Alle macht aan de bedrijven?

Zoals verwacht gaven VS-president Barack Obama en EU-voorzitter Herman Van Rompuy, aan de vooravond van de G8-top in Noord-Ierland, het formele startschot voor twee jaar onderhandelen over een vrijhandelsakkoord tussen de VS en de EU. De handel tussen de twee westerse economische grootheden is vandaag al goed voor een derde van alle wereldhandel in goederen en diensten. Toch zijn Washington en Brussel ervan overtuigd dat een nieuw vrijhandelsakkoord voor aanzienlijke bijkomende groei kan zorgen. Critici vrezen dat de echte agenda de democratie uitholt.

  • CC President of the European Council CC President of the European Council

‘We mogen de onderhandelingen ditmaal niet laten struikelen over chloorkippen’, zei de Duitse minister van Buitenlandse Zaken Guido Westerwelle onlangs. Het is een perfecte oneliner waarmee de minister duidelijk maakt dat er zoveel voordeel te halen is uit een vrijere handel tussen de VS en de EU, dat we bereid moeten zijn water bij de wijn te doen. Of chloor bij de kippen, ggo’s bij de maïs en hormonen bij het vlees, om maar enkele heikele voorbeelden te noemen waarin de wettelijke voorschriften in de EU verschillen van de regelgeving in de Verenigde Staten.

Voordeliger tarief

Er gaat ook vandaag al veel geld om in de trans-Atlantische handel. In 2011 ging het om 702,6 miljard euro voor de handel in goederen en diensten, terwijl de wederzijdse investeringen optelden tot een totaal van 2,394 biljoen euro. Die duizelingwekkende getallen zijn het resultaat van jarenlange inspanningen om de handel tussen Europa en de Verenigde Staten zo weinig mogelijk in de weg te leggen, al werd er intussen meer dan een handelsoorlogje uitgevochten.

Met invoerheffingen die anno 2013 gemiddeld niet meer dan 3 tot 4 procent bedragen, heeft de trans-Atlantische handel slechts een kleine marge om door verdere vrijmaking ook echt nieuwe zuurstof te krijgen. Nochtans is dat wat de Europese Commissie, en met name Commissaris De Gucht belooft: een omvattend vrijhandelsakkoord tussen de VS en de EU zou voor onze economie in crisis het beste stimuluspakket zijn tegen de laagst mogelijke kost. Het trans-Atlantische handels- en investeringspartnerschap (TTIP) waarover vanaf deze zomer onderhandeld zal worden, gaat immers niet enkel, en zelfs niet vooral, over het verminderen van invoerheffingen en andere tarifaire handelsbelemmeringen.

De prioriteit in de onderhandelingen over het TTIP zal liggen bij het verminderen van handelsbelemmeringen die niet tarifair zijn. In Reducing Transatlantic Barriers to Trade and Investment. An Economic Assessment, een rapport van het Britse Centre for European Policy Research, gepubliceerd in maart 2013, klinkt dat zo: ‘Verschillende benaderingen van dezelfde regulatorische uitdagingen kunnen het onbedoelde gevolg hebben dat de kosten voor bedrijven toenemen en de arbeidsproductiviteit vermindert.’

Het voorstel van onderhandelingsmandaat dat de Europese Raad in maart formuleerde en dat in principe op 14 juni goedgekeurd wordt, heeft het ook over het belang van het vinden van ‘nieuwe en innovatieve benaderingen om het negatieve impact van niet-tarifaire belemmeringen op handel en investeringen te verminderen’. Achter die technocratische zinnen gaan grote maatschappelijke en zakelijke belangen schuil.

Transatlantische rekenkunde

‘Dit akkoord,’ zei Europees Commissaris Karel De Gucht op 18 april in Dublin tegenover een trans-Atlantisch publiek van economische actoren, ‘kan de bedrijven miljoenen euro’s besparen en honderdduizenden banen creëren. We verwachten dat een gemiddeld Europees huishouden er jaarlijks 545 euro rijker door zou worden en dat onze economie er tussen 0,5 en 1 procent van het bruto binnenlands product mee zou groeien.’ De Gucht haalt zijn cijfers uit een studie van het Britse Centre for European Policy Research (CEPR): Reducing Transatlantic Barriers to Trade and Investment. An Economic Assessment, gepubliceerd in maart 2013. Die studie lijkt de voordelen van een TTIP dubbel zo hoog in te schatten als de Europese Raad, die in een voorgesteld onderhandelingsmandaat spreekt over een mogelijke groei van het EU bbp tussen 0,27 en 0,48 procent.

Het CEPR verwacht een meeropbrengst van 68 tot 119 miljoen euro per jaar. De Gucht houdt daar alleen het meest gunstige cijfer van over. De Europese Raad spreekt over 86 miljard euro in zijn voorgesteld mandaat, dat in juni goedgekeurd moet worden. Het CEPR verduidelijkt in een voetnoot dat de cijfers schattingen zijn in vergelijking met een projectie van wat de wereldeconomie in 2027 zou zijn zonder TTIP. Met andere woorden: indien het meest ambitieuze scenario van de vrijmaking van de handel tussen de EU en de VS gerealiseerd wordt, dan zou een gemiddeld gezin van vier in de EU in 2027 545 euro per jaar extra te besteden hebben. Indien een minder ambitieus scenario het haalt, dan is die gemiddelde winst beperkt tot 306 euro.

Aangezien gemiddelde gezinnen niet bestaan, zou de verwachte totaalopbrengst van een TTIP verdeeld moeten worden zoals de groei van de economie de voorbije jaren verdeeld werd. Dat is in toenemende mate ongelijk, al heeft de EU27 met een Gini-coëfficiënt van 0,30 nog steeds een veel betere spreiding van de economische opbrengst dan de VS (0,49).

Het gewicht van een chloorkip

Een eenvoudig en onschuldig voorbeeld van een niet-tarifaire belemmering is de stekker aan en de stroomsterkte van onze elektrische apparaten. Indien die aan weerszijden van de oceaan dezelfde zouden zijn, moesten producenten van alles wat in een stopcontact moet niet langer twee of meer versies produceren: een 220 volt en een 110 volt-versie, met stekkers die allerlei vormen kunnen aannemen. Wereldwijd zijn er niet minder dan 14 verschillende stekkervormen, de meeste komen voor in Europa of de VS. Bovendien zou je als trans-Atlantisch reiziger niet langer met tranformatoren of overgangstekkers moeten zeulen. Weinig mensen zouden dus verzet aantekenen tegen een gezamenlijke standaard in dit voorbeeld.

Wat moeilijker ligt het al met de milieu- en veiligheidsnormen die opgelegd worden aan auto’s. Onderzoekers gaan er van uit dat die normen zowel in de VS als in de EU hoogstaand zijn, ook al zijn ze verschillend. Auto’s in de VS verbruiken gemiddeld meer en zijn ook vervuilender dan in de EU. Als er afstemming tussen de twee markten moet komen, zal die dan mikken op de hoogste of de laagste standaard? En als men kiest voor “wederzijdse erkenning”, waarbij geen gezamenlijke standaard nagestreefd wordt maar er ook geen beperkingen op invoer opgelegd mogen worden, wat is dan nog de waarde van een politiek debat dat voorafgaat aan het formuleren van bijvoorbeeld maximale uitstoot van CO2 of fijn stof? De verschillen tussen Amerikaanse en Europese auto’s hebben immers niet alleen te maken met historische en culturele verschillen, maar ook met andere wettelijke normen en verplichtingen. En die normen zijn in democratische samenlevingen –in principe– ook de uitdrukking van de bezorgdheden en overtuigingen van de burgers. Convergentie in dit voorbeeld heeft niet alleen praktische voordelen, maar ook een impact op de kwaliteit van de lucht, de veiligheid van passagiers en de ruimte voor democratische besluitvorming.

De kippen die in chloorbaden gedrenkt worden om ze bacterievrij te maken, het hormonenvlees en de genetisch gewijzigde maïs zijn de meest gekende voorbeelden van hoe verschillende wettelijke normen in de EU en de VS resulteren in moeilijkheden voor de Amerikaanse landbouwsector om zijn goederen af te zetten op de lucratieve Europese markt. Het zijn, in internationaal handelsjargon, SPS –sanitaire en phytosanitaire (met betrekking op plantaardige producten) maatregelen. Veel van deze maatregelen zorgen in de EU voor permanent maatschappelijk debat, maar weinig Europeanen zullen bereid zijn om de uitkomst van dat debat afhankelijk te maken van de normen die in de VS gelden.

De EU hanteert hogere standaarden op het vlak van arbeidswetgeving, consumentenbescherming en ecologische en chemische normen. De vrees is dat Europa gedwongen wordt die standaarden naar beneden bij te stellen.

Het voorgestelde EU-onderhandelingsmandaat stelt daarom voor dat de SPS van elke partij ‘gebaseerd worden op internationale standaarden en wetenschappelijke risicoanalyses’ en dat ze ‘slechts toegepast worden in zoverre dat noodzakelijk is om de gezondheid van mensen, dieren en planten te beschermen’. Het probleem is dat de verschillende normen vandaag al gebaseerd zijn op –weliswaar verschillende– wetenschappelijke risicoanalyses. De EU-tekst maakt bovendien geen melding van ruimte om op basis van politieke overtuiging een norm op te leggen.

 

Gevaarlijke chemicaliën

Bovenstaande voorbeelden geven een snel idee van wat “niet-tarifaire belemmeringen” van de handel tussen de EU en de VS zijn. Het Rotterdamse studiebureau Ecorys maakte voor de Europese Unie in 2009 een overzicht in droge tabellen, en het rapport Non-Tariff Measures in EU-US Trade and Investment – An Economic Analysis is meer dan tweehonderd bladzijden dik.

Een aantal van die op regels gebaseerde handelsbelemmeringen krijgen in die tabellen een hoge prioriteit toegemeten: een Amerikaanse wet uit 1904 stelt dat alle cargo die eigendom is van of vervoerd wordt voor de Amerikaanse defensie uitsluitend vervoerd wordt in vrachtschepen die onder Amerikaanse vlag varen; het feit dat nationale postbedrijven nog over een monopolie beschikken in sommige Europese landen; de vereiste in Europese landen om te opereren in de nationale taal of talen; Amerikaanse bedrijven klagen over prijscontroles op medicijnen waardoor die in de EU soms meer dan een kwart goedkoper zijn dan in de VS; het verbod op dierenproeven voor onder andere cosmetische producten maakt het voor Amerikaanse producten die wel op dieren getest zijn moeilijk tot onmogelijk om in de EU aangeboden te worden; Amerikaanse bedrijven beschouwen de strenge regels in verband met gevaarlijke en kankerverwekkende stoffen in de EU (vervat in de REACH-richtlijn) als een verkapte vorm van protectionisme omdat hun producten daardoor niet toegelaten worden op de Europese markt…

Een van de onbespreekbare handelsdrempels is de “culturele uitzondering”: een afspraak die de EU toelaat om culturele en met name audiovisuele producties te subsidiëren. De EU bekwam die uitzondering binnen de Wereldhandelsorganisatie en Frankrijk is niet van plan daar opnieuw over te onderhandelen. Idem voor de Europese regelgeving over genetisch gemanipuleerde organismes. Commissaris De Gucht maakte een heel duidelijke belofte toen hij op 12 maart het TTIP-project in Straatsburg voorstelde: ‘De EU en de VS hebben verschillende visies [op ggo’s] vandaag en zullen verschillende visies hebben na de onderhandelingen. Nochtans zal een toekomstige overeenkomst de bestaande ggo-wetgeving niet veranderen. Ik herhaal: geen verandering.’

Recht op winst

Niet iedereen is daarmee gerustgesteld. Als het TTIP de regelgeving van goederen en diensten zo dicht mogelijk bij elkaar wil brengen, dan is de vraag immers of de gezamenlijke norm eerder de maximale bescherming van burger of consument nastreeft, dan wel of die zorg ondergeschikt gemaakt wordt aan het stimuleren van handel en economie –en dus aan de winsten van bedrijven. Wat dat laatste betreft: in de VS zijn ook ziekenhuizen, hoger onderwijs en pensioenvoorzieningen veel meer dan in Europa privé-ondernemingen, met aandeelhouders, kwartaalcijfers en alle excessen die daarmee samenhangen. Die organisaties zullen niet nalaten om de reeds aanwezige privatiseringstendens binnen de EU te versterken, met het oog op het uitbreiden van hun activiteiten naar lucratieve markten. Eenmaal een maatschappelijke of economische sector in zo een omvattend vrijhandelsakkoord opgenomen is, krimpt de beleidsruimte –en dus de mogelijkheid van samenlevingen om keuzes te maken op andere dan bedrijfseconomische gronden– dramatisch.

Een instrument dat daarbij vaak voorzien wordt in vrijhandelsakkoorden, is de Investor to State Dispute Settlement. Die ISDS laat bedrijven toe ondertekenende staten en de lagere overheden die door het akkoord gebonden zijn rechtstreeks voor een internationaal tribunaal te dagen als die bedrijven vinden dat het gevoerde beleid hun winsten of toekomstige winstverwachtingen “onterecht” beperkt. Het voorstelmandaat van de EU voor het TTIP voorziet inderdaad zo een regeling. Nochtans proberen landen met een vergelijkbaar hoge graad van economische ontwikkeling meestal akkoorden af te sluiten zonder ISDS, al was het maar omdat ze er dan zelf het slachtoffer van kunnen worden. De VS hebben in totaal meer dan 200 bilaterale investeringsovereenkomsten afgesloten, maar alleen in verdragen met zwakkere economieën zijn ISDS voorzien. Australië schrapte de ISDS-clausules uit zijn vrijhandels- en investeringsakkoorden nadat het zelf voor een tribunaal gedaagd werd door sigarettenfabrikant Philip Morris, omdat Australië in zijn strijd tegen longkanker nieuwe regels wou invoeren over logo- en merknaamvermelding op sigarettenpakjes.

Democratisch deficit

‘Het TTIP gaat uiteindelijk niet over vrijhandel’, zegt Marc Maes, die voor Noord-Zuidkoepel 11.11.11 al jaren de impact van handel op ontwikkeling bestudeert. ‘De eigenlijke agenda is het ondergeschikt maken van de democratische besluitvorming aan de economische belangen. Wie de echte impact van de besprekingen in de komende twee jaar wil inschatten, moet zich niet blindstaren op de ene of andere paragraaf, maar op het langetermijneffect van de gemaakte afspraken. De Amerikaanse collega’s vrezen nu al dat de EU, die op het vlak van onder andere arbeidswetgeving, ecologische en chemische normen, en consumentenbescherming hogere standaarden hanteert, gedwongen zal worden die naar beneden bij te stellen. Dat heeft niet alleen voor ons nadelige gevolgen, maar ook voor de bewegingen in de VS.’

Bovendien, zegt Maes, verlopen de besprekingen over vrijhandelsakkoorden altijd volkomen ontransparant. ‘Met het Verdrag van Lissabon zou het Europees Parlement over meer informatie moeten beschikken, maar voor zover het nu duidelijk is, zullen alleen de zes fractievoorzitters in het comité Handel de stukken te zien krijgen. En uiteindelijk kan het Europees Parlement alleen stemmen over het hele onderhandelde pakket. Het is dan te nemen of te laten.’

Het enige voordeel dat Marc Maes aan de onderhandeling over een TTIP ziet, is dat het nu misschien voor een groter deel van de Europese publieke opinie interessant wordt om na te denken over de maatschappelijke impact van wat voorgesteld wordt als vrijhandel. Als de EU onderhandelt met landen of regio’s in Afrika, Latijns-Amerika of de Cariben over de Economische Partnerschapsakkoorden (EPA’s), kraait er geen haan naar. ‘Nu we zelf een koekje van eigen deeg dreigen te krijgen, ontstaat er misschien wel een debat en –wie weet– zelfs een tegenbeweging’, hoopt Maes.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3093   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur