Andersglobalist Verhofstadt: de woorden overtreffen de daden

MO* kijkt ook naar de Belgische verkiezingen met een gobale bril op. Staan de realisaties van de regering Verhofstadt in verhouding tot de ontroerend mooie en verbazend progressieve standpunten van de premier op internationale fora en in de open brieven aan andersglobalisten? Een onderzoek.
Verhofstadt is een politicus van het acrobatische type. In 1994 was hij nog de rabiate neoliberaal die onze complete sociale zekerheid wilde privatiseren, maar in de toespraken die hij de voorbije jaren hield, klonk hij soms linkser dan de burgemeester van Leuven. In een speech voor de OESO in mei 2002 zei Verhofstadt: ‘In Europa maakten we 100 jaar geleden een klassenstrijd mee. Met harde confrontaties en fanatieke ideologische tegenstellingen. In sommige landen duurde het tot er doden vielen en stakingen alles platlegden, in andere landen moesten heuse revoluties en burgeroorlogen uitbreken vooraleer men er zich rekenschap van gaf dat een verdeling van de rijkdom in ieders voordeel was. We moeten alles doen om te voorkomen dat dit zich op mondiaal niveau herhaalt. We mogen niet wachten tot een explosie van geweld bewijst dat een situatie waarin alleen wij rijk blijven en de anderen arm, onaanvaardbaar is.’
In zijn lezingen en brieven over internationale kwesties pleit Verhofstadt de voorbije jaren steevast voor meer gelijkheid: de armen van deze wereld moeten welvarender worden en meer macht krijgen. Daarom moet de G8 van rijke landen vervangen worden door een G8 van wereldregio’s. Om dat doel te bereiken is meer regulering nodig op politiek, sociaal en ecologisch gebied. Net wat veel Belgische andersglobalisten beweren.
Die andersglobalisten noemde premier Verhofstadt vlak na de G8-top in Genua, in juli 2001, nog politieke hooligans. Nauwelijks een maand later schreef hij de antiglobalisten een open brief en nodigde hij de internationale sterren van de beweging uit op een colloquium in Gent. Op het Wereldeconomisch Forum van februari 2002 zei hij dat hij, als voorzitter van de Europese Unie, het gesprek met de andersglobalisten was aangegaan en had vastgesteld ‘dat ze veel interessante ideeën hebben…De meesten onder hen willen niet minder maar méér globalisering.’ Waarna hij besloot dat ook ‘wij die geloven in economische liberalisering onze dogma’s opzij moeten schuiven en de dialoog met onze critici niet mogen weigeren.’
Toch heerst bij Belgische andersglobalisten teleurstelling, omdat ze niet tot een dialoog kunnen komen met de Verhofstadt die zij leerden kennen. ‘Voor ons was de relatie met Verhofstadt heel frustrerend’, kreunt Bogdan Vandenberghe van 11.11.11. ‘Met de internationale andersglobalisten hield hij zich gaarne op. Met de Belgische andersglobalisten ging hij evenwel nooit in dialoog. Nochtans nodigden we hem meermaals uit voor een gesprek over de concrete stappen die België kon zetten inzake schuldverlichting, de Tobintaks, het GATS,… Hij reageerde zelden op onze brieven, wellicht omdat zo’n dialoog minder vrijblijvend is.’
Die paradox op internationaal niveau de dialoog preken en in zijn eigen kleine België de dialoog ontlopen is opvallend, maar ze bewijst nog niet dat de regering Verhofstadt de daad niet bij het woord voegde. Dat vergt nader onderzoek.

Goede punten


‘Ik beschouw de 0.7 procent als het fatsoensminimum van wat een rijk land moet opzijzetten voor de ontwikkeling van de armere regio’s in de wereld.’ (OESO-speech, mei 2002)
Hier volgden daden op de woorden. De regering verhoogde het budget voor ontwikkelingssamenwerking van 0.35 procent tot 0.42 procent van ons BNP. In absolute cijfers steeg het budget van 725 naar 1150 miljoen euro. Bovendien legde ze het groeipad naar de 0.7 tegen 2010 wettelijk vast. Zegt Dirk Depover, woordvoerder van Eddy Boutmans: ‘Internationaal en Europees vocht Verhofstadt voor de versterking van de ontwikkelingssamenwerking. Dat is onuitgegeven voor een liberaal, maar het belet niet dat hij nogal snel toestond dat Defensie, Financiën of Buitenlandse Zaken een graantje meepikten uit ons budget.’
Verhofstadt voegde er meestal aan toe dat meer geld niet volstaat: het moet ook efficiënt worden besteed. Dat is heel juist, maar moeilijk te verzoenen met de regeringsbeslissing om de ontwikkelingssamenwerking te regionaliseren. Onderzoek in het buitenland leert dat deelstaten die met ontwikkelingssamenwerking aan de slag gaan, in de eerste plaats hun vlag willen planten. Regionalisering is het omgekeerde van efficiënte besteding van gelden.
‘De G8 van rijke landen moet vervangen worden door een G8 van de bestaande regionale samenwerkingsverbanden. Een G8 waarin het Zuiden een belangrijke en rechtvaardige plaats krijgt.’ (Eerste open brief aan de antiglobalisten, september 2001)
De premier werd niet moe deze oproep tot een betere machtsverdeling in de wereld en tot multilaterale samenwerking te herhalen. Dat het geen loze woorden waren, werd misschien nog het best aangetoond door de weigering van de regering om zich voetstoots te laten betrekken in de Amerikaanse oorlog tegen Irak. Het wees op het geloof in multilaterale oplossingen voor internationale problemen, liefst via de VN, zoals dat ook in het regeerakkoord stond. Nogal wat Belgen werden hierdoor fier er een te zijn.
“Ik heb hier minstens vijf collega’s horen pleiten voor de afschaffing van de exportsubsidies. Waarop wachten we om dat zwart op wit in de politieke verklaring te zetten?” (Toegejuichte passage op Aardetop in Johannesburg, september 2002)
Een ander stokpaardje van Verhofstadt was zijn vraag om de Europese exportsubsidies voor landbouwproducten af te schaffen, omdat die de boeren in het Zuiden wegconcurreren. ‘België heeft die lijn op de EU-landbouwraden ook verdedigd’, stellen Jean-Pierre De Leener en Jo Vaerewyck van het kabinet van Vlaams landbouwminister Vera Dua. ‘Al wordt dat in de speaking notes wel iets voorzichtiger geformuleerd: België pleit niet voor afschaffing maar voor afbouw van subsidies.’
Minder helder bleek de Belgische positie in de kwestie van de markttoegang voor producten uit ontwikkelingslanden. Verhofstadts toespraken waren geheel en al vóór die afschaffing, maar toen de EU besliste de minst ontwikkelde landen vrije toegang te geven voor alle producten behalve wapens, kwam landbouwminister Gabriëls gezwind op voor de Belgische suikerbelangen. Hij stemde voor het voorstel om die vrije markttoegang met vijf jaar uit te stellen voor suiker, bananen en rijst.

Het hoofdstukje grootspraak


‘Er werden al stappen gezet in het kader van het HIPC-initiatief (*)maar we moeten sneller en verder gaan.’ (toespraak op het OESO-forum 2002)
(* Debt Initiative for Heavily Indebted poor Countries; hét internationale raamakkoord voor schuldkwijtschelding, ndvr)
De premier pleitte meermaals voor een veel drastischer kwijtschelding van de schulden van ontwikkelingslanden, maar als het op daden aankwam, scoorde deze regering maar middelmatig. Het HIPC-plan scheldt bepaalde schulden van landen die voldoen aan de vereiste criteria voor 90 procent kwijt. Omdat het vaak om zeer oude schulden gaat, beslisten Groot-Brittannië en de Scandinavische landen ze voor 100 procent kwijt te schelden. NGO’s en staatssecretaris Boutmans drongen er tevergeefs op aan dat België hetzelfde zou doen.
Zegt Marc Deneer, adviseur op het kabinet Boutmans: ‘Ik denk dat Verhofstadt wel verder wilde gaan, maar minister van Financiën Reynders lag dwars. Ik maakte heroïsche discussies mee tussen vertegenwoordigers van Verhofstadt en van Reynders. Feit blijft dat hij dit als premier ook niet heeft willen of kunnen opleggen.’ Al bij al stonden de hoogdravende betogen van de premier niet in verhouding tot de Belgische prestaties terzake. Soms ontstond in deze ook de indruk dat een zekere profileringsdrang vaak primeerde op dossierkennis. Zo beloofde de premier op de francofonietop in Beiroet om Libanon meer schulden kwijt te schelden dan het schulden aan ons land had.
‘Waarom zouden we de beslissingen die de Europese Unie neemt, niet steeds toetsen aan de impact ervan op de zwaksten van de planeet?’ (Eerste open brief aan de antiglobalisten, september 2001)
Een voorzet van de premier, maar de andersglobalisten vertikten het hem hierop vast te pinnen. Op een schriftelijke vraag van MO* of hij dit voorstel ooit heeft aangekaart, antwoordde Verhofstadt naast de kwestie. Europees parlementslid Anne Van Lancker (SP.A) zegt dat Verhofstadt zo’n mondiale toets nooit heeft voorgesteld op EU-niveau.
‘Het idee dat de wereld kan worden verenigd zonder regulering, is een illusie.’ (NewYork, WEF, februari 2002)
Hij pleitte meermaals voor een politieke globalisering die greep krijgt op de mondiale economie, maar in de regeringspraktijk kreeg meer dan eens zijn liberale afkeer voor regulering de bovenhand. Dirk Van der Maelen kreeg er wel zijn wetsvoorstel voor een Belgisch sociaal label voor “eerlijke” producten door, maar in het dossier van de ecotaksen werd weinig vooruitgang geboekt, ook al beloofde het regeerakkoord expliciet de belastingen te ecologiseren.
In 1999 kwam 5.5 procent van de belastinginkomsten uit ecotaksen. Daarmee bengelde België aan de staart van het Europese peloton. Sindsdien is er amper iets veranderd. De ecotaksen op pesticiden werden geschrapt. Met de ecotaks op drankverpakkingen bleef Reynders tot het allerlaatste moment talmen, ook al zijn ze onderhand teruggebracht van 24 tot 7 eurocent per verpakking. Een verhoging van ecotaksen ondermeer een Belgische CO2 taks om zo de lasten op arbeid te kunnen verlagen, zat er niet in met deze regering. Nochtans is taxatie de meest marktconforme vorm van regulering, wat liberalen normaal gezien moet aanspreken.
Pogingen om greep te krijgen op de globale geldstromen konden evenmin op Reynders’ steun rekenen. Dat bewijst zijn verzet tegen de Tobintaks, maar er is meer. De OESO bestrijdt sinds een paar jaar schadelijke vormen van belastingcompetitie en vraagt ons land in dat kader om de afschaffing van de zogenaamde coördinatiecentra die grote buitenlandse ondernemingen naar ons land lokken met een belastingtarief van 2 procent. België blijft evenwel zo lang mogelijk aan de coördinatiecentra vasthouden.
‘Het is hoog tijd dat alle landen  ik herhaal: alle landen  het Kyotoprotocol ratificeren en beginnen met de uitvoering ervan.’ (Aardetop, september 2002)
Het Kyotoprotocol verplicht ons de uitstoot van broeikasgassen 7 procent onder het niveau van 1990 te brengen. Onder deze regering stegen we tot 7.5 procent bóven die 1990-norm. Ook onze energieconsumptie groeide fameus. De uitstap uit de kernenergie werd wel beslist maar die kan natuurlijk alleen als er ook een instap in hernieuwbare energiebronnen komt. Op dat vlak werd amper vooruitgang geboekt: er kwam voor 34 gigawatt aan windenergie bij. Op een totaalverbruik van 78.000 gigawatt steeg het aandeel van hernieuwbare energie van 1.90 naar 1.94 procent. Vlaanderen had zich voorgenomen tegen 2004 de 3 procent te halen, maar verlaagde dat cijfer al tot 2 procent.
‘Maar het hele wettelijke kader is nu klaar, en als de grote projecten op de Thorntonbank er komen, is dat meteen goed voor 2000 Gigawatt, en halen we makkelijk de Europese norm inzake hernieuwbare energie, 6 procent tegen 2010’, verklaart Alex Polfliet op het kabinet van staatssecretaris Olivier Deleuze.
Als we alles op rijtje zetten, dan is duidelijk dat de regering zonder twijfel op een aantal domeinen de daad bij het woord voegde : er kwam meer geld voor ontwikkelingssamenwerking én ze toonde via haar verzet tegen de Irakoorlog dat het haar menens is, als ze pleit voor een betere machtsverdeling in de wereld. Keerzijde van de medaille is dat de liberale afkeer van regulering bij de regering zodanig doorwoog dat de ze nog niet ver gevorderd is wat de evolutie naar een duurzame economie betreft  en dát is nu net een veel dikker en taaier dossier.

Het lange gevecht van Boutmans - ’ We moesten drie perslekken organiseren&#39 


Vorig jaar ging 0.42 procent van ons nationaal inkomen naar ontwikkelingssamenwerking. In 1998 was dat nog 0.35 procent. Het was van 1991 geleden dat België boven de 0.4 procent uitkwam. Bovendien legde staatssecretaris voor Ontwikkelingssamenwerking Eddy Boutmans wettelijk vast dat we tegen 2010 de 0.7 procent moeten halen. Toch komt de groene excellentie niet als een overwinnaar uit de strijd. ‘Omdat we de hele legislatuur in het defensief zaten, en ook altijd zo in het nieuws kwamen’, reageert kabinetschef Guido Van Hecken.
Boutmans moest inderdaad tegen een Europese stroom in roeien, die van Ontwikkelingssamenwerking een instrument van Buitenlandse Zaken wil maken: in de EU is de raad van ministers van Ontwikkelingssamenwerking al opgegaan in de algemene raad Buitenlandse Zaken en is de administratie Ontwikkeling zo goed als verdwenen. ‘Concreet betekent dit dat het geld wordt besteed in functie van de diplomatieke noden van het moment: vorig jaar Afghanistan, nu Irak. Ontwikkelingssamenwerking daarentegen werkt op de lange termijn aan armoedebestrijding in dialoog met het partnerland.’
Ook in België moest Boutmans tegen die opslokbeweging vechten. Zijn voorganger, Reginald Moreels, bracht het beruchte ABOS bovendien onder bij het ministerie van Buitenlandse Zaken. Al bij de eerste contacten liet de huidige minister van Buitenlandse Zaken, Louis Michel, weten dat ‘hij niet voor iedere frank wilde vechten zoals zijn voorganger Derycke had moeten doen tegenover Moreels’.
Van Hecken: ‘We kregen een protocol voorgelegd waarin stond dat Michel naar de toen nog bestaande ministerraad voor Ontwikkelingssamenwerking zou gaan, dat hij zou beslissen over de begroting en over wie erkend werd als partnerland of ngo. Kortom, Boutmans zou alleen nog lintjes mogen doorknippen.’ Boutmans ondertekende dat protocol niet, maar ‘de guerrilla ging vier jaar door’, zegt woordvoerder Dirk Depover.’Drie keer hebben we een perslek georganiseerd. Als het er echt om spande, moesten we op die manier de achterban mobiliseren.’
De eerste keer ging het om de controle op het geld van Ontwikkelingssamenwerking. De tweede keer draaide het om de benoeming van het personeel van de administratie van Ontwikkelingssamenwerking. Michel liet verstaan dat híj moest kunnen benoemen omdat zijn partij drie bewegingen telt en er dus veel gegadigden zijn. Via een kop in De Standaard  “Michel legt opnieuw hand op…”  wisten we Ontwikkelingssamenwerking als aparte administratie niet alleen vijf directies te geven, maar er tevens voor te zorgen dat de directeurs via SELOR worden aangeworven, een garantie voor kwaliteit.’
De derde keer was ook Guy Verhofstadt erbij betrokken. In de peer review van 2001 van het ontwikkelingscomité van de OESO kreeg ons land goeie punten voor zijn ontwikkelingssamenwerking. Wel betreurde de OESO dat België, net nu het beter ging met zijn hulp, besliste om Ontwikkelingssamenwerking te regionaliseren. Zo’n slecht punt dreigde stokken in de wielen te steken van het Lambermont-akkoord dat juist op die regionalisering aanstuurde. En dus inviteerde de premier Jean-Claude Faure, voorzitter van het OESO-ontwikkelingscomité, om hem te vragen de passage aan te passen. Van Hecken: ‘We hebben de Belgische OESO-ambassadeur er dan in de media van beticht dat hij de tekst alsnog wilde veranderen. Ik ben drie dagen in Parijs, in de buurt van de OESO, gebleven om ervoor te zorgen dat er niks meer aan de tekst werd veranderd.’ (jvd)

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2916   proMO*’s steunen ons vandaag al. We hopen 2021 te kunnen starten met 3000 proMO*‘s, word jij er één van?

Word proMO* of Doe een gift