Afrika’s toekomst oogt minder zwart

De explosieve economische expansie van de Aziatische landen biedt ook Afrika kansen. Of die ook tenvolle benut worden, hangt onder meer af van de kwaliteit van het bestuur.
Het BNP van alle 54 Afrikaanse landen samen is maar tweemaal groter dan dat van de 5 miljoen Finnen. Tussen 1960 en nu liep het aandeel van Afrika in de wereldproductie terug van 2 naar 1 procent. Aids blijft het continent teisteren en de uitschakeling van miljoenen mannen en vrouwen in de bloei van hun leven is naast een menselijke ook een economische ramp. Hoeft het gezegd dat de meeste Afrikaanse landen voor de millenniumdoelen -die tegen 2015 de armoede moeten halveren- niet op schema zitten?
Toch is dat maar een deel van het verhaal. Zo zegt de UNCTAD, de Conferentie voor Handel en Ontwikkeling van de Verenigde Naties, in haar laatste rapport over handel en ontwikkeling dat de economische situatie voor de ontwikkelingslanden, inclusief Afrika, sinds het begin van de jaren zeventig nog nooit zo gunstig is geweest.
De UNCTAD is een van de VN-organisaties die het dichtst bij de zaak van de ontwikkelingslanden staat. Ze stelt dat het inkomen per hoofd in de ontwikkelingslanden tussen 2003 en 2007 met liefst dertig procent steeg, tegenover “maar” tien procent in de rijke landen. Oost-Azië, met vooral reus China, en Zuid-Azië, met India, spannen daarbij inderdaad de kroon: het inkomen per hoofd verdubbelde er op veertien jaar tijd, al is daarmee niets gezegd over de werkelijke verdeling van die nieuwe rijkdom.
Maar ook Afrika zag de voorbije jaren zijn inkomen stijgen, onderstreept de UNCTAD. Gemiddeld nam het inkomen per hoofd er met 3 procent toe. Dat Afrika daarmee het laagste cijfer van alle continenten haalt, komt niet zozeer omdat de groei er minder is maar omdat de bevolking er sneller toeneemt.
Het Internationaal Muntfonds (IMF) verwacht voor dit jaar zelfs een groei van de Afrikaanse economie met 7 procent. Dat is de groei die nodig werd geacht om tegen 2015 de millenniumdoelen te kunnen halen. Voorwaarde is dat die groei wordt aangehouden én dat de rijkdom goed wordt verdeeld, noteert het IMF.
Hier en daar valt nu al goed nieuws over de millenniumdoelen te noteren. Zes van de zeven landen waar het percentage kinderen dat het basisonderwijs afwerkt het meest toenam, zijn er Afrikaanse. Ook de helft van de tien landen waar de toegang tot zuiver drinkwater het meest verbeterde, zijn Afrikaans.
Heeft Afrika dan een economische metamorfose doorgemaakt? Niet echt. De meeste Afrikaanse landen blijven sterk afhankelijk van de uitvoer van grondstoffen of aan grondstoffen gelieerde producten. Maar die grondstoffenprijzen zijn sterk gestegen omdat de razende ontwikkeling in de andere ontwikkelingslanden, China op kop, de vraag naar grondstoffen dramatisch doet aanzwellen. Olieproducent Angola voert de lijst van Afrikaanse groeiers aan: vorig jaar groeide de economie er met 15 procent, dit jaar wordt 35 procent verwacht.

Grondstoffenbonanza


De prijs voor alle grondstoffen samen is tussen 2002 en 2006 met 88 procent gestegen. Daarbij is er wel een groot verschil tussen voedselgrondstoffen die met net geen 50 procent stegen en delfstoffen die haast verdrievoudigden in prijs (+177 procent).
Dat laatste komt vooral omdat de vraag naar ertsen sterk is toegenomen terwijl het aanbod niet voldoende snel kon volgen. Productieverhoging vergt in die sector immers zware investeringen en tijd. Het is best mogelijk dat de prijzen over enkele jaren opnieuw dalen, als er ondertussen investeringen werden gedaan die tot een effectievere productie leiden.
Tot slot is er natuurlijk de ruwe olie, waarvan de prijs op tien jaar verviervoudigd is.

Stijgingspercentage van de grondstoffenprijs tussen 2002-2006:
IJzererts: 160%
Aluminium: 90%
Koper: 331%
Nikkel: 257%
Zink: 311%
Lood: 184%
Tin: 116%
Tungsteen: 336%
Goud: 95%


Posifief saldo


Aangezien de meeste Afrikaanse landen het leeuwendeel van hun exportinkomsten uit de verkoop van grondstoffen halen, komt er door die stijgende grondstoffenprijzen meer geld in het laatje. Geld waarmee ze ook effectief meer kunnen kopen, omdat de prijs voor industriegoederen veel minder is gestegen (gemiddeld met 20 procent). Volgens het IMF is de evolutie van de prijzen globaal gezien een positieve zaak voor ruim twee derde van de Afrikaanse landen.
Tussen 2000 en 2005 nam de Afrikaanse uitvoer in dollars met 75 procent toe, dat is evenveel als de vijftien jaar voordien. Olie was goed voor liefst 65 procent van die toename. Textiel en kledij en transportmaterieel zijn de enige belangrijke exportproducten die niet gebaseerd zijn op de aanwezigheid van grondstoffen.
Het IMF onderstreept dat de meeste landen er niet in geslaagd zijn veel industriegoederen uit te voeren, of hun grondstoffen meer zelf te verwerken tot (half)afgewerkte producten.
Toch is de groei niet uitsluitend gebaseerd op de grondstoffen. Door de schuldkwijtscheldingen kregen overheden meer ademruimte om zelf uitgaven te doen die de groei ten goede komen. Er wordt ook meer geïnvesteerd in de lokale economie. Overheden voeren een verstandiger economisch beleid dan bij vorige prijshausses, meent het IMF.
Hoe dan ook is het belangrijk de extra inkomsten uit grondstoffen verstandig te gebruiken. De grondstoffenvoorraden zijn immers eindig –de Afrikaanse olievoorraden zijn veel kleiner dan die in het Midden-Oosten– en moeten gebruikt worden om Afrika’s plaats in de wereldeconomie te verzekeren tegen het moment dat de grondstoffenrijkdom wegebt.

Bestuur meer dan ooit belangrijk


In het verleden is dikwijls gebleken dat hoge grondstoffenprijzen de bevolking amper ten goede kwamen. Zozeer zelfs dat men ging spreken van een olievloek: olie-inkomsten worden door de politieke leiders vaak gebruikt om er een repressie-apparaat mee te financieren waarmee ze hun bevolking kunnen dwingen hun corruptie te aanvaarden. Zal het nu anders gaan? De nieuwe Congolese mijncontracten die al te weinig in petto hebben voor de Congolese bevolking -zie MO.be- tonen aan dat het probleem nog actueel is.
Eind september pakte de ngo Transparency International uit met zijn jaarlijkse corruptie-index, die alle rangschikt naargelang hun graad van corruptie. Daaruit blijkt dat vooral arme landen geteisterd worden door corruptie. 36 van de 54 Afrikaanse landen leiden zeer zwaar onder corruptie (ze halen minder dan 3 op 10 terwijl bijvoorbeeld de Scandinavische landen meer dan 9 op 10 halen). Vraag daarbij is natuurlijk: zijn landen arm omdat er corruptie is, of omgekeerd? Allicht zijn beide het geval en is er vaak sprake van een vicieuze cirkel. Toch boekt een aantal Afrikaanse landen vooruitgang, onderstreept Transparency: Zuid-Afrika, Namibië, de Seychellen en Swaziland weten de corruptie in te perken.
Goed bestuur houdt overigens heel wat meer in dan alleen maar vrij van corruptie zijn. We wezen er al eerder op -zie MO.be- dat goed bestuur niet zo makkelijk te meten is, en dat er ook in Afrika een nieuwe generatie politici is die meer aandacht heeft voor de kwaliteit van het bestuur.
Landen zijn in de eerste plaats zelf verantwoordelijk voor de aard van hun bestuur.
Tegelijk heeft ook de internationale gemeenschap hierin een rol te spelen, benadrukt Transparency International. Rijke landen moeten er bijvoorbeeld op toezien dat het anti-omkoopverdrag dat ze getekend hebben, nageleefd wordt.
De strijd tegen het witwassen van corruptiegeld –dikwijls in zogenaamde offshore belastingparadijzen– is een mondiale verantwoordelijkheid. De rol van belastingparadijzen gaat overigens verder dan witwaspraktijken. Veel buitenlandse bedrijven die Afrikaanse grondstoffenrijkdommen exploiteren, zijn bijvoorbeeld gevestigd in Caribische eilandjes. Dat doen ze allicht niet met de bedoeling veel belastingen in Afrika te betalen.
Hoeveel van de hogere grondstoffenprijzen blijft overigens in de Afrikaanse landen als de exploitatie in handen is van buitenlandse bedrijven? De UNCTAD behandelde de kwestie in zijn rapporten over handel en ontwikkeling van 2007 en 2005. Alfredo Calcagno van de UNCTAD: ‘Als de industrie in handen is van staatsondernemingen wordt er minder geld naar het buitenland gedraineerd. Transnationale ondernemingen sturen immers veel winst terug naar hun buitenlandse aandeelhouders, ook al omdat veel ontwikkelingslanden investeerders aantrekken met extreem gunstige fiscale regimes.’ De UNCTAD wijst er verder op dat de grote werkloosheid in veel ontwikkelingslanden ervoor zorgt dat de bedrijven hun grotere winst niet hoeven te vertalen in hogere lonen voor de werknemers. Dalen de exportprijzen, dan wordt dat net wel makkelijker verhaald op de lonen.
Marc Moody-Stuart, de grote baas van mijnbedrijf AngoAmerican, vindt wat bedrijven aan belastingen betalen niet de belangrijkste bijdrage aan het continent: ‘AngloAmerican boekte vorig jaar 5 miljard dollar winst in Afrika. Daarvan ging 3,2 miljard als dividend naar de aandeelhouders. Onze 100.000 werknemers ontvingen 2,6 miljard dollar en we kochten voor 7,6 miljard dollar aan goederen en diensten in Afrika. Die 10,2 miljard dollar, dat is onze echte impact op Afrika, veel meer dan 1,6 miljard dollar aan taksen die we betalen.’

Kansen, hoe dan ook


Er is nog een nieuw gegeven in Afrika: naast de investeerders en donoren uit westerse landen zijn er nu de Aziatische geldschieters. Vooral China ontpopt zich als een ernstige financier. De meeste Chinese leningen zijn goedkoper dan wat de banken zouden vragen, maar hoe goed de voorwaarden zijn, is niet erg duidelijk.
Begin dit jaar telde het IMF al 19 miljard dollar aan Chinese leningen in Afrika. Dat was nog voor Beijing besliste om voor 5 miljard dollar te investeren in grote infrastructuurwerken in Congo. Daarbovenop komt de 5 miljard dollar aan hulp die China op de Afrikaanse top in oktober 2006 toezegde. China schold ook 260 miljoen dollar schulden kwijt.
In contrast daarmee staat volgens het IMF de hulp van de rijke landen aan Afrika, die ondanks alle beloften sinds 2003 niet is toegenomen. Tenzij je de schuldkwijtschelding aan Nigeria zou meerekenen als hulp.
Marc Moody-Stuart, baas van mijnbedrijf AngloAmerican, vindt de Chinese tussenkomst een goede zaak. ‘Als er meerdere geldbronnen zijn, daalt de prijs van het kapitaal in Afrika. Dat is goed. De typische kracht van China is dat het inzet op infrastructuurwerken en voluit overheidssteun geeft. Dat kan Europa stimuleren om ook weer meer aandacht te hebben voor infrastructuur.’
De Chinese plannen voor de uitbouw van Noord-Zuid- en Oost-Westverbindingen door het hart van Afrika zijn indrukwekkend en maken de regionale integratie van Centraal-Afrika mogelijk. Het IMF houdt niet op te benadrukken dat juist de gebrekkige infrastructuur en het gebrek aan regionale integratie grote knelpunten zijn voor de economische ontwikkeling in Afrika.
Het ziet er dus naar uit dat China daaraan zal verhelpen –de Wereldbank laat zich hier eigenlijk de kaas van het brood eten– zij het in ruil voor een goede toegang tot de grondstoffen van Afrika én tot Afrikaanse markten. Dat laatste houdt gevaren in: veel Afrikaanse producenten kunnen niet op tegen de goedkope Chinese import.
Het is dus afwachten hoe het allemaal uitpakt. Het minste dat je kan zeggen, is dat er heel wat beweegt. Hogere grondstoffenprijzen, iets beter bestuur, de komst van China: deze tijd biedt kansen voor Afrikaanse landen, maar houdt ook gevaren in.

Bedrijfsleider Moody-Stuart ziet visionaire leiders in Afrika
Marc Moody-Stuart is voorzitter van het grote mijnbedrijf AngloAmerican én van de Global Bussiness Coalition Against HIV/AIDS, Tuberculosis and Malaria, (een samenwerkingsverband van ondernemingen die middelen vrijmaken voor bestrijding van die ziektes).

Hij heeft er een heel leven als bedrijfsleider in tal van ontwikkelingslanden opzitten. Hij ziet ‘duidelijke verbetering inzake bestuur’ in Afrika. ‘Dat landen in het kader van de Afrikaanse Unie elkaars bestuur evalueren en bespreken, is een stap vooruit.

Ook positief is dat landen als Nigeria en Ghana echt meewerken aan het EITI (Extractive Industry Transparency Initiative) dat transparantie wil brengen in de grondstoffenindustrie. Dat betekent concreet dat ondernemingen publiek zullen maken wat ze aan de regering betalen. Vervolgens is het aan de regering om bekend te maken wat ze met dat bedrag zal aanvangen. Natuurlijk is er geen enkele regering die zoiets leuk vindt.

Wij hebben ook aan Noorwegen en het Verenigd Koninkrijk gevraagd om toe te treden tot EITI. Ze doen het niet want ze storten liever hun oliekomsten in de algemene pot dan dat ze bekend zouden maken wat ze specifiek met die inkomsten aanvangen.’ Moody-Stuart erkent dat het prentje in Angola en de Democratische Republiek Congo minder rooskleurig is, al hoopt hij dat herevaluatie van de Congolese mijncontracten positieve effecten zal hebben.

Mozambique en Tanzania springen er voor hem uit als landen die de voorbije vijftien jaar relatief goed bestuurd werden. Welke factoren daarin meespelen? ‘Dat je leiders hebt met een visie op de ontwikkeling van hun land. Ik heb voor Shell in acht verschillende landen gewerkt. In de jaren zestig zat ik in Oman, toen nog bijna een middeleeuws land. Sindsdien heeft de sultan de olierijkdom van het land gebruikt in het voordeel van zijn volk. Ook Maleisië is op veertig jaar totaal gemoderniseerd. Wat die landen kenmerkte, was dat ze visionaire leiders hadden. Ze hadden misschien een visie waarmee je niet noodzakelijk helemaal akkoord ging, maar ze hadden een strategie en die leverde resultaten op. Dat soort leiders zie ik nu ook in Afrika. Mozambique is een mooi voorbeeld. Wat daar is gebeurd na 1992, is sterk.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3100   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur