Alleen de doden zijn ongewapend

Burundi lijkt een kankerpatiënt te zijn geworden. In de berichtgeving wisselen sprankels hoop af met jobstijdingen. Vrienden rond het ziekbed zijn er nauwelijks.
Eind juli herdacht Burundi met een beetje feestmuziek maar vooral met pijnlijke stilte de machtswissel die zich vorig jaar in Bujumbura voltrok.De nieuwe leiders willen niet van een staatsgreep spreken. Ze grepen in op een moment dat het land regelrecht op een volkerenmoord afstevende. Sedert de moord in 1993 op de eerste democratisch verkozen president, Melchior Ndadaye, zijn er vandaag al meer dan 150.000 Burundezen vermoord. Voor de zevende keer sedert zijn onafhankelijkheid in 1962 trekt over het Centraal-Afrikaanse heuvellandje een plaag van haat en doodslag. En de wereld bekommert zich nauwelijks om deze tragedie.

Democratie als entr’acte

Vier jaar geleden zag de toekomst van Burundi er nochtans hoopvol uit. De eerste democratische verkiezingen vertaalden de etnische verhoudingen (85% Hutu’s en 14% Tutsi’s) in een juistere politieke vertegenwoordiging. De Hutu’s kwamen met de Frodebu-partij als overwinnaars uit de stembusslag. Na de militaire dictaturen van de Tutsi’s Micombero, Bagaza en Buyoya werd Melchior Ndadaye, Hutu, president in juni 1993. Vier maanden later werd de man vermoord door militairen. Sindsdien gleed Burundi af naar een burgeroorlog. De pasgeboren democratie liet maar twee tastbare sporen na. Enerzijds was er de Conventie tussen het Frodebu –de overwinnaars van de verkiezingen - en het leger, een machtsdeling die voor 1993 ondenkbaar was. Anderzijds bleef, in de persoon van Cyprien Ntaryamira, ook na Ndadaye het presidentschap in handen van Hutu’s. Deze Ntaryamira kwam echter samen met zijn Rwandese ambtsgenoot Juvénal Habyarimana om in de beruchte vliegtuigcrash van 6 april 1994. Zijn opvolger, Sylvestre Ntibantunganya, werd zowel van Hutu- als van Tutsi-zijde argwanend bekeken. Toen de etnische spanningen vorig jaar een nieuw hoogtepunt bereikten, vluchtte Ntibantunganya naar de Amerikaanse ambassade in Bujumbura. In dat machtsvacuüm greep ex-president Pierre Buyoya eind juli 1996 de macht. Burundi werd weer geregeerd door Tutsi’s en het leger. De buurlanden van Burundi kondigden een economisch embargo af. De internationale gemeenschap keek toe en beoordeelde Buyoya als de minst slechte oplossing voor de spiraal van het geweld.

Ernstig én hopeloos

Midden 1997 is de toestand in Burundi dramatisch. De term ‘sluipende genocide’ is geen stilistische overdrijving. Er zijn gelijkenissen met de aanloop naar de genocide in buurland Rwanda in 1994. Regeringstroepen en de gewapende Hutu- en Tutsi-milities zijn verantwoordelijk voor de dood van duizenden, onschuldige mensen van de rivaliserende etnie. In Tanzania en Oost-Congo wonen nog meer dan 300.000 Burundese vluchtelingen. Telkens weer betaalt het gewone, ongewapende volk van boeren de rekening voor de machtswellust en oorlogsdrift van extremisten. De logica achter deze geweldspiraal heeft twee gezichten. Hutu’s willen zich wreken omwille van de ongestraft gebleven moord op ‘hun’ president Ndadaye. Zij zijn ook de grootste slachtoffers van de militaire repressie. De Tutsi’s vrezen een herhaling van de Rwandese genocide als Hutu’s alle macht naar zich toe halen.

Het centrale Burundese probleem is het door de Tutsi’s gedomineerde leger. Vanaf de jaren zestig diende dat leger de belangen van de (Tutsi-)machthebbers. In het noodlottige jaar 1972 hield het Burundese leger voorgoed op een nationaal leger te zijn omwille van zijn aandeel in de genocide op de Hutu’s. De moord op Ndadaye in 1993 bevestigde die partijdigheid nog maar eens. De politieke analyticus Léonce Ndarubagiye ziet de nefaste rol van het leger nog ruimer: ‘Het leger heeft zich tot vijand van het hele volk gemaakt. Vijand van de Hutu’s omdat het leger de Hutu’s doodt, vijand van de Tutsi’s omdat het leger doodt in hun naam en zo de vrede onmogelijk maakt.’

Naast de indrukwekkende versterking van het leger (70% van het nationaal budget gaat naar defensie) stuurt president Buyoya de jongste maanden ook aan op een etnische verdeling van Burundi. Dat was eerder al gelukt met de hoofdstad Bujumbura waar nagenoeg geen Hutu’s meer wonen. Nu is het binnenland aan de beurt. Dit jaar werden minstens 200.000 en misschien wel 500.000 Hutu’s uit de heuvels samengejaagd in hergroeperingskampen. Hutu-parlementariërs als Augustin Nojibwami hebben het zonder terughoudendheid over ‘concentratiekampen’. De zaak wordt door de regering voorgesteld als een tijdelijke veiligheidsmaatregel voor de plattelandsbevolking. Maar de gedwongen verhuizingen van Hutu’s passen veeleer in de militaire strategie tegenover de Hutu-rebellen. Wie zich verzet tegen de verplaatsing wordt beschuldigd van medeplichtigheid met de rebellen. De Minister van Defensie, Firmin Sinzoyehiba, liet zich ontvallen dat ‘rebellen zich graag bewegen tussen het volk als vissen in het water en dat daarom de vijver moet worden uitgedroogd’.

Voor de overlevenden

Enkele gebeurtenissen van de afgelopen maanden laten toch wat hoop op beterschap toe. Er was de ondertekening op 10 maart van een akkoord over de agenda van mogelijke vredesonderhandelingen. Sterker mocht dat nog niet klinken. De Sint-Egidiusgemeenschap had te Rome in het geheim vertegenwoordigers van de feitelijke regering en de politieke vleugel van de Hutu-rebellen rond de tafel gebracht. Een maand later besloten de Burundese buurlanden het strafembargo te verlichten. Dat ontsloeg die buurlanden tegelijkertijd van hun machteloos toezien op het feitelijke omzeilen van het embargo door de internationale wapenhandel. Nog een maand later, op 6 juni, verliet de officiële president, Sylvestre Ntibantunganya, de Amerikaanse ambassade en vestigde hij zich in Bujumbura. Hij verklaarde dat de vrede enkel via onderhandelingen met alle belanghebbenden tot stand kon komen. Pierre Buyoya, het feitelijke staatshoofd, waardeerde wellicht Ntibantunganya’s woorden. Of de militairen er een boodschap aan hadden is niet zo zeker. In het leger groeit trouwens het ongenoegen over de te gematigde Buyoya. Meer en meer militairen en volgens sommige geruchten ook de leiders van Uganda en Rwanda willen de vroegere dictator Jean Baptiste Bagaza –sedert januari onder huisarrest- terug aan de macht. Nog een mogelijke troef voor de Burundese vrede is de politieke stabilisatie in Congo-Kinshasa. Enerzijds snijdt het succes van Kabila de adem af van de Hutu-rebellen die vanuit Zaïre opereerden. Anderzijds kan de Burundese economie door de goede verstandhouding met Kinshasa weer nieuw leven worden ingeblazen. Ook al gaat het daarbij vooral om Congolees ivoor, goud en wapentuig, nog maar eens zaken waar geen boer op de heuvels beter zal van leven.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift