Dossier: 

Amiri Baraka, schrijver, poëet, activist en marxist

Poëzie voor de 99%

Hij is een van de grote namen uit de hedendaagse Amerikaanse literatuur, maakte in de jaren zestig opgang als avant-gardistisch poëet in New York en staat vandaag op de barricaden met de Occupy-beweging. Portret van Amiri Baraka, de eeuwige revolutionair.

  • Amiri Baraka

‘Doe-da-doe-daaa, doe-da-doedaa…’ Begin december staat de 78-jarige Amiri Baraka op het podium van het Spoken World Festival in Brusselse Kaaitheater. Tussen zijn verzen door neuriet hij frisse, haast vrolijke jazzdeuntjes die in schril contrast staan met de scherpte van zijn woorden. ‘Iemand blies Amerika op, maar wie woont er in Wall Street, wie roeide de Indianen uit, wie maakte de bommen, wie wordt rijk van oorlog, wie kocht de slaven, wie verkocht ze? Wie, wie, wie wie?’, vraagt hij met krachtige stem, begeleid door een al even krachtig en ritmisch handgeroffel op de staander waar hij nauwelijks bovenuit steekt. De kleine, licht voorover gebogen man beweegt zich voorzichtig schuifelend voort en verschijnt op het podium, met jas, computertas en papieren onder de arm. Alsof hij haast toevallig even zijn dag onderbreekt om met ons zijn woorden te delen.

Even voor de voorstelling vertelt hij, tussen de happen spaghetti door, over toen hij boven jazzlegende Miles Davis woonde. ‘Davis was mijn held. Vooral in zijn vroege periode want van zijn latere transformatie en die Cyndi Lauper-cover begrepen we niet veel.’ Baraka is naast dichter, toneelschrijver, essayist en politiek activist ook een gekend jazzcriticus. Zijn verhalen klinken als de biografie van Malcolm X: naast Davis passeren de groten der aarde, à la Allen Ginsberg, Count Basie, John Kerouac en Frank Sinatra de revue. Met hetzelfde gemak spreekt de man op leeftijd over Lady Gaga, Michael Jackson, Madonna en Amy Winehouse.

*

Op zijn tiende gaf Amiri Baraka, toen nog onder zijn geboortenaam LeRoi Jones, zijn eerste krant uit. In vier exemplaren, met de hand geschreven, om uit te delen aan zijn vrienden. ‘Het is alsof ik toen al wilde communiceren met mensen’, zei hij hierover ooit in een interview. Het was na het lezen van de vertaling van Garcia Lorca’s Gypsy Ballads, vertaald door Langston Hughes, dat hij wist dat hij dichter wilde worden. Hij ging naar Rutgers Universiteit toen er nog vooral nog blanken schoolliepen en daarna naar de Afro-Amerikaanse Howard Universiteit, waar hij korte tijd later werd buitengezet. Zo belandde bij de luchtmacht van het Amerikaanse leger. Zijn vrije tijd op de legerbasis in Puerto Rico bracht hij door in de bibliotheek, waar hij aan de lopende band boeken verslond. ‘Het is daar dat ik mijn echte opleiding heb gekregen’, zegt Baraka.

Op beschuldiging van communisme werd hij eind jaren vijftig uit het leger gezet en sloeg daarop zijn tenten op in de artistieke Greenwich Village in New York. Zijn verhalen uit die jaren druipen van de nostalgie en historisch besef. In 1960 mocht hij in plaats van Langston Hughes naar Cuba voor een conferentie waar hij ook Jean-Paul Sartre, Che Guevara en Fidel Castro tegen het lijf liep. ‘Mijn schrijven was toen niet echt politiek, ik had niet echt iets revolutionairs te zeggen.’ Het waren de activisten daar en zijn twee absolute helden, Fidel Castro en Malcolm X, die hem de ogen openen voor politieke kunst. Na de moord op Malcolm X in februari 1965 verhuisde hij van de hippe Village naar Harlem en ruilde zijn naam LeRoi Jones in voor Amiri Baraka, de ‘gezegende prins’.

Er spreekt een zekere kwetsbaarheid uit Baraka’s gestalte. Zo gauw hij begint te spreken, verdwijnt die fysieke kwetsbaarheid echter als sneeuw voor de zon. Met humor, zelfspot en ontwapenende gedrevenheid rijgt hij met verbluffende eenvoud zijn wel doordachte inzichten aan elkaar. ‘Bedrijven moeten gewoon hun belastingen betalen, daar is niets mysterieus aan’, zegt hij over de economische toestand in zijn land vandaag. Hij vertelt me over een verzekeringsbedrijf in zijn thuisstad Newark dat als sinds de jaren zeventig geen belastingen meer betaalt. ‘Ooit kregen ze een vrijstelling, maar het was niet de bedoeling dat dat voor altijd zou zijn. Het bedrijf moet ons jaarlijks 230 miljoen euro aan belastingen maar intussen sluit de burgemeester, op zoek naar geld, onze bibliotheken of verkoopt hij ons water. We hebben leiders nodig die dag in dag uit achter dat belastingsgeld aanzitten.’

Over president Obama heeft hij dubbele gevoelens. In 2008 riep hij op straat in Newark nog jongeren op om voor Obama te stemmen. Vandaag heeft hij ook kritiek. Op het redden van de banken of de interventie in Libië bijvoorbeeld. Ongewild heeft het presidentschap van Obama volgens Baraka negatieve gevolgen voor de zwarte vrijheidsstrijd. ‘Zelfbeschikking, huisvesting en werkloosheid zijn nog steeds dingen die ons vandaag nog treffen, maar het is heel moeilijk om kritiek te uiten op Obama binnen de zwarte gemeenschap.’ Dat Obama moet gesteund worden, staat echter buiten kijf. ‘Dat is de hoek waarin we gedreven worden door onze tegenstanders: die rechtse lui van de Republikeinse partij, de gekken van de Tea Party, de ex-clanleden die hun gewaden misschien hebben afgeworpen, maar met dezelfde racistische ideeën nu in het congres zetelen.’ Amiri Baraka verpakt zijn woorden niet en onderstreept ze met een ritmisch tikkende vinger op de tafel. Die tweede termijn zit er volgens Baraka zeker in voor Obama. ‘Die Republikeinse kandidaten zijn een grap, je zou je bijna afvragen of ze de hele race wel au sérieux nemen. Ik hoop alleen dat Obama in de volgende legislatuur agressiever zal optreden tegen de vijand.’

Die vijand is voor Baraka het kapitalistische systeem. ‘Ik ben een marxist. Voor mij is het privébezit van productiemiddelen een slechte zaak op zich. Er kan pas echte democratie volgen als die middelen in handen zijn van de mensen’, vat hij het Communistisch manifest kort samen. ‘En bedrijven zijn geen mensen.’ Alluderend op een recente discussie in de VS vindt hij het ook absoluut ondemocratisch dat bedrijven presidentskandidaten ongebreideld geld kunnen toestoppen. Er komt een ondeugende glinstering in zijn ogen wanneer hij me vertelt over een bordje dat hij onlangs op een betoging zag. ‘Ik zal pas geloven dat bedrijven mensen zijn wanneer Texas er eentje executeert’, stond op het plakkaat. Hij glimlacht. ‘Dat vat het perfect samen.’

De gezegende prins heeft niettemin een goed oog op de toekomst, met dank aan de Occupy-beweging. ‘Occupy is iets goeds. Elke beweging die het Amerikaanse kapitalistische systeem op agressieve wijze aanvecht, heeft mijn steun.’ Hij is zich er niettemin van bewust dat Occupy vooral getrokken wordt door blanke middenklasse jongeren. ‘Zij kennen vaak de details van de strijd niet en veel zwarten nemen er om die reden afstand van, maar dat moet veranderen. Er moet een alliantie komen tussen de middenklasse en de arbeidersklasse. We moeten terug militanter worden.’ 

*

Baraka’s optreden in het Kaaitheater wordt onthaald op een staande ovatie. Het enthousiasme van het overwegend blanke publiek siddert heel de voorstelling door de zaal. Ik vraag me af of de mensen hem altijd helemaal begrijpen wanneer ze instemmend grinniken of enthousiast klappen bij zijn zoveelste snoeiharde zinsnede tegen het blanke establishment. ‘We waren slaven’, roept hij met krachtige stem van op het podium, terwijl hij, net als tijdens ons gesprek, met platte hand zijn woorden kracht bij zet. ‘Op de bodem van de Atlantische Oceaan is er een spoor aangelegd van menselijke botten.’

Eerder vroeg ik hem voor wie hij zijn poëzie maakt. ‘Idealiter is dat voor de 99%’, klonk zijn antwoord. ‘Ooit richtte ik me vooral op de zwarten, maar als je begaan bent met het lot van de onderdrukten, kom je sowieso bij zaken terecht die hen aanbelangen.’ Baraka kan niet ontkennen dat hij ooit een overtuigd zwart nationalist was. ‘Zwart nationalisme was noodzakelijk omdat we tegen blanke suprematie vochten. Het was onze manier om een zelfbewustzijn te creëren.’

Na zijn verhuis naar Harlem stichtte Baraka de Black Arts Repertory Theatre School. Met verschillende bussen trokken ze de buurt in om de meest avant-gardistische kunstvormen te brengen. Dat was meteen ook een duwtje in de rug van de Black Arts Movement, een beweging die niet langer wilde hengelen naar de goedkeuring van de blanke kunstwereld. Na een jaar viel het schoolinitiatief uiteen. ‘Omdat zwart zijn geen ideologie is’, zegt Baraka. ‘Er is een punt waar nationalisme negatief wordt. Wanneer je enkel kan werken met bepaalde mensen, wanneer enkel je eisen belangrijk zijn. Het moet gaan om het bevrijden van mensen van een onderdrukkend systeem, niet om het vervangen van wit imperialisme door zwart imperialisme.’ Vandaag maakt Baraka poëzie om mensen aan te zetten om te blijven vechten. ‘We moeten genereus zijn met onze kunst, het gaat over ons allemaal.’

Zie Amiri Baraka in actie in vier filmpjes

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur