Anita Nair: 'Wie in staat is tot verwondering, leeft ten volle'

Anita Nair verkent de uithoeken van de menselijke emotie en de diepgang van Indiase klassieke dans. ‘Het meest venijnige personage kan toch ook een heel teder mens zijn, terwijl de superheld van het verhaal ook uitgesproken zelfzuchtig kan blijken.’
Anita Nair hoort thuis in de steeds langer wordende lijst Grote Schrijvers uit India. In haar jongste roman -De minnares- verkent ze de uithoeken van de menselijke emotie en de diepgang van Indiase klassieke dans. ‘Het meest venijnige personage kan toch ook een heel teder mens zijn, terwijl de superheld van het verhaal ook uitgesproken zelfzuchtig kan blijken.’
Kerala -de deelstaat waaruit mijn ouders afkomstig zijn- is een gekkenhuis. Dat zei de heilige Vivekananda begin vorige eeuw al. Het is een plek waar de tegenstellingen onbegrijpelijk groot kunnen zijn. Kerala heeft een stevige traditie van communistisch bestuur, met als resultaat een zeer hoge alfabetiseringsgraad, wettelijke gendergelijkheid en een betere gezondheidszorg dan in andere staten.
De communisten zijn erin geslaagd de uitwassen van het kastenstelsel terug te dringen. Extreme armoede is zo goed als verdwenen in Kerala, terwijl je vroeger tijdens de moessonmaanden overal hongerige of stervende mensen kon zien. Elk dorp in Kerala heeft zijn bibliotheek en er is een staatsbudget voor de aankoop van boeken. En toch heeft die breed gespreide intellectuele ontwikkeling en een regering die sociale rechtvaardigheid probeert te realiseren de mensen niet behoed voor de verblinding van luxe en goud. De armen steken zich diep in de schulden of huren goud om op de dag van hun huwelijk te kunnen pronken.
In India is elke veralgemening quasi onmogelijk. Wat je ook zegt, het is tegelijk waar en niet waar. Men zegt bijvoorbeeld, terecht, dat de nieuwe stedelijke middenklasse geneigd is tot overvloedige consumptie. Tegelijk zie je heel vaak dat die yuppies, zodra ze de kaap van de dertig ronden, terugkeren naar meer traditionele waarden en manieren van leven.
Een tweeduizendjarige traditie laat zich niet op tien of twintig jaar verdringen. Je kàn je verleden niet vergeten, je kan niet ontkennen waar je vandaan komt. Het is dus niet zo dat de traditie door een materialistische middenklasselevensstijl wordt vervangen, ik zie veeleer een poging om de traditie te incorporeren in een hedendaagse manier van leven. De hindoenationalisten hebben daar in de jaren negentig van geprofiteerd, maar hun echt extremistische groepen zorgden ervoor dat ze niet konden uitgroeien tot de dominante politieke kracht in India.
Mijn India wordt niet gekenmerkt door nostalgie of exotische romantisering. Bij migranten, die hun land van oorsprong proberen te herscheppen, krijg je van die typische hertekeningen: of ze presenteren een opgeschoonde herinnering als iets wat ze werkelijk beleefd hebben, of ze rekenen af met het zogenaamde achterlijke land dat ze achterlieten. Daar heb ik geen last van.
Voor mij is India een levend land, met alle fouten en mooie kanten die daarbij horen. Mijn redacteur, mijn uitgever, mijn eerste lezerspubliek, mijn literaire critici, ze leven allemaal in India en weten dus bijzonder goed waarover ik het heb. Mijn boeken worden ook vertaald in het Malayalam, Marathi en Hindi. Dat maakt de echte lezerstest mogelijk: mensen uit Kerala kunnen in hun eigen taal een boek lezen dat zich afspeelt in hun eigen omgeving. Die gedachte behoedt me voor het exotiseren van mensen of omgevingen, of voor het bespotten van mijn eigen land.
In mijn jongste roman graaf ik diep in de essentie van Indiase dans. Ik kan dat omdat mijn omgeving, mijn achtergrond, mijn wortels, alles aan mij ten gronde Indiaas is. Ik heb niet alleen de juiste nationaliteit om een Indiase identiteit te claimen, ik heb ook een opvoeding gekregen die daarop gericht was.
Ik groeide op in een omgeving van ambtenaren die zich heel erg toelegden op het opbouwen van één natie, maar die wel grotendeels met elkaar converseerden in het Engels. Want de Punjabis begrijpen het Tamil niet en de Keralites begrijpen het Mahrathi niet. Elke dag moesten we op school de nationale eed opzeggen. Ik spring ook nog altijd in de houding als ik de Indiase nationale hymne hoor.
Als kind dacht ik niet over mezelf als typisch Indiaas, het is maar door de confrontatie met mijn neven en nichten die in het buitenland opgegroeid zijn dat ik me bewust werd van mijn Indiaas-zijn. Je voelt dat opwellen in de kleinste hoekjes van je bestaan. Ik vind, bijvoorbeeld, nog altijd dat de keuken mij toebehoort. Mijn echtgenoot kan heerlijk koken, maar als hij te veel te zeggen krijgt in de keuken, word ik daar nerveus van.
Ik voel me ook nog altijd verplicht om een aantal religieuze feesten in ere te houden, ook al ben ik niet erg religieus. Dat is wellicht het verlangen tradities zoals bijvoorbeeld diwali, het feest van het licht, door te geven aan mijn kinderen. Als ik op zulke feestdagen de juiste gerechten klaarmaak en het huis versier op de gepaste manier, krijg ik het geruststellende gevoel dat ik een deel ben van iets dat vóór mij bestond en -een beetje dankzij mij- ook na mij zal voortleven.
Het hart heeft negen gezichten: liefde, minachting, verdriet, woede, moed, angst, walging, verwondering en vrede. Deze emoties vormen het alfabet van de kathakali danstraditie en zijn de kapstokken waaraan ik het verhaal van Minnares opgehangen heb.
Het grote voordeel van kathakali is dat de personages die opgevoerd worden nooit zwart-wit zijn. Het meest venijnige personage kan toch ook een heel teder mens zijn, terwijl de superheld van het verhaal ook uitgesproken zelfzuchtig kan blijken. Die wereld van grijswaarden spreekt mij aan. Want ook in echte mensen tref je die mengeling van goed en kwaad, van moed en egoïsme. Van de negen basisemoties is verwondering wellicht de belangrijkste voor mij. Al de andere emoties zijn in zeker zin beheersbaar, alleen verwondering kan je niet voorzien of opwekken. Dat maakt het ook zo moeilijk om te doen alsof.
Echte verwondering is voor mij de maatstaf om te weten of je tenvolle leeft. Verwondering kan optreden bij zaken die je allang gewoon bent, maar plots in een heel nieuw daglicht ziet. Ik kende bijvoorbeeld kathakali al mijn hele leven, maar het moment dat ik besefte wat er allemaal achter die bewegingen en gezichtsuitdrukkingen zat, opende dat, letterlijk, mijn ogen.
Maar verwondering overvalt me bijvoorbeeld ook telkens ik vuurvliegjes zie -en dat is me al duizenden keren overkomen. Verwondering komt immers niet alleen voort uit intellectueel inzicht, maar ook uit lichamelijke of tactiele indrukken. Al worden intellectuele uitdagingen voor mij als schrijfster steeds belangrijker. Ik beleef er heel veel plezier aan als ik nieuwe leefwerelden en andere kennisterreinen kan verkennen.
Niet verwondering, maar liefde -de emotie waarrond Minnares opgebouwd wordt- is bepalend in het menselijke bestaan. Liefde is de aantrekkingskracht die uitgaat van een persoon, een roeping, een opdracht. Passie is de kracht die je nog heviger doet verlangen en je aanzet om degene of datgene waarnaar je verlangt nog sneller te bereiken. Passie is liefde op zijn hoogtepunt.
Minnares door Anita Nair is uitgegeven door De Arbeiderspers. ISBN 97-890 567 2207-4
www.anitanair.net

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift