Albanië, land in transitie

Zeventien jaar geleden was Albanië nog volledig geïsoleerd van de rest van de wereld. Vandaag prijkt aan de verre horizon het Europees lidmaatschap. Maar elk transitieproces gaat gepaard met groeipijnen.
  • Kristof Clerix 'Honderden jaren hebben sommige landen nodig gehad voor de veranderingen die Albani Kristof Clerix
Rond het huis van Besian staat een metershoge muur met een grijze, ijzeren poort. Zijn slaapkamerraam is dichtgemetseld, op de koer houden drie honden de wacht. Nog nooit heeft de jongen van dertien een voet buiten de deur gezet –bang om vermoord te worden. Om de tijd te doden, kijkt Besian veel tv, liefst Albanese films of buitenlands voetbal. De Franse bleues zijn zijn topfavoriet. En drie keer per week komt een juf langs om Besian les te geven. Compleet afgesloten van de buitenwereld woont Besian samen met zijn zusje, moeder, tante, neefje, nichtje en grootouders. Zijn vader en twee nonkels zijn vermoord –het resultaat van een bloedvete waarin zijn familie verwikkeld is na een uit de hand gelopen ruzie over schapen.
foto: Kristof ClerixSinds de val van het Albanese communistisch regime in 1991 leeft de oude traditie van de Kanun opnieuw op in Noord-Albanië. Het boek, intussen meer dan vijfhonderd jaar oud, regelt alle aspecten van het dagelijkse leven. De meest bekende paragraaf stelt dat ‘bloed gewroken moet worden met bloed’.
‘De meeste regels van de Kanun zijn goed voor het Albanese volk’, zegt Gjin Marku, voorzitter van het Comité voor Nationale Verzoening, een ngo die bemiddelt bij Kanun-bloedvetes. ‘In feite is de Kanun erop gericht moorden te voorkomen. Het merendeel van de regels slaat op verzoening en vrede. Maar het probleem is dat de mensen de Kanun niet kennen. Ze denken dat ze de wetten goed toepassen, maar geven er een foute interpretatie aan. En op die manier gaat het moorden door.’
Zo stelt de Kanun dat vrouwen en kinderen gespaard moeten blijven in een bloedvete. Daar is Besian vet mee. Een bemiddelingspoging van het Comité voor Nationale Verzoening –dat naar eigen zeggen in een op twee gevallen succes boekt– is op niets uitgedraaid.
Volgens Gjin Marku zijn in Albanië sinds 1991 al zesduizend mensen gedood ten gevolge van een bloedvete, en leven momenteel 1300 gezinnen geïsoleerd in hun huizen. De cijfers zijn moeilijk te controleren, maar feit is dat de Kanun in een aantal gebieden in het noorden van Albanië helemaal terug is van weggeweest. Marku: ‘Tijdens het communisme was de Kanun streng verboden. Wie bloedwraak nam, kon opgehangen worden.’ Door de val van het communisme en vervolgens het ineenstorten van een wijdverbreid pyramidesysteem –waarbij heel wat Albanezen in 1997 have en goed kwijtspeelden– belandde het land in een complete anarchie.
Marku: ‘De instellingen waren zwak, democratie en mensenrechten nog onbekend, en wetten bestonden nauwelijks of werden niet aanvaard. Zo is er de beruchte wet 7501, die het grondbezit regelt. Omdat heel wat Albanezen die wet niet aanvaardden, bleven conflicten over grond vaak onbeslecht. De mensen grepen terug naar de Kanun om de situatie op te lossen. Vooral in het noorden wordt de Kanun opnieuw toegepast, maar psychologisch heeft het boek over heel het grondgebied van Albanië een invloed. Het is hier belangrijker dan de Bijbel en de Koran.’
Besian toont zijn huis, dat geurt naar vers gebakken brood. Aan de muur hangen kaders met foto’s van zijn vermoorde familieleden. Buiten op de koer van twintig meter op tien staat een waterput en een appelboom. Katten spelen in de druivenranken, op de achtergrond prijkt de moskee van Bushat. Besians familie leeft van wat ze zelf produceert, en van een maandelijkse kerkgift van om en bij de twintig euro. De jongen kijkt naar de muur. ‘Zelf zou ik graag in een echte voetbalploeg willen spelen’, zegt hij verlegen. ‘Maar dat gaat niet. Ik mag nooit buiten de poort. Te gevaarlijk. Ik geloof niet dat ik ooit vrij zal zijn.’ Gjin Marku is wat hoopvoller. Hij denkt dat de invloed van de Kanun zal afnemen naarmate het welvaartspeil in Albanië stijgt. ‘Armoede en een gebrek aan opleiding spelen zeker een rol in de heropleving van de Kanun. Ik verwacht dat de mentaliteit van de mensen zal veranderen wanneer de economische situatie in Albanië verbetert en de rechtspraak krachtdadiger wordt.’

Lazarat, Zuid-Albanië


foto: Kristof ClerixOp 25 kilometer van de Griekse grens prijkt het dorre Mali i Gjërë-gebergte in een schilderachtig landschap. Vlakbij de Unesco Werelderfgoedstad Gjirokaster –thuisbasis van de voormalige communistische leider Enver Hoxha en schrijver Ismail Kadare– kleurt de dorre bergflank plots groen. De oase –een gelijkzijdige driehoek volgens satellietbeelden van Google Maps– tekent de contouren van het dorpje Lazarat, een naam die in heel Albanië berucht is. Al decennialang staan de inwoners bekend als rebels.
Tijdens het communisme hadden de inwoners van Lazarat –traditioneel een rechts bastion– het zwaar te verduren. Maar na 1991 konden veel van hen aan de slag bij de douanepost aan de Griekse grens. Tot ze bij een daaropvolgende regimewissel hun jobs verloren en dan maar hun toevlucht zochten in het verbouwen van cannabis. Sindsdien overleeft het dorp als ’s lands grootste cannabisproducent –met een bijhorende reputatie van dien. Lazarat zou functioneren als een soort vrijstaat waar de Albanese overheid geen controle over heeft en waar politie en buitenstaanders niet binnenmogen. De naam was helemaal gemaakt toen de dorpelingen in augustus 2004 eigenhandig een Italiaanse politiehelikopter beschoten die luchtfoto’s maakte van de cannabisplantages.
Via via en na heel wat contacten op voorhand zou een uitzonderlijk bezoek aan Lazarat dan toch worden toegestaan. ‘Neem in Gjirokaster de minibus richting Lazarat’, klonkt het die zondagochtend eind september aan de telefoon. Tot puntje bij paaltje kwam en de contacten op het laatste nippertje plots afsprongen: ‘Je mag Lazarat wel binnen, maar op eigen risico. We kunnen je veiligheid niet garanderen.’ Exit Lazarat. ‘Het probleem is dat de cannabis net in deze periode geoogst wordt. Pottenkijkers zijn nu zeker niet welkom’, zegt Eugjëllush Serjani, lokaal correspondent in Gjirokaster van het Albanese dagblad Shqip. ‘Enkel voor begrafenissen mogen buitenstaanders binnen.’ 
Volgens de journalist is er sinds 1998 een boom in de cannabisteelt en worden dit jaar zowat 60.000 plantjes geoogst. ‘De inkomsten worden geschat op dertig miljoen euro. De zaden van deze oogst zijn trouwens geïmporteerd uit Nederland. Ze gedijen goed in het microklimaat van Lazarat.’ De cannabis gaat via onbewaakte doorgangen de Griekse grens over, richting Europa. ‘Lazarat is het rijkste dorp van Albanië. Door cannabis is het leven er radicaal veranderd. Dankzij de inkomsten kunnen dorpelingen hun kinderen naar scholen in Groot-Brittannië en de VS sturen. Sommige inwoners zijn gestopt met cannabisteelt en zetten nu legale activiteiten op: import van voeding en drank, handel in bouwmaterialen…’
Langs de weg aan de rand van Lazarat houdt zwaarbewapende politie een oogje in het zeil. Serjani: ‘De politie mag Lazarat niet binnen. Tenminste niet om op te treden tegen de cannabisteelt, wel voor andere zaken zoals moord of diefstal. In augustus heeft de politie in de buurt van Lazarat tien tankvoertuigen in beslag genomen, om de toevoer van water af te snijden. Elk jaar probeert de politie zulke concrete acties op te zetten. Zonder succes: de teelt gaat door.
De politie wil ook geen olie op het vuur gooien, en een gewapend conflict met Lazarat vermijden. Want de dorpelingen hebben kalashnikovs. Tijdens het communisme was in Lazarat immers een militaire eenheid gestationeerd, mét wapendepot.’ Journalist Serjani benadrukt dat niet heel Albanië mag gestigmatiseerd worden voor één dorp. ‘Trouwens, ik denk dat het probleem van Lazarat vanzelf zal verdwijnen, als Albanië er economisch op vooruit gaat. De kinderen van de cannabisboeren, opgeleid in het buitenland, zullen op een dag misschien wel in Brussel voor de EU werken.’
In 2004 toonde het helikopterincident voor de EU nog aan dat ‘de bestrijding van de georganiseerde criminaliteit en van de corruptie een cruciaal gebied is waarop aanzienlijke vooruitgang moet worden geboekt, omdat anders de integratie in gevaar komt.’ Vandaag is de toon wat milder. ‘Als er een dorp is waar de overheid en justitie geen controle over hebben, dan is dat niet goed’, reageert Helmut Lohan, ambassadeur van de Europese Commissie in Albanië. ‘Maar een dorp is een dorp. En ik ben er zeker van dat na verloop van tijd, wanneer Albanië het pad richting Europees lidmaatschap verderzet, het vraagstuk van Lazarat vanzelf zal verdwijnen.’

Tirana, Centraal-Albanië


foto: Kristof ClerixVrijdagavond. Op het centrale Skanderbegplein in de hoofdstad verzamelen duizenden Albanezen –voornamelijk aanhangers van de linkse oppositie– om te protesteren tegen de regering van premier Sali Berisha. De aanleiding voor de mars is het auto-ongeval van zakenman Kosta Trebicka, die midden september op klaarlichte dag en op een recht stuk weg om het leven kwam. Trebicka was de klokkenluider die een paar maanden eerder in de New York Times de link had blootgelegd tussen personen dichtbij de regering-Berisha, wapentrafiek van Albanië naar Afghanistan en de tragische explosies van munitiedepots in Gerdec in maart 2008.
Onder de demonstranten leeft de opvatting dat het ongeval van kroongetuige Trebicka wel op een opvallend gunstig moment kwam voor een aantal machthebbers. Komt daarbij dat de Gerdec-ramp –waarbij 26 mensen het leven lieten en honderden gewond raakten of hun huis verloren– sowieso al heel wat vragen oproept. Waarom besteedde de regering de vernietiging van tientallen jaren oude munitie uit aan een privé-bedrijf? En waarom gebeurde de ontmanteling midden in een woonwijk, op een kwartiertje van de hoofdstad, en dan ook nog eens door niet-gekwalificeerd personeel?
foto: Kristof ClerixHet wordt muisstil wanneer Edi Rama, de boomlange, charismatische burgemeester van Tirana en tevens belangrijkste oppositieleider van Albanië, het geïmproviseerde podium aan het hoofd van de protestmars bestijgt. ‘Als Kosta Trebicka om het leven zou zijn gekomen in een EU-land zoals Duitsland, Engeland of Frankrijk, zou niemand eraan gedacht hebben dat hij vermoord zou kunnen zijn. Maar in Albanië denkt iedereen eerst dat een kroongetuige vermoord is vooraleer andere opties te overwegen’, spreekt Rama de massa demonstranten toe. ‘Ons probleem is niet of premier Sali Berisha al dan niet een hand heeft in de dood van Trebicka. Ons probleem is dat Berisha een hand heeft in de dood van de hoop.’
Onder de demonstranten lopen ook aanhangers mee van Mjaft. Sinds 2003 neemt de ngo, gefinancierd door een aantal Westerse landen, het wanbeleid in Albanië op de korrel. Mjaft treedt tevens op als juridisch adviseur voor een aantal slachtoffers van de Gerdec-ramp. ‘Het grootste probleem in Albanië vandaag is dat de instellingen niet onafhankelijk zijn’, zegt Mjaft-woordvoerder Ervin Qafmolla. ‘De mensen geloven er niet meer in. Als de politiek een bepaalde onderzoeksrechter niet ziet zitten, wordt hij vervangen. Het rechtssysteem faalt. Ook de continuïteit in de adminstratie is een probleem.
Telkens wanneer een nieuwe politieke partij aan de macht komt, wordt de hele adminstratie omgegooid. Mensen die voor de overheid werken, zijn maar zeker van hun job tot aan de volgende verkiezingen. Daarom zullen ze in die periode zoveel mogelijk geld proberen te verzamelen. Het gevolg is corruptie, op alle niveaus.’ In de laatste corruptieperceptie-index van Tranparency International sprong Albanië weliswaar van de 105de naar de 85ste plaats, maar talrijke getuigenissen maken duidelijk dat corruptie nog steeds een dagelijkse realiteit is.

‘Albanië is Polen niet’


De heropleving van de Kanun in het noorden, de cannabisteelt in Lazarat en de problemen rond Gerdec zijn symptomatisch voor de transitieperiode waarin Albanië verkeert, de overgang van een postcommunistische anarchie naar een goedfunctionerende democratie met sterke instellingen en een duurzame economie. Albanië komt van ver. Gedurende decennia was het land immers compleet afgesloten van de buitenwereld. Zelfs met de Soviet-Unie en China had Tirana een tijdlang geen contact.
‘Wat Albanië de voorbije zeventien jaar heeft gerealiseerd, is eigenlijk ongelooflijk’, zegt Gülden Türkoz-Coslett, resident coordinator van de VN in Albanië. ‘Voor die veranderingen hebben sommige landen honderden jaren nodig gehad.’ Gülden Türkoz-Coslettbenadrukt dat je Albanië niet zomaar mag vergelijken met andere landen uit Oost-Europa. ‘Dit is Polen niet. De Albanezen moesten zeventien jaar geleden letterlijk vanaf nul beginnen, instellingen waren er nauwelijks. Nogmaals: de evolutie van een land dat decennialang geïsoleerd was tot het land dat Albanië vandaag is, is opmerkelijk. Met al zijn imperfecties en uitdagingen.’
Albanië staat vandaag op de 68ste plaats in de VN-index van menselijke ontwikkeling, vlak na Bosnië en Rusland. Daarmee is Albanië een van de minst ontwikkelde landen van Europa –enkel Macedonië en Moldavië scoren slechter. Toch zijn de economische prestaties van de afgelopen jaren hoopgevend. Gülden Türkoz-Coslett: ‘De voorbije zes jaar groeit de economie met minstens vijf procent per jaar. Uiteraard spelen remittances van Albanezen in het buitenland daarin een rol. Ze sturen elk jaar zowat een miljard dollar terug, goed voor een zevende van het bnp.’
EC-ambassadeur Lohan: ‘Op de as Tirana-Dürres zie je bijna dagelijks nieuwe bedrijven verrijzen. Dat betekent dat er ondernemers zijn, dat er economische activiteit is, dat er mensen zijn die winsten verwachten. Je ziet enorme inspanningen in de bouwsector in en buiten Tirana –ook een teken van vertrouwen en economisch perspectief in de toekomst.’ In de ranking van de Wereldbank is Albanië in juni dit jaar opgeschoven van laag- naar middeninkomensland.
Volgens de Albanese Kamer van Koophandel zijn de investeringen in Albanië vorig jaar gestegen met vier procent. Om nog meer buitenlandse investeerders aan te trekken, heeft de regering-Berisha verschillende maatregelen uitgewerkt. Zo kunnen bedrijven sinds twee jaar voor één euro per vierkante meter terreinen aankopen, en zijn de registratierechten van bedrijven eveneens vastgelegd op het symbolische tarief van één euro. Sinds begin dit jaar is bovendien de belasting op bedrijfswinst teruggebracht van twintig tot tien procent.
Van de Wereldbank krijgt Berisha’s economisch beleid alvast goede punten: in het recent gepubliceerd rapport Doing Business, dat nagaat hoe gemakkelijk het is om zaken te doen, wordt Albanië geloofd als een van de grootste hervormers van het afgelopen jaar. Wat echter niet betekent dat je in Albanië op een-twee-drie een eigen zaak kunt opzetten.
Het grootste obstakel vormen de eigendomsrechten van gronden, die vaak betwist worden. Koop je vandaag een stuk grond, dan kan morgen plots een derde partij opduiken en het eigenaarschap claimen. Daarnaast moet de infrastructuur in heel Albanië flink bijgespijkerd worden. Sommige wegen zijn zo lamentabel dat je over een afstand van tweehonderd kilometer minstens zes uur doet. Om nog niet te spreken van de elektriciteit die, zelfs in hoofdstad Tirana, regelmatig een paar uur uitvalt.
foto: Kristof ClerixMaar ondanks al die hindernissen heeft Albanië zeker groeikansen. Een van de belangrijkste troeven voor de toekomst is de toerismesector. Albanië ligt tussen Italië en Griekenland, heeft een ideaal klimaat en een prachtige Adriatische kustlijn van 362 kilometer. Daarnaast kan het land bogen op een rijke geschiedenis, waarvan nog heel wat sporen terug te vinden zijn in archeologische sites uit de Grieks-Romeinse tijd of steden zoals Berat en Gjirokaster. En dan zijn er nog de bergen in het noorden. Albanië heeft dus alles in huis voor zowel een strandvakantie als culturele uitstappen en avontuurlijk toerisme.

De Europese horizon


In Tirana, waar families het zeventien jaar geleden moesten stellen met een rantsoen van vijf eieren, een kilo vlees en honderd gram koffie per week, vind je vandaag de beste restaurants met excellente pasta’s, verse vis en goede wijn. De grijze gevels zijn allemaal opgekalfaterd met frisse kleuren, de wegen zijn vernieuwd, de honderden illegale woningen verdwenen. En overal Mercedessen, hét statussymbool in Albanië. Overdag kun je de bruisende sfeer zo voelen en ’s nachts kun je als buitenlander volstrekt veilig de straat op.
foto: Kristof ClerixTirana leeft, en dat is voor een stuk de verdienste van burgemeester Edi Rama.
In het stadhuis van Tirana, naast de centrale moskee en het Skanderbergplein, huist Rama in een indrukwekkend kantoor. Overal liggen boeken, cd’s en gekleurde viltstiften –Rama steekt zijn artistieke achtergrond niet onder stoelen of banken. Voor heel wat Albanezen vormt Rama –met zijn vernieuwende ideeën en zelfverzekerde stijl- de hoop voor de toekomst. Als hij erin slaagt de verdeelde linkse oppositie te verenigen, maakt hij kans om na de parlementsverkiezingen volgend jaar de macht te grijpen.
‘Toen ik in 2000 burgemeester werd, geloofde niemand dat Tirana zou veranderen. Acht jaar geleden was Tirana een chaotische ruimte met overal gebouwen en er was geen groen of publieke domein, je kon niet eens een mooie foto nemen. Het was de middle of nowhere. Maar vandaag heeft de hoofdstad een mediterraanse fysionomie met mooie, intrigerende wijken en pleinen. Niets is onmogelijk. Niemand vraagt mij om Albanië op vier of acht jaar tijd te veranderen in België of Zwitserland. Maar van Albanië een land maken waar mensen met een zekere waardigheid en veiligheid kunnen leven, dat is mogelijk. Kijk, ik ben geen tovenaar, maar een actieve burger die niet eens een politicus wil zijn maar gewoon zo goed mogelijk wil helpen bij de veranderingen in mijn land. En naar mijn bescheiden mening is dat mogelijk.’
Rama benadrukt wel dat de steun van de Europese Unie daarvoor onontbeerlijk is. ‘Albanië bevindt zich op een moeilijk pad richting de EU. Voor een stuk heeft dat te maken met de geschiedenis. Dit deel van Europa moet geholpen worden bij het integratieproces. We moeten gezien worden als een Europese uitdaging, niet als een gebied dat geïsoleerd wordt. Daar help je niemand meer verder. De kosten van isolatie zijn een pak groter dan de kosten van integratie. Het gaat mij niet alleen om Albanië maar om de hele regio. Europa moet deze regio zo snel mogelijk integreren, zonder een labyrinth van bureaucratische procedures. Het zou verschrikkelijk zijn als een of twee landen in deze regio zouden achterblijven. De Europese Unie moet absoluut Servië, Kosovo, Albanië, Montenegro, Macedonië en Bosnië opnemen. Want uiteindelijk kunnen 22 miljoen mensen niet achterblijven in het midden van Europa.’
Het vooruitzicht op het Europese lidmaatschap vormt de motor achter de ontwikkeling van Albanië, het baken in de turbulente transitieperiode. In 2006 sloten Albanië en de EU alvast een Stabilisatie- en Associatieakkoord af, een eerste stap richting lidmaatschap. ‘De Europese Unie heeft herhaaldelijk haar engagement bevestigd om de landen uit deze regio op te nemen’, zegt EC-ambassadeur Lohan. ‘Het politieke engagement is er, nu is het aan de landen om aan alle toetredingscriteria te voldoen. Er is al heel wat vooruitgang geboekt in Albanië, maar die is niet gelijk verdeeld over alle gebieden.’
Volgens Lohan is onder meer op het vlak van justitie en in de strijd tegen corruptie nog werk aan de winkel. ‘Maar het is onmogelijk om van de ene dag op de andere de huidige situatie in een paradijs te zien veranderen. Kijk, Albanië is een extreem mooi land, met een extreem vriendelijke en open bevolking. We moeten hen helpen dichter op te schuiven in de richting van onze standaarden, want dat is wat de Albanezen willen. Ze hebben een lange weg afgelegd, komend van een zwart gat in Europa. Albanië heeft enorme vooruitgang geboekt sinds 1991, en we moeten alle mogelijke inspanningen doen om het land daarbij verder te helpen.’

Identikit Albanië
OPPERVLAKTE: ongeveer even groot als België
BEVOLKING: 3,6 miljoen –naar schatting 1 miljoen Albanezen leven in het buitenland waarvan 600.000 in Griekenland en 200.000 in Italië
RELIGIE: 70 procent moslims, 20 procent Albanees-orthodoxen, 10 procent rooms-katholieken. Albanië wordt geroemd om zijn interreligieuze verdraagzaamheid en vormt in dat opzicht een stabiel baken in de Balkan.
ECONOMIE: zes op tien Albanezen leven van de landbouw, vaak kleinschalige bio-akkerbouw of veeteelt. Textiel en schoenen zijn de belangrijkste exportproducten. Belangrijkste handelspartners zijn Italië, Griekenland en Duitsland, goed voor 85 procent van Albaniës export.
POLITIEK: president Bamir Topi (sinds juli 2007); premier Sali Berisha (sinds 10 september 2005)
INTERNATIONAAL: in 2006 sloten de Europese Unie en Albanië een Stabilisatie- en Associatieakkoord, een eerste stap richting EU-lidmaatschap. Op de Navo-top in Boekarest (april 2008) werd de toetreding van Albanië tot de Navo goedgekeurd.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2916   proMO*’s steunen ons vandaag al. We hopen 2021 te kunnen starten met 3000 proMO*‘s, word jij er één van?

Word proMO* of Doe een gift