Dossier: 

Afrika en Europa worstelen met grondstoffen

‘Grondstoffen zijn hét belangrijkste ontwikkelingsthema van het komende decennium’, zegt ontwikkelingseconoom Paul Collier in Brussel. De Europese Unie, nog steeds de grootste handelspartner van Afrika, heeft dan ook een enorme verantwoordelijkheid om de ontwikkelingslanden toe te laten het potentieel van die grondstoffen ten volle te realiseren.

‘De grondstoffenrijkdom van het Afrikaanse continent is enorm, zelfs al is die nog maar beperkt onderzocht. Die rijkdom is in staat de transformatie van Afrikaanse landen tot welvarende staten te realiseren’, zei Paul Collier -auteur van onder andere The bottom billion- tijdens zijn inleiding op een druk bijgewoond seminarie tijdens de European Development Days in Brussel, op maandag 6 december.

Over de rol de de EU daarbij moet spelen, was Collier bijzonder scherp: ‘Brussel is gebouwd op de plundering van Congo. De eenentwintigste eeuw mag in geen geval een herhaling van die beschamende ervaring uit de negentiende eeuw worden.’ Een van de zaken die hem op dat vlak optimistisch stemt, is het feit dat we niet langer leven in een tijd waarin enkele mondiale mijnbougiganten het voor het zeggen hebben. ‘Er is niet alleen de opkomst van Chinese extractieve industrieën. Vanuit Australië alleen al zijn er 360 extractieve bedrijven actief in Afrika. En vanuit Canada zijn dat er nog meer. Dé uitdaging is om ook die nieuwkomers aan te zetten tot maatschappelijk verantwoord produceren.’

Exportbelastingen

Paul Collier stelde heel duidelijk dat grondstoffen belast moeten worden, wat in veel gevallen neerkomt op exportbelastingen. Alleen op die manier kunnen de natuurlijke rijkdommen gebruikt worden als een opstap voor duurzame ontwikkeling die ook de toekomstige generaties ten goede komt. En het is de noodzakelijke voorwaarde om ervoor te zorgen dat de huidige massa’s mee kunnen profiteren van de rijkdommen die van onder hun voeten worden weggehaald. Die stelling staat minstens op gespannen voet met de benadering die de Europese Unie hanteert in haar Raw Materials Initiative (RMI) aanpak sinds 2008, waarin exportbelastingen gezien worden als handelsbeperkende maatregelen.

Madeleine Tuininga, van het directoraat Handel van de Europese Commissie, verwees naar niet nader genoemde economisc he studies om dat standpunt te verdedigen. Volgens haar is het intussen bewezen dat handelsbeperkingen negatieve effecten opleveren voor de Minst Ontwikkelde Landen, vooral omdat die beperkingen vaak niet ingegeven zijn door ontwikkelingsstrategieën maar door ondoordacht protectionisme. Ze verwees daarbij ook even naar de beslissing van India tijdens de voedselprijzencrisis van 2008 om tijdelijk de export van rijst stop te zetten en de gevolgen daarvan op arme voedselimporterende landen. Collier riposteerde meteen door het fundamentele verschil tussen de internationale handel in voedsel en grondstoffen te onderlijnen.

Regularisatie

De noodzaak om grondstoffenproducerende landen de ruimte te geven om de export te reguleren en via belastingen eventueel te ontraden ten voordele van verwerking in eigen land, bleek hét heikele punt in het debat. Claude Kabemba, een Congolees die directeur is van South Africa Resources Watch, beklemtoonde dat de Europese grondstoffenstrategie zoals samengevat in het RMI geen sluikse verlenging van de oude Washington Consensus mag zijn. Want het ‘bevorderlijke klimaat voor buitenlandse investeringen’ heeft volgens Kabemba ‘het continent vermoord’. Wat vaak vergeten wordt, aldus nog Kabemba, is dat de belastingen niet op de eerste plaats bedoeld zijn om handel te belemmeren, maar om het eigenaarsschap van Afrikaanse naties over hun natuurlijke rijkdommen te benadrukken.

Alfred Hickey M’Sichili, die sprak in naam van het Franse Alternatrade en het Ierse Comhlámh, liet er even weinig twijfel over bestaan dat Afrikanen weinig vertrouwen hebben in het Europese RMI. Hij verwees naar The New Resource Grab: How EU Trade Policy on Raw Materials is Undermining Development, een recent rapport van een aantal Europese ngo’s. Belastingen op grondstoffenexploitatie en -export zijn volgens M’Sichili belangrijk om nationale ontwikkeling en diversificatie van de economie op gang te brengen. Bovendien, zei hij, verstoren de rijke landen de wereldhandel ook, onder andere met landbouwsubsidies.

Alternatieven

Vanessa Herringshaw, directeur van het Revenue Watch Institute, beklemtoonde in haar tussenkomst dat er wel degelijk alternatieven bestaan voor de eurocentrische grondstoffenpolitiek van verleden en heden. De basis van een meer rechtvaardige omgang met grondstoffen, is volgens Herringshaw informatie en transparantie. ‘Multinationals zouden per land en per project moeten publiceren hoeveel ze erin investeren en hoeveel ze eraan verdienen. Dat is op zich nog geen revolutionaire verandering, maar het geeft wel de noodzakelijke oinstrumenten aan middenveld en politiek om hun beleid te richten.’ Dat dit geen onhaalbare droom is, bewezen de Verenigde Staten waar sinds midden 2010 alle extractieve bedrijve die genoteerd staan op de beurs van New York verplicht worden die informatie te verschaffen. Het Europees Parlement stemde overigens al in 2007 en resolutie die hetzelfde vraagt.

Revenue Watch Institute stelde tijdens de European Development Days ook de Revenue Watch Index voor, een nieuw rapport waarin het instituut de transparantie van de olie-, gas- en mijnindustrie meet. De vaststellingen van die oefening zijn niet al te positief voor de sector. In 29 van de 41 onderzochte productielanden is slechts heel beperkte informatie over de beschikbare grondstoffen voorhanden. De landen met de grootste reserves zijn meestal ook de landen die het minste informatie over hun grondstoffen geven. Een van de opvallende gegevens in het rapport is dat de beste transparantiescore gaat naar Brazilië (97), net voor Noorwegen (96,4). De slechtste score is voor Turkmenistan (9,7), met de Democratische Republiek Congo op de derde laatste plaats (22,5). Het Belgische handelsbeleid heeft de voorbije jaren uitdrukkelijke inspanningen gedaan om Belgische bedrijven te laten deelnemen aan de Turkmeense extractieve industrie.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur