Angolese groeivertraging doet pijn in Portugal

De vertragende economische groei in Angola zal zich ook laten voelen bij de twee belangrijkste handelspartners van het land, Brazilië en Portugal. Vooral Portugal, dat zelf al economische moeilijkheden ondervindt, kon het nieuws missen als kiespijn.
De vooruitzichten van de Organisatie voor Economische Ontwikkeling en Samenwerking (OESO) liegen er niet om: de groei van de Angolese economie zal met 15 procentpunten vertragen tegen 2009. In 2007 had het olierijke Angolavriend en vijand nog verbaasd met een economische groei van 20 procent, maar die valt nu terug tot 11,5 procent in 2008 en 5,1 procent in 2009.
De groeivertraging is vooral slecht nieuws voor Portugal, de voormalige kolonisator van Angola. Portugal heeft zelf al te maken met economische moeilijkheden en een groei die lager uitvalt dan verwacht. Een vierde van de bevolking krijgt voor het vijfde jaar op rij te maken met koopkrachtverlies en de kloof tussen arm en rijk wordt steeds dieper.
Volgens Jorge Braga de Macedo, professor Economie en voormalig Portugees minister van Financiën, zal de groeivertraging in Angola “zonder twijfel een negatief effect hebben in Portugal”. De lagere groei is voor een deel te verklaren door de lage investeringen in de oliesector in het land. Volgens Braga de Macedo heeft Angola weinig andere economische activiteiten en “zelfs als die zouden uitbreiden, zouden ze de economische groei niet voldoende kunnen stimuleren.”

Onzekere investeringen


De lage investeringen zijn voor een deel te wijten aan de blijvende onzekerheid in de Angolese olieprovincie Cabinda, een enclave die gekneld zit tussen de twee Congo’s. De provincie is rijk aan olie en goud maar ook aan conflicten sinds Portugal ze in 1975 niet erkende als aparte staat maar als onderdeel van Angola. In 2006 werd een vredesakkoord getekend met afscheidingsgezinde rebellen, maar dat wordt niet erkend door de rebellenbeweging FLEC-FAC die blijft strijden tegen wat het noemt de “koloniale regering in Luanda”.
De Amerikaanse oliereus Chevron kondigde onlangs aan dat het drie miljard dollar zou investeren in een boorproject voor de kust van Cabinda, maar het voortdurende geweld maakt de aandeelhouders zenuwachtig. De Angolese regering in Luanda probeert die aandeelhouders te kalmeren met de boodschap dat de regio nu veilig en stabiel is, ondanks “de pogingen tot actie van de vijanden van de vrede” in de regio.

Oneerlijke groei


Olie maakt zestig procent uit van het Angolese bruto binnenlands product, en zelfs 95 procent van de export. Daardoor is het land “overgespecialiseerd” volgens Braga de Macedo. Dat is niet goed voor de bevolking, maar die kan wel de vruchten plukken van de verwachte groei van de economie als de Angolese overheid er voor zorgt dat de winst de armen ten goede komt, jobs creëert en lokale economische sectoren stimuleert.
De voormalige minister waarschuwt dat het een slecht idee is om de Angolese economie te laten groeien zoals in het verleden. Op zijn minst zou er een beleid moeten komen dat een meer eerlijke groei garandeert, zegt hij. Sinds het einde van de oorlog in 2002 is een kleine klasse onmetelijk rijk geworden, “terwijl het grootste deel van de bevolking in abjecte armoede leeft, in een land dat één van de rijkste ter wereld zou kunnen zijn”, zegt de Portugees-Angolese ondernemer Silvio de Paula.
Journalisten die de corruptie bij de regeringstop aanklagen, worden vervolgd als ze Angolees zijn of bedreigd met uitzetting als ze Portugees zijn, aldus de Paula. Bovendien zijn in de Angolese staatskrant bedreigingen verschenen tegen de Portugese investeerders in Angola als in de Portugese media nog aantijgingen van corruptie verschijnen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift