Afrika en zijn intellect

Bij de onafhankelijkheid wilden de Afrikaanse staten een snelle economische en sociale ontwikkeling realiseren. Een ‘sterke staat’ leek de beste weg daartoe. Die staat moest de etnische diversiteit onder controle houden, de basisdiensten inzake gezondheidszorg en onderwijs aanbieden en een industrie opbouwen.
De uitdaging was immens, zeker tegen de achtergrond van tientallen jaren kolonisatie, voorafgegaan door decennia van andere vormen van uitbuiting zoals de slavenhandel. Voorzien in de behoefte aan geschoolde kaders voor de staat was daarom een hoofdbekommernis: er werd geïnvesteerd in het onderwijs, dat in de jaren ‘60 en ‘70 sterk uitgebreid werd. De vooruitgang werd echter ongedaan gemaakt in de jaren ‘80, toen de inkomens per inwoner begonnen te dalen, de investeringen gehalveerd werden en de buitenlandse schuld verlammende proporties aannam.

De laatste jaren zijn er opnieuw enkele lichtpunten te ontwaren, maar over het algemeen blijft de situatie verontrustend tot alarmerend. In een twintigtal landen groeit het inkomen per inwoner opnieuw maar tweehonderd miljoen Afrikanen blijven in armoede leven. In geen enkel ander continent stijgt het aantal armen zo snel als in Afrika. Duizenden sterven aan de gevolgen van ziekten zoals hersenvliesontsteking en cholera waartegen nochtans vaccins bestaan. Afrika is daardoor een proefveld voor theorieën en modellen over ontwikkeling geworden.

De mondiale vooruitgang inzake wetenschap en technologie heeft veel mogelijk gemaakt en met name in Azië hebben heel wat landen hun economische ‘take off’ niet gemist. Waarom kon dat niet in Afrika? Men vindt het antwoord op deze vraag door de succesfactoren in andere landen te bestuderen.

Productie en gebruik van kennis zijn van primordiaal belang in elke ontwikkelingsstrategie. Men moet dus investeren in ideeën, in mensen die deze ideeën voortbrengen, en in instellingen die de verspreiding van deze ideeën mogelijk maken. Investeren in de intellectuele capaciteiten van Afrika vereist politieke hervormingen, het mobiliseren van hulpbronnen en een aangepaste en stimulerende omgeving. Steun aan de intelligentsia kan soms meer bijdragen tot het stabiliseren en versterken van de staat dan het vrijmaken van de markten.

Historisch gezien was de ontwikkeling van een land altijd eerst gebaseerd op de landbouw, in een volgende fase op de mijnbouw en nu op de technologie. In elke fase overweegt een bepaald type van hulpbronnen of inputs: een overvloed aan arbeidskrachten in de landbouwfase, natuurlijke rijkdommen in de mijnbouwfase en kennis in de huidige fase van de technologische ontwikkeling. Korea en Japan hebben bewezen dat een land zich ook zonder grote natuurlijke rijkdommen kan ontwikkelen.

Het voortbrengen, bewaren en overdragen van kennis lukt slechts onder bepaalde voorwaarden. Er moet een duidelijk beleid zijn, er moeten aangepaste en goed uitgeruste instellingen zijn en een omgeving die wetenschappelijk onderzoek aanmoedigt. Landen die deze voorwaarden scheppen, zullen zelf ontwikkeling kennen en zelfs goede krachten uit andere landen aantrekken. De achterstand van Afrika inzake kennis en technologie is daarvan een illustratie. De capaciteit om hogere kaders te vormen is beperkt, maar er worden duizenden Afrikanen in het Noorden opgeleid en velen daarvan overwegen zelfs niet eens naar hun land terug te keren en een bijdrage te leveren tot de ontwikkeling van een lokale wetenschappelijke ‘cultuur’. Afrika verliest elk jaar 20.000 hogere kaders (dokters, ingenieurs enz.) aan de ontwikkelde landen. Deze aderlating kan de wederopstanding van Afrika onmogelijk maken. De grote vooruitgang in de informatie- en communicatietechnologie dreigt aan ons voorbij te gaan en zo tot toenemende marginalisering van het continent te leiden. Waarom kunnen wij onze kostbare kennishulpbronnen niet behouden?

ONGELIJKHEDEN TUSSEN DE LANDEN VAN AFRIKA

De mogelijkheden om wetenschappelijke en technische kennis voort te brengen, zijn in alle landen verschillend. In het algemeen zijn de Engelssprekende landen beter bedeeld dan de Franssprekende. In 1995 waren er volgens UNESCO, de gespecialiseerde organisatie van de Verenigde Naties voor onderwijs en cultuur, in Afrika ten zuiden van de Sahara 602 centra voor wetenschappelijk onderzoek: 393 daarvan of 65 procent bevonden zich in de Engelssprekende landen. Zuid-Afrika telde 172 centra of bijna 30 procent van het totaal.

Deze ongelijkheden worden herhaald op regionaal niveau. Zestien landen van West-Afrika telden 132 centra (22 procent) maar 95 daarvan bevonden zich in vier landen m.n. Nigeria, Ghana, Senegal en Ivoorkust.

Die 602 centra, verdeeld over 38 landen, stelden een kleine 78.000 personen tewerk, waarvan 13.000 eigenlijke onderzoekers (17 procent) en 14.000 technici (18 procent). In Zuid-Afrika werkten 3.800 onderzoekers, d.i. 29 procent van het totaal voor ganse Afrika ten zuiden van de Sahara, en 2.700 technici (19 procent). Die ongelijkheden worden nog groter, wanneer men een verband legt tussen het aantal onderzoekers in een land en de totale bevolking, bv. door het aantal onderzoekers per miljoen inwoners te berekenen.

Het onderzoek is geconcentreerd in de voedingssector, de gezondheidssector en de humane wetenschappen. In die drie sectoren is 66 procent van alle instellingen geconcentreerd. Slechts 4 procent van de instellingen is betrokken bij fundamenteel wetenschappelijk onderzoek!

Tabel 1: Aantal instellingen voor wetenschappelijk onderzoek in Afrika in 1995 (verdeling per sector)



Overzicht van de kolommen:

1. Land
2. totaal
3. landbouw, bosbouw en visvangst
4. gezondheid en voeding
5. energie en mijnen
6. verwerkende industrie
7. milieu
8. fundamenteel onderzoek
9. humane wetenschap
10. multidisciplinair



1. 2. 3. 4. 5. 6. 7. 8. 9. 10.
Zuid-Afrika 172 30 31 11 21 6 17 37 19
Angola 3 1 1 1
Benin 5 4 1
Botswana 7 2 2 1 2
Burkina Faso 6 1 1 1 1 2
Burundi 5 3 2
Kameroen 27 12 2 5 2 4 2
Kaapverdië 1 1
Kongo 5 1 2 2
Ivoorkust 17 5 1 2 2 2 1 2 2
Ethiopië 42 25 10 1 1 3 2
Gabon 14 4 1 2 3 2 2
Gambia 2 1 1
Ghana 23 9 2 3 3 5 1
Guinee 3 1 1
Kenia 29 14 4 4 2 1 3 1
Lesotho 2 2
Liberia 4 1 1 1 1
Madagascar 4 1 2 1
Malawi 20 18 1 1
Mali 6 2 2 2
Mozambique 4 1 1 1 1
Namibië 3 1 1 1
Niger 4 1 1 1 1
Nigeria 35 21 2 2 4 6
Oeganda 5 2 1 1 1
Centr.-Afr. Rep 4 2 1 1
Dem. Rep. Kongo 9 2 1 2 2 2
Rwanda 5 2 1 1 1
Senegal 20 10 2 1 1 4 2
Seychellen 2 1 1
Sierra Leone 3 1 1 1
Soedan 9 1 3 1 1 2 1
Swaziland 6 3 1 1 1
Tanzania 36 19 5 1 3 1 4 3
Togo 3 1 2
Zambia 21 7 2 2 2 2 5 1
Zimbabwe 21 7 2 2 2 3 1 1 2
Totaal (met Zuid-Afrika) 602 232 76 35 50 38 24 90 57
Totaal (zonder Zuid-Afrika) 430 202 45 24 29 32 7 53 38

Bron : UNESCO, World Science Report, 1998

Tabel 2: Aantal personen werkzaam in instellingen voor wetenschappelijk onderzoek in Afrika in 1995



Land onder-
zoekers steun-
personeel technici hulp-
personeel niet
verdeeld totaal
Angola 17 114 20 60 0 211
Zuid-Afrika 3.799 1.199 2.678 4.196 5.074 16.946
Benin 41 40 28 26 0 135
Botswana 92 31 122 122 0 367
Burkina Faso 265 236 248 456 0 1.205
Burundi 135 6 210 2.028 0 2.379
Kameroen 655 578 1.928 1.949 0 5.110
Kaapverdië 17 13 9 50 0 89
Kongo 47 13 53 33 0 146
Ivoorkust 219 75 112 1.013 127 1.546
Ethiopië 2.473 142 570 2.316 52 5.553
Gabon 4 0 11 23 5 43
Gambia 4 6 7 100 0 117
Ghana 436 514 280 4.620 21 5.871
Guinee 50 10 5 0 49 114
Kenia 797 692 656 3.223 464 5.832
Lesotho 10 5 0 9 0 24
Liberia 34 118 54 39 0 245
Madagascar 178 84 607 143 0 1.012
Malawi 185 210 344 986 568 2.293
Mali 74 46 57 181 0 358
Mozambique 21 53 29 187 309 599
Namibië 24 3 7 33 0 67
Niger 90 5 234 412 0 741
Nigeria 937 1.005 1.991 3.980 0 7.913
Oeganda 136 107 64 259 0 566
Centr.-Afr. Rep 6 16 60 17 109 208
Dem. Rep. Kongo 141 112 256 139 535 1.183
Rwanda 83 145 93 563 0 884
Senegal 286 157 268 890 6 1.607
Seychellen 8 2 10 5 0 25
Sierra Leone 4 1 0 5 0 10
Soedan 83 100 882 500 0 1.565
Swaziland 32 15 73 84 15 219
Tanzania 916 1.212 703 3.238 0 6.069
Togo 32 5 29 42 0 108
Zambia 315 186 470 853 37 1.861
Zimbabwe 528 74 761 3006 0 4.369
totaal (met Zuid-Afrika) 13.174 7.330 13.929 35.786 7.371 77.590
totaal (zonder Zuid-Afrika) 9.375 6.131 11.251 31.590 2.297 60.644

Bron : UNESCO, World Science Report, 1998

EEN GROTE ACHTERSTAND OP DE REST VAN DE WERELD

De achterstand van Afrika op de rest van de wereld is opvallend wanneer men als indicator het aantal wetenschappelijke publicaties per wereldregio neemt. Volgens UNESCO was de verdeling in 1985 als volgt.

Tabel 3: Verdeling van de wetenschappelijke productie over de grote wereldregio’s in 1995



wereldregio
percentage artikelen in
wetenschappelijke publicaties

Noord-Amerika
38,40%

West-Europa
35,80%

Japan + nieuwe industrielanden Azië
10,10%

GOS (Gemenebest Onafhankelijke Staten)
4,00%

Oceanië
2,80%

India en Centraal-Azië
2,10%

Midden- en Oost-Europa
2,00%

Latijns Amerika
1,60%

China
1,60%

Sub-Sahara-Afrika
0,80%

Arabische landen
0,70%

Zuidoost-Azië
0,10%




Een andere indicator is het gedeelte van het Bruto Nationaal Inkomen (het BNI, dat in de economische statistieken in de plaats komt van het BNP) dat aan onderzoek en ontwikkeling besteed wordt. Het wereldgemiddelde ligt op 1,40 procent maar in Afrika is het slechts 0,30 procent.

Tabel 4: Bestedingen voor onderzoek en ontwikkeling als een percentage van het Bruto Nationaal Inkomen, UNESCO, World Science Report, 1998



wereldregio
bestedingen voor Onderzoek en Ontwikkeling (percentage van het BNI)

Noord-Amerika
2,4%

Japan + nieuwe industrielanden Azië
2,3%

West-Europa
1,8%

Arabische landen
1,4%

GOS
1,0%

Midden- en Oost-Europa
0,8%

India en Centraal-Azië
0,6%

China
0,5%

Latijns Amerika
0,4%

Zuidoost-Azië
0,3%

Sub-Sahara-Afrika
0,3%




In 1994 werd in de wereld 470 miljard dollar voor onderzoek en ontwikkeling uitgegeven. Sub Sahara Afrika droeg 2,3 miljard dollar bij of 0,5 procent van het wereldtotaal. Er zijn grote multinationale ondernemingen die bijna evenveel aan onderzoek en ontwikkeling uitgeven als gans Afrika ten zuiden van de Sahara. Ter vergelijking: Monsanto besteedde in 1998 ongeveer 685 miljoen dollar aan wetenschappelijk onderzoek.

WAT IS WETEN IN AFRIKA?

Onderzoek en kennisproductie zijn processen waarbij gevestigde zekerheden voortdurend betwijfeld en omvergeworpen worden. In de traditionele maatschappijen wordt de kennisoverdracht geregeld door de gemeenschap. Ze gaat van de ouderen naar de jongeren en is gebaseerd op drie principes: waarneming, nabootsing en herhaling (voortzetting). In dat proces is er weinig onderscheid tussen het leven (van de jongeren), de samenleving en het leerproces. Deze traditionele manier van kennisoverdracht heeft haar beperkingen die soms op de moderne kennisoverdracht overgedragen worden. Een voorbeeld: ouderen met een grote kennis van de geneeskrachtige werking van planten, willen die kennis slechts op hoge leeftijd overdragen maar overlijden dikwijls voortijdig. Een ander voorbeeld: de vermenging van magische kennis en natuurwetenschappelijke kennis en de concentratie van de kennis van de ouderen, maken dat kritische bevraging niet gemakkelijk getolereerd wordt.

EEN VIJANDIGE OMGEVING VOOR HET VOORTBRENGEN EN VERSPREIDEN VAN KENNIS

In Afrika gebeuren onderzoek en ontwikkeling in hoofdzaak in publieke instellingen en zijn er weinig private onderzoekscentra. Daardoor kampt het onderzoek met de kwalen die de publieke sector in het algemeen teisteren: een gebrek aan middelen en slecht beheer. Als de overheid financiële moeilijkheden heeft en structurele aanpassingen moet doorvoeren, zullen de onderzoekscentra en het onderwijs het eerst beknot worden.

De voornaamste kwalen in het hoger onderwijs zijn: een aangroei van het aantal personeelsleden zonder dat de noodzakelijke infrastructuur en de middelen meegroeien, langdurige perioden waarin geen les wordt gegeven zodat het intellectueel peil van de studenten daalt, lage lonen zodat het onderwijzend en ander personeel bijkomende inkomsten moet zoeken. Sinds 1996 hebben meer dan 20 Afrikaanse landen grote interne conflicten of burgeroorlogen gekend die de kennisproductie sterk gehinderd hebben. Een studie van het Centre de Recherches pour le Développement International leert het volgende.

Tabel 5: Niet-wetenschappelijke activiteiten om de eindjes aan mekaar te knopen



Kongo
Tsjaad
CAR
Liberia
Sierra Leone
Dem. Rep. Kongo

schulden bij derden
X
X
X
X

kleine bijbaantjes doen
X
X
X

les geven aan andere universiteiten
X
X
X
X
X

les geven in secundair onderwijs
X
X
X
X

consultancy werk
X
X
X
X
X
X

uitgaven verminderen
X
X
X
X
X

betaald onderzoek doen
X
X
X
X
X

overuren doen
X

overleven dankzij inkomen partner
X
X
X

privé-lessen geven
X
X
X
X

niets want geen kansen
X
X


In alle landen ontbreken de minimale materiële voorwaarden om onderzoek te doen en kennis voort te brengen.

Tabel 6: Materiële beperkingen die onderzoek en ontwikkeling belemmeren (percentages van het aantal onderzoekers)



indicator
Kongo
Tsjaad
CAR
Liberia
Sierra Leone
Dem. Rep. Kongo
Totaal

beschikking over PC
27.8%
41.7
50.0
20.0
33.3
25.0
32.0

beschikking over eigen werkruimte
50.0
60.7
87.5
80.0
91.7
75.0
71.6

beschikking over eigen bibliotheek
55.6
50.0
75.0
20.0
50.0
91.7
59.7

abonnement op tijdschriften
27.8
33.3
25.0
20.0
16.7
33.3
26.9

beschikking over e-mail
5.6
41.7
25.0
20.0
25.0
25.0
22.3

beschikking over fax
11.1
8.3
37.5
40.0
16.7
16.7
17.9

onderzoekstoelage 1994
27.8
25.0
00.0
00.0
33.3
8.3
19.4

onderzoekstoelage 1996
27.8
25.0
12.5
00.0
33.3
16.7
22.4

onderzoekstoelage 1998
22.2
25.0
00.0
20.0
8.3
25.0
17.9

overheidstoelage
50.0
16.7
25.0
40.0
41.7
8.3
31.3

lokale sponsor
11.1
00.0
00.0
40.0
33.3
8.0
13.4

toelage werkgever
27.8
16.7
25.0
20.0
25.0
8.3
20.9

problemen om onderzoeksprojecten te schrijven
16.7
16.7
25.0
10.4

geweigerde projecten
5.6
8.3
12.5
8.3
8.3
7.5

geen contacten sponsors
27.8
41.7
12.5
60.0
41.7
41.7
35.8

geen gunstige omgeving voor onderzoek
44.4
33.3
37.5
40.0
66.7
91.7
53.7




Naast de materiële tekorten zijn er ook nog de politieke hinderpalen. Bij gebrek aan duidelijke regels voor aanwervingen en bevorderingen zullen de selectieprocedures de bestaande hiërarchie bevestigen. Conservatisme inzake methoden van onderzoek en onderwijs triomfeert dan. Bovenop dit alles komen nog de puur partijpolitieke remmen: onderzoekers of docenten die tot de oppositie behoren, wordt het leven niet gemakkelijk gemaakt.

AARD EN OMVANG VAN DE HERSENVLUCHT VANUIT AFRIKA

Migratie van het intellect komt in alle landen voor, maar benadeelt de landen van het Zuiden en in het bijzonder Afrika. We kunnen verschillende vormen van migratie onderscheiden. Er zijn ten eerste migraties tussen hoogontwikkelde landen die zich in verschillende stadia van de technologische ontwikkeling bevinden. Er zijn verder migraties van de ontwikkelde landen naar de ontwikkelingslanden in het kader van de technische bijstand of van strategieën van landen of ondernemingen (marktonderzoek of overplaatsing van productie). Er is ten derde de migratie van intellect van ontwikkelingslanden naar de ontwikkelde landen. En we kunnen hieraan nog een vierde vorm toevoegen, de migraties tussen landen van het Zuiden. Van deze vier vormen heeft de braindrain van het Zuiden naar de ontwikkelde landen de schadelijkste effecten.

Uit een studie van het Internationaal Monetair Fonds (de auteur verwijst naar de studie van Carrington en Detragiache die in dit cahier besproken wordt - n.v.d.r.) blijkt dat de migratie uit de ontwikkelingslanden naar de lidstaten van de OESO de volgende kenmerken vertoont: 1) de migranten hebben over het algemeen minstens een opleiding op secundair niveau gevolgd; 2) zestig procent van de emigranten uit Afrika hebben een hogere opleiding; 3) sommige Afrikaanse landen verliezen een aanzienlijk deel van hun hooggeschoolden aan het Noorden.

MIGRATIE VAN HET INTELLECT ONDER DWANG

Wij onderscheiden drie factoren die een sterke ‘dwang’ uitoefenen op de Afrikaanse intellectuelen: een mondiale strategie, het streven naar betere arbeidsvoorwaarden en een omgeving die de ontwikkeling van een positief intellectueel onderzoeksklimaat in de weg staat.

Op mondiaal niveau is er een bewuste strategie om het Zuiden van zijn intellectuele hulpbronnen te beroven. De landen uit het Noorden, de Verenigde Staten op kop, voeren een beleid van toekenning van visa en van toekenning van de nationaliteit (naturalisaties) dat gericht is op het aantrekken van intellectuelen uit het Zuiden. Het gaat in feite om een moderne versie van de handel in zwarte slaven. In de tijd toen de landbouw de motor van de economische ontwikkeling was, werden de ‘sterke armen’ uit Afrika weggehaald. Nu de beheersing van kennis en technologie de doorslaggevende factor geworden is, worden de ‘grijze cellen’ weggehaald. Door de veroudering van de bevolking in de industrielanden kan aan de behoefte aan geschoolde arbeidskrachten niet meer voldaan worden en daarom zoekt het Noorden oplossingen in de ontwikkelingslanden.

Deze vergelijking kan overdreven lijken, omdat er nu, in tegenstelling tot de zeventiende en achttiende eeuw, geen fysieke dwang uitgeoefend wordt. Maar er is nu wel een zeer grote ongelijkheid, en die beperkt de keuzevrijheid van de Afrikaan. Internationale solidariteit zou de armste landen moeten toelaten hun belangrijkste hulpbron, het menselijk kapitaal, in eigen land te houden. Maar in plaats daarvan internationaliseert de moderne technologie (vliegtuig, telefoon en fax, internet) de arbeidsmarkt voor hooggeschoolden en lok zij de Afrikaanse intellectuelen weg.

Maar deze internationale context is niet de enige en wellicht niet eens de voornaamste oorzaak van de braindrain. De lage lonen en de slechte arbeidsvoorwaarden, in vergelijking met de ontwikkelde landen, vormen de tweede factor. De lonen in de rijke landen laten toe redelijk te leven en zich intellectueel te ontplooien. Juist dit gebrek aan kansen in Afrika zelf is het voornaamste motief voor emigratie.

Er is ten derde het ontbreken van een stimulerende omgeving. In de landen van het Noorden zijn de arbeidsomstandigheden ideaal: materiaal en machines van goede kwaliteit en in voldoende hoeveelheden, een redelijk werkende overheidsadministratie. In het Noorden kan men zijn capaciteiten ontplooien op de terreinen die men zelf kiest, in Afrika tellen verdiensten en uitmuntendheid niet maar heersen de mandarijnen. In Afrika laat het politieke systeem weinig ruimte voor intellectuele vrijheid, de liberale democratieën in het Noorden kennen minder beperkingen op de bloei van individuele bekwaamheden. De bescherming van het intellectueel eigendom in het Noorden trekt eveneens mensen aan die de vruchten van hun intellectuele arbeid willen plukken.

De omvang van de braindrain moet onze regeringen zorgen baren. Zij mogen de migratie van het intellect niet zien als een oplossing voor de werkloosheid bij hooggeschoolden. Dat zou een vergissing zijn die de toekomstige generaties nog moeilijk kunnen herstellen want de migratie van het intellect is te beschouwen als een uitvoer van nationale rijkdom zonder tegenprestatie.

HOE DE TENDENS OMKEREN OF OP ZIJN MINST VOORDEEL HALEN UIT DE BRAINDRAIN?

De hersenvlucht kan voor Afrika ook positief zijn, als het tenminste een voorbijgaand verschijnsel is: jonge Afrikanen die een tijd in Europa of Noord Amerika studeren en werken, en dan naar hun land terugkeren, brengen nuttige kennis en ervaring mee. Deze ‘omgekeerde hersenvlucht’ is in de groeilanden van Azië reeds een realiteit, hoewel het tot nu toe nog maar om kleine aantallen mensen gaat.

Twee factoren kunnen de terugkeer in de hand werken: de inkrimping van de arbeidsmarkt in de industrielanden, en de inspanningen van landen die wetenschappelijke apparatuur naar het Zuiden uitvoeren en die dus belang hebben bij het behoud van onderzoekactiviteiten in die landen. Maar de terugkeer zal slechts merkbare proporties aannemen als het Zuiden zijn teruggekeerde intellectuelen productief kan inzetten. Dit veronderstelt het volgende: een goed economisch beheer, zodat middelen vrijkomen voor onderwijs en onderzoek, het herstel van een universitaire ‘cultuur’ in de instellingen voor hoger onderwijs, een herwaardering van de functies van docent en onderzoeker, vrijheid van opinie en meningsuiting aan de onderzoeksinstellingen en in het maatschappelijk leven, en tenslotte ook regionale samenwerking om ‘centra van uitmuntendheid’ te vormen.

De auteur is regionaal directeur voor West- en Centraal-Afrika van het ‘Centre de Recherches pour le Développement International’ in Dakar (Senegal). Deze tekst werd voorgesteld op een regionale conferentie over braindrain in februari 2000 in Addis Abeba (Ethiopië). Deze conferentie werd georganiseerd door de Economische Commissie voor Afrika van de Verenigde Naties, de Internationale Organisatie voor Migraties (IOM) en het Centre de Recherches pour le Développement International.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3195   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift