Archie Shepp: 'Mag een zwarte artiest méér doen dan swingen?'

Muzikanten en muziekprogrammatoren zijn druk bezig grenzen te verleggen en te doorbreken. Soms gebeurt dat uit louter commerciële overwegingen, soms is het hun bijdrage aan een nieuwe wereld waarin respect niet ophoudt aan de landsgrenzen of bij oude conventies. In die vernieuwde aardrijkskunde lijkt echter geen plaats te zijn voor jazz, al is dat sinds mensenheugenis de broedplaats voor diepgaande en respectvolle muzikale ontmoetingen. Een gesprek hierover met Archie Shepp, één van de peetvaders van de hedendaagse jazz, doorbreekt meteen ook de grenzen tussen muziek, politiek en, cultuur.
Archie Shepp is in Rotterdam voor een optreden in het kader van Dunya Festival, het grootste multiculturele Europese festival met zo’n 250.000 bezoekers. Shepp geeft er een nachtelijk jazzconcert én treedt op in het kader van ‘Jazz & Poetry’. Het interview begint met anderhalf uur vertraging: de 62-jarige saxofonist slaapt uit en gaat uitgebreid in bad. Dat laatste merk ik zodra hij dan toch opdaagt: stijlvol maatpak, das, pommade. Mijnhéér Archie Shepp.

‘Ik spreek niet graag over onze muziek als ‘jazz’, omdat dat woord dezelfde betekenis heeft als neuken’, zegt Shepp in het begin van het interview, ‘ik noem het liever hedendaagse Afrikaans-Amerikaanse instrumentale muziek.’ Voor het gemak van het gesprek is hij wel bereid om de verfoeide maar aanmerkelijk kortere term te gebruiken. ‘Jazz is de moeder van alle wereldmuziek en John Coltrane was de vader. Hij was de eerste die Indiase toonschalen introduceerde op de saxofoon. Hij ging graven naar de wortels van de muziek die door zwarte Amerikanen gespeeld werd en ontwikkelde radicaal nieuwe harmonieën en toonaarden. Coltrane bevrijdde zwarte muziek ook van het ontspanningssyndroom. De improvisaties die hij neerzette waren geniaal. De vraag is of zoiets voor een breed publiek aanvaardbaar is. Kunnen wij aanvaarden dat een zwarte artiest niet alleen leuk en swingend is, maar ook onze aandacht opeist, op dezelfde manier als Stockhausen, Beethoven en Philip Glass?’

Muziekfestivals worden vaak voorgesteld als een bijdrage tot een meer menselijke wereld, een oefenplaats voor tolerantie en culturele uitwisseling. Ziet u dat ook zo?

‘Kleine festivals ontstaan meestal uit een grote liefde. Daar sta ik helemaal achter. Je krijgt een heel ander fenomeen als zo’n klein en gekoesterd idee uitgroeit tot een muziekmultinational. Dan verwordt een muziekfestival tot een verlengstuk van big business. De huidige wereldmuziek situeert zich vaak in die omgeving. Het is een burgerlijke muziekstijl geworden, die wel gebouwd is op wat zwarte muzikanten ontwikkelden in de jaren zestig, maar die de politieke boodschap van toen verwerpt. Muziek en muziekfestivals moeten draaien om het overleven van de mens. Overleven in waardigheid.’

Is uw aanwezigheid op dit evenement, waar poëzie, verhalen en muziek met elkaar verbonden worden, een politieke stellingname?

‘Om te beginnen moet het duidelijk zijn dat alles en iedereen politiek is. Of je het nu weet of niet, of je bewust handelt of niet. Elke burger heeft een verantwoordelijkheid tegenover de samenleving. Hier aanwezig zijn is een reuzekans, maar het is ook mijn manier om mijn verantwoordelijkheid op te nemen. Als een geëngageerde Afrikaanse Amerikaan. Als een zwarte kunstenaar.’

Uw muziek heeft vaak een uitgesproken gospelklank. Dat is toch eerder religieus?

‘Hoe kan je religie en politiek scheiden? Eén van de weinige slavenopstanden in de VS werd geleid door Nat Turner, een priester. Religieus bezielde politiek is wel degelijk mogelijk. En dan heb ik het niet over integrisme of religieus fanatisme, maar over een maatschappelijk handelen dat religieus geïnspireerd wordt. Religie is belangrijk voor mij. Ik bid tot elke god die mij wil horen. Jezus, Mohammed, Mozes. ik bid tot hen allemaal. Ik luister naar een rabbi en ik ben een juju-man.’ Terwijl Shepp zijn opsomming van goden en heiligen doet, antwoordt de Surinaamse verhalenverteller Paul Middellijn, die bij aan tafel zit, met ritmische alleluja’s. De twee mannen geven elkaar een Black Brother-handdruk. Archie Shepp neemt nog een slok gekoelde rum en spoelt die door met mineraal water.

In de mate dat u teruggrijpt naar Afrikaanse religiositeit, stoot u wellicht toch op de breuk die veroorzaakt werd door de slavernij. Moet u die Afrikaanse religie niet zelf opnieuw uitvinden?

‘Tot op zekere hoogte wel, ja, maar door daarmee bezig te zijn, heb ik gemerkt dat de dingen die ik zogezegd zelf uitvond, eeuwenoud waren; dat mijn ontdekkingstocht mij via een lange weg terugvoerde naar plaatsen waar ik al geweest was. Veel van de zaken die wij zogezegd verloren waren, werden immers impliciet bewaard in de zwarte gemeenschappen. Toen ik de verhalen over de spin Anansi leerde kennen, herkende ik onmiddellijk de belevenissen van een konijn, zoals die thuis in Fort Lauderdale verteld werden. Kennis is vaak een kwestie van de kans krijgen om sluimerende elementen aan elkaar te knopen. Daarom is het ook zo tragisch dat zo weinig Afrikaanse Amerikanen kansen krijgen op een goede scholing. Het zou juist belangrijk zijn om onze volkstradities een plaats te geven in het bredere Amerikaanse bewustzijn, want in die volkse cultuur leeft nog het besef dat alles met elkaar verbonden is, daarin leeft nog een passie voor het leven als geheel. Verhalen zijn in die zin belangrijk. Ze vormen een draad die ons verbindt met het verleden en ons zo helpt om oplossingen te vinden voor de uitdagingen van vandaag en dus ook om toekomst te maken. Tradities en cultuur zijn bewaarplaatsen van de meest belangrijke ervaringen en waarden die ons moeten helpen om op deze aarde te overleven. Daarom voel ik me ook altijd zo vredig als ik me in het gezelschap bevindt van mensen die zo’n traditie belichamen of doorgeven. Ook al zeggen ze harde en moeilijke dingen, toch zijn ze van levensbelang voor ons allemaal.’

Wat schiet over er van die tradities in de grootsteden van vandaag?

‘Wat voor cultuur krijg je als er elke dag meer daklozen en drugsverslaafden bijkomen? De situatie van zwarte Amerikanen is desastreus: de meisjes hebben een gezin, de vaders zitten in de gevangenis. Tegelijk groeit uit die ellende, op straathoeken en in strafinrichtingen, een nieuw soort volkstraditie: de rapmuziek. Rap een fenomeen, want die kids hebben op school nooit van poëzie gehoord, kennen niets van jambische of vijfvoetige verzen, en toch brengen ze poëzie alsof ze nooit iets anders gedaan hebben. Het probleem met rap is niet zozeer dat het in taal, symboliek en manier van leven een heel gewelddadige cultuur is, in die zin weerspiegelt ze de waanzin van de wereld waarin ze ontstaat. Wél problematisch is het feit dat rap op de eerste plaats gemaakt wordt voor commerciële consumptie en belangen. De muzikanten wéten bovendien dat ze meewerken aan hun eigen uitbuiting.’
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift