Spanje blijft trouw aan het christendom. Doch een grondige studie van de islam zal aantonen dat het religieuze onderscheid niet absoluut onoverbrugbaar is (…) De gevechten die we leverden hadden geen religieus, maar een politiek karakter. In elk van de twee vijandige legers waren er zowel soldaten van het evangelie als soldaten van de islam. (Tomas Borrás) (22)

Culturele identiteit

Huntington:

‘Landen hebben de neiging zich aan te sluiten bij de groep landen met een gelijksoortige cultuur om een tegenwicht te vormen tegen de landen waarmee ze geen culturele affiniteit hebben. Er bestaat een aantrekkingskracht voor gelijkende culturen en een afstoting van afwijkende culturen. (p. 185)

In hoofdstuk 11, waar hij het heeft over ‘de identiteit het toppunt van het beschavingsbewustzijn’, zegt hij: ‘De politieke leiders doen een herhaaldelijk en dringend beroep op de etnische en religieuze loyaliteit, en het beschavingsbewustzijn wordt versterkt door de ontmoeting met andere identiteiten.’ (p. 319)

Costa:

‘Spanje sluit door zijn geologie en zijn flora aan bij Afrika en niet bij Europa, en ook vanwege zijn psychologie en zijn cultuur moet het Spaanse volk de bakermat van zijn beschaving en zijn geestelijke afkomst eerder zoeken over de Straat van Gibraltar dan aan de andere kant van de Pyreneeën. Men kan immers zonder overdrijven zeggen dat zoals aardrijkskundig gezien, Afrika aan de Pyreneeën begint, voor elke Spanjaard Afrika aan zijn voetzolen begint en aan zijn hoofdhaar eindigt.’

Hij spreekt zelfs over ‘Marokko dat de vriendschap en verbondenheid met Spanje verkiest boven die met de Turken die toch hun geloofsbroeders zijn.’

Andere commentaren:

‘De huidige Spaanse nationaliteit werd opgebouwd nadat we de periode hadden beleefd die moslim-Spanje genoemd wordt. Die periode bleef onbegrepen totdat arabisten ontdekten dat dit het echte Spanje was, in een tulband gehuld; dat het Spanje van de moren een politiek-religieuze partij was en geen buitenlandse invasie; en dat de bouwers van het Alhambra de voorvaders waren van de huidige Spanjaarden en van de hedendaagse Marokkanen, niet de voorvaders van de moslims die nu in het Oosten wonen.’ (Rodolfo Gil Benumeya) (23)

‘De idee van het Spanje van Franco omvat Spanjaarden en Marokkanen. Beiden zijn wij voorbestemd een hechte eenheid te vormen in de wereld. Samen hebben wij de hoogste top bereikt; gescheiden komen wij beiden in verval. Opnieuw verenigd kunnen wij optreden als hoofdrolspelers (…) De islam, die altijd in goede verstandhouding met Spanje heeft geleefd, heeft dit land nodig om internationaal door te breken, om samen te vechten voor dat waarvoor ze altijd al samen gevochten hebben: voor God en voor de eer.’ (Tomas Borrás) (24)

Joaquin Costa eindigt zijn uiteenzetting als volgt: ‘Als er dus geen enkele fundamentele reden bestaat voor deze afscheiding, die we nooit genoeg kunnen betreuren, dan is dit omdat ze afhangt van een kleine toevalligheid, van een gebrek aan wil. De wil van wie? Die van de natie of die van de regering? Als we het vragen aan de natie zal die zonder twijfel antwoorden: de regering is niet schuldig (…) De normale gang van zaken in alle landen en in alle tijden is dat de regeringen hun volk volgen en dat ze als de onpersoonlijke organen van dat volk diens wil interpreteren en uitvoeren. Wat kan men in deze omstandigheden vragen aan een regering die zich midden in de natie bevindt zoals in een woestijn? Welk verwijt kan men de regering toesturen als ze de schuchterheid van de burgers beantwoordt met schuchterheid, als ze met gesnork antwoordt op de slaap van het land?’

Kort chronologisch overzicht:

1833-68: regering van Isabel II

1859-60: Afrika-oorlog (Marokko-Spanje)

1868: septemberrevolutie

1873-74: Eerste Spaanse republiek

1874-1931: restauratie

1898: Spaans – Noord-Amerikaanse oorlog: Spanje verliest Cuba

1906: Internationale conferentie van Algeciras over Marokko

1909: oorlog van Melilla (Marokko-Spanje)

1912: Spaans protectoraat over het noorden van Marokko (Rif)

1921-26: Opstand van Abd-el Krim in de Rif

1921: Ramp van Annual

1923-30: Dictatuur van generaal Miguel Primo de Rivera

1925: ontscheping van Alhucemas: begin van de ‘pacificatie’ van de Rif

1931-39: Tweede Spaanse Republiek

1936, juli: Militaire opstand tegen de Republiek

1936-39: Spaanse burgeroorlog

1939-74: Dictatuur van generaal Francisco Franco

1956: onafhankelijkheid van Marokko: integratie van de Rif in het onafhankelijke Marokko


Noten:

1. Met deze beroemde uitspraak (van de Fransen) heeft men willen uitleggen waarin Spanje verschilt van de rest van Europa. De slogan werd in negatieve zin gebruikt om het ‘Westers-zijn’ van Spanje in twijfel te trekken vanwege de sterk Arabische inslag. Cf. Luce Lopez-Baralt, Huellas del islam en la literatura española. Hiperion, Madrid, 1985.

2. S.Huntington: El choque de las civilizaciones. Paidos, Barcelona, 1997. (p. 310)

3. Fernand Braudel, Grammaire des civilisations. Arthaud, Paris, 1987.

4. S.Huntington: El choque de las civilizaciones. Paidos, Barcelona, 1997. (p. 384)

5. Wenceslao Fernandez Florez, Huellas comunes y miradas cruzadas: mundos arabe, iberico e iberoamericano. Universidad Mohamed V, Rabat, 1995.

6. Abdelmajid Benjelloun, Pages d’histoire du Maroc: le patriotisme marocain face au Protectorat espagnol. El Maarif Al Jadida, Rabat, 1993.

7. Denis Cuche, La notion de culture dans les sciences sociales. Da Découverte, Paris, 1996.

8. Frederik Barth, Los grupos etnicos y sus fronteras. Fondo de Cultura Económico, Mexico, 1975.

9. De toespraken van deze meeting werden gepubliceerd door het Centro de Estudios Africanos: Intereses de España en Marruecos. CSIC, Madrid, 1951. De toespraak van Joaquin Costa is te vinden in deze publicatie (p. 10 tot 38)

10. Josep Lluis Mateo, El ‘moro’ entre los primitivos. Fundació La Caixa, Barcelona, 1996.

11. ‘La situación en España’ revista Acracia, 1887. El Pais, Memoria del 98, cap. 5.

12. Pi y Margall (Barcelona 1824 – Madrid 1901) politicus, volksvertegenwoordiger, regeringsministerin 1873 en president van de Eerste Republiek in dat zelfde jaar. Voornaamste werk: Las nacionalidades (1877).

13. Joaquin Costa (Monzon 1847 – Graus 1911) jurist, politicus en historicus. Hoofdwerk: Oligarquia y caciquismo (1901).

14. José Maria Campoamor, La actitud de España ante la cuestion de Marruecos (1900-1904). CSIC, Madrid, 1951.

15. Dia de Africa 1952. CSIC, Madrid, 1953.

16. Rodolfo Gil Benumeya, Andalucismo Africano. CSIC, Madrid, 1953.

17. Juan Felipe de Lara Sanjuan, De la Peña al Sáhara, publicado en 1880. Allal Ezaim, Huellas comunes y miradas cruzadas. Univ. Mohamed V, Rabat, 1995.

18. Tomas Borrás, La España completa. CSIC, Madrid, 1950.

19. Mohamed Ibn Azuz Haquim, Glosario de mil quinientas voces españoles usadas entre los marroquies en el árabe vulgar. CSIC, Madrid, 1953.

20. Tomas Borrás, La España completa. CSIC, Madrid, 1950.

21. Wenceslao Fernandez Florez, Impresiones de un hombre de buena fe (1920-1936) Espasa-Calpe, Madrid, 1964.

22. Tomas Borrás, o.c.

23. Rodolfo Gil Benumeya, Marruecos andaluz. Madrid, Ed. de la Vicesecretaría de Educación Popular, 1943.

24. Tomas Borrás, o.c.

Bibliografie:

RODOLFO GIL BENUMEYA, Andalucismo Africano. Madrid, 1953.

RODOLFO BENUMEYA, Panorama del mundo árabe. Madrid, 1952.

ISIDRO DE LAS CAGIGAS, Andalucia Musulmana. Madrid, 1950.

VIAL DE MORLA, España en Marruecos, La acción social. Madrid, 1947.

MARQUES DE MULHACEN, Política Mediterránea de España 1704-1950.Madrid, 1952.

TOMAS BORRAS, La España completa. Madrid, 1950.

F.COELLO, J.COSTA, G.RODRIGUEZ, E.SAAVEDRA, J.DE CARVAJAL, G.DE AZCARATE, Intereses de España en Marruecos. Madrid, 1951.

ANGELO GHIRELLI, Pueblos árabes y pueblos arabizados. Tomo II. Madrid, 1957.

JOSE MARIA COMPOAMOR, La actitud de España ante la cuestión de Marruecos. Madrid, 1951.

TOMAS GARCIA FIGUERAS & RAFAEL DE RODA JIMENEZ, Economía social de Marruecos, Tomo III. Madrid, 1955.

TOMAS CARCIA FIGUERAS, España y su Protectorado en Marruecos (1912-1956). Madrid, 1957.

DIA DE AFRICA 1952. Articulos publicados en la prensa. Madrid, 1953.

MOHAMMAD IBN AZZUZ HAQUIM, Glosario de mil quinientas voces españolas usadas entre los Marroquíes en el árabe vulgar. Madrid, 1953.

De auteur is master in Euro-Arabische studies van de universiteit van Gerona. Zij is verantwoordelijke van ‘Espacio de Comunicacion Intercultural’ (EIC) van de stichting CIDOB, Barcelona. Zij organiseert symposia over de Maghreb-Europa dialoog. De bijdrage is uit het Spaans vertaald door Bob Hendrickx.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift