Aymara-indianen in Peru

Er waait een frisse wind over de Andeshoogvlakte. De aymara-indianen op de Peruaanse hoogvlakten zijn allergisch geworden voor ‘modernisering’ en ‘ontwikkeling’ -en dat is goed nieuws. Zij willen zich onttrekken aan de zuigkracht van de globalisering en hun eigen ritme volgen. Dat ritme wordt aangegeven door de hartslag van de aarde, van Moeder Aarde. Hun eigen cultuur wijst de weg naar zelfontplooiing en geluk, vinden de aymara’s. Hoé anders aymara’s naar de wereld en naar het leven kijken, blijkt nog het meest uit de rituelen die hun dagelijks leven begeleiden.
Alles is heilig

We rijden van Puno, in het Zuiden van Peru, naar Conima, een afgelegen aymaradorp aan de Boliviaanse grens. De hoogvlakte wordt ingesloten door donkere bergketens die, als de ledematen van een immense slapende reus, het uitgestrekte landschap omvatten. Vóór ons schittert het Titicacameer, ‘Moeder Meer’ voor deze indianen. Walter Chambi leunt op het stuur van de camionette en wijst in de verte: ‘Ginds, op de grens met Bolivia, ligt het eiland van de productie’. Ik zit naast hem in de wagen maar hoor zijn woorden alsof ze van duizenden kilometer ver komen. Ik ben hier nog geen vierentwintig uur geleden aangekomen, op vierduizend meter hoog, en mijn lichaam worstelt met de aanpassing. Mijn hoofd duizelt en mijn maag keert zich om. ‘Aardappelen en andere knolgewassen, gerst en quinoa groeien daar in overvloed, zonder dat iemand ze ooit zaait of plant’, hoor ik Walter vertellen. Het is een ‘waca’, een heilige plek, bron van energie, waar mensen naartoe trekken om aan Moeder Aarde te offeren en een goede oogst te vragen. Verder in het meer liggen het eiland van de Zon en het eiland van de Maan. Hieruit zijn volgens de mythe de eerste Andesmensen ontstaan, de stamouders van de Inca’s.

De aymara’s waar ik naartoe trek beschouwen zich echter niet als afstammelingen van de Inca’s, maar als kinderen van Tiwanacu, het rituele heiligdom ten zuiden van het Titicacameer. Op de zonnepoort van Tiwanacu prijkt, nu al twee millenia lang, Wiracocha, de god van de landbouw. Hier zie ik hem, op het dak van de hutten rond het Titicacameer, in de vorm van een kruisje met dubbele dwarslijn. ‘Wiracocha’, vertelt Nestor Chambi, ‘betekent eigenlijk ‘bron van leven’. Het is de god die waakt over alle heilige plekken hier in deze omgeving.’

Heel dit Andeslandschap ligt bezaaid met waca’s, heilige plekken: op de toppen van de bergen, aan de rand van het meer, in holtes op de hellingen, bij de bronnen van riviertjes. Voor de aymara’s is heel de omgeving heilig en doordrongen van leven. De bergen en de stenen, de lucht en het meer, de planten, de dieren en de mensen, allemaal hebben ze een ziel en werken ze op elkaar in. Deze indianen leven niet alleen samen met elkaar maar met de hele omgeving. Die omgang met alles wat hen omringt, krijgt op een bijzondere manier vorm in de rituelen die ik de volgende dagen en weken mag meemaken. Nestor en Walter Chambi -de bezielers van de organisatie ‘Chuyma Aru’- en hun jonge medewerkers Jorge en Sabino, Elisabeth en Wilson brengen me zo in aanraking met de intieme lagen van de aymaracultuur.

Alles is relatie

Het is dinsdag, negentien januari. In Cucuraya, één van de gemeenschappen van Conima, gaat vandaag het ritueel ‘tegen de hagel, de vorst en de wind en vóór de regen’ door. Deze gebeurtenis vindt steeds plaats rond de feestdag van San Sebastian op achttien januari, maar moet op een dinsdag of een vrijdag gebeuren, want die dagen zijn geschikt om negatieve krachten te bestrijden. De jonge gewassen van aardappelen, gerst, quinoa en maïs staan nu in volle bloei en zijn bijzonder gevoelig voor de vorst, die rond deze periode kan toeslaan. Ook vroegtijdige droogte zou het rijpingsproces verhaasten. Het zou best regenen en dus worden er in deze periode in de hele regio, dagen en nachten lang, rituelen gehouden om de landbouwcyclus zo harmonisch mogelijk te laten verlopen.

‘Ik zou je willen vragen om alles wat je vandaag ziet, te benaderen met de logica van je hart, niet met die van je verstand’, zegt Jorge. In de boeken van José María Arguedas las ik precies hetzelfde. Het thema van deze Peruaanse schrijver is telkens weer die tegenstelling tussen de indiaanse en de mestiezencultuur. Arguedas, zelf een mesties, groeide op in een indiaanse omgeving en pleegde uiteindelijk zelfmoord omdat hij het leven vanuit de gespletenheid tussen die twee werelden, die tot op vandaag Peru verdelen, niet aankon. Maar Jorge spreekt hier niet in literaire referenties. Zijn woorden komen recht uit zijn hart. Als zoon van een aymaragenezer heeft deze jonge antropoloog het culturele erfgoed van zijn volk in al zijn volheid meegekregen. ‘Niet geërodeerd’, zegt hij zelf. In die verwoording zit een hele wereld van aymarafilosofie verscholen. Goede grond en culturele tradities: allebei zijn ze vruchtbaar en noodzakelijk voor het overleven van dit landbouwersvolk.

De hagel, de vorst en de regen

Het is haast middag en de zon brandt. Toch zitten we dik in de kleren, met een poncho om en een hoed of een muts op. Wie aan dit ritueel deelneemt, moet voorzien zijn op de komst van de Vorst en de Hagel. ‘Vandaag verloopt alles links’, legt Walter uit terwijl we naar boven stappen. Hij plukt een takje rode anjelieren en voorziet elk van ons van een bloem, links op onze hoed. In deze kledij stappen we het huisje van de ‘marani’ binnen, de man die verantwoordelijk is voor de landbouwcyclus. Een marani leest de tekenen van de natuur en waakt erover dat de akkers met zorg bewerkt worden en dat de nodige rituelen plaatsvinden.

Het duurt even voor mijn ogen zich van het felle licht buiten aanpassen aan de duisternis in het kamertje en zien wat er allemaal te zien is. Links in het vertrek zit, op een brits tegen de muur, de marani in zwarte poncho, met een muts op zijn hoofd en een hoed eroverheen. Naast hem, zijn assistenten, in rood-zwartgestreepte poncho, een hoed op en een zwarte staf in de hand. Elk van die assistenten staat voor één soort gewas. Er is er één voor de aardappelen, één voor de quinoa, voor de gerst, voor de maïs; elf in totaal. Vóór de marani ligt een doek van lamawol, de ‘offertafel’, overvloedig bestrooid met cocablaadjes, met erdoorheen rode bloemen en sigaretten. Bier en alcohol flankeren de offertafel. Ingetogen, met de ogen gesloten, kauwt de marani op een bol cocablaadjes in zijn linker mondhoek. Zijn donkere, spitse gezicht blinkt van het zweet. Rechts in het vertrek zie ik het spiegelbeeld van dit tafereel: de mit’ani, zoals de vrouw van de marani genoemd wordt, met haar helpsters en hun ‘altaar’. Langsheen de twee andere muren zitten de andere deelnemers, te praten en te kauwen. Het kleine kamertje zit afgeladen vol. Nog vóór ik in het donker een plaatsje gevonden heb, krijg ik van de mit’ani een bundeltje cocablaadjes in mijn mond geduwd. De vrouw gebaart met aandrang dat ik ook moet kauwen.

Er is op ons gewacht om het ritueel te beginnen. De marani schudt nog een hoeveelheid coca op de offertafel en spreekt een gebed uit aan Pachamama, Moeder Aarde. Elke deelnemer komt naar voor, neemt al biddend een handvol blaadjes en legt die in een speciaal offerdoek, bestemd voor de Hagel, de Vorst en de Wind, en nog een handvol om zelf op te kauwen. Dan brengen de assistenten één voor één hun offergaven: kleine zakjes met graan, die straks als voedsel gebracht worden naar de heilige plaatsen van de Hagel, de Vorst en de Wind. Bij elke offergave wordt er, met de linker arm uitgestrekt over de offergaven, gebeden ‘dat Pachamama welwillend moge zijn; dat de hagel en de vorst en de wind geen schade mogen berokkenen; dat het een goede oogst moge worden. Dat niemand honger mag lijden.’ Er worden kleine glaasjes alcohol doorgegeven -van links naar rechts- en er wordt gedronken ‘om de omgeving warm te houden’. Ook de sigaretten worden nu rondgedeeld en gerookt, ‘om de wind te verdrijven’. En coca, in bundeltjes van vier of vijf blaadjes, wordt door de deelnemers aan elkaar vol devotie aangereikt als een hostie. Mannen en vrouwen kauwen en drinken en roken en bidden. ‘Dat is zo onze gewoonte hier’, lacht één van de vrouwen verontschuldigend, terwijl ze me een glaasje alcohol aanbiedt.

Een man vouwt een doek uit op de grond en schudt de maaltijd erop uit: aardappelen en andere knolgewassen, maïs, tarwe- en quinoabroodjes en bonen. Er wordt gegeten en het bier gaat de ronde. De sfeer is gewijd maar ontspannen en gezellig. Na de mensen is het de beurt aan de godheden om te eten. Elke assistent neemt zijn offergave en gaat die, vergezeld van twee andere mannen, wegbrengen naar de waca’s. De andere deelnemers installeren zich buiten, op het plein voor het huisje. De mannen in één kring, de vrouwen in een andere, met dezelfde offertafel in het midden. Met nieuwe hoeveelheden coca wordt er nu om regen gebeden. Elisabeth zet zich naast me. Zij is drieëntwintig en antropologiestudente. Afkomstig uit een aymaradorp in de buurt, is ze zelf doordrongen van deze tradities. ‘De Regen’, vertelt Elisabeth, ‘wordt beschouwd als de Schoonzoon. Om hem te lokken heeft de marani een jong meisje uitgekozen, die als verloofde aan de Regen wordt geschonken. Het meisje in kwestie weet niet dat zij de uitverkorene is.’ Dit gedeelte is niet meer links georiënteerd, want dan zouden we de regen afschrikken. Alles verloopt nu rechts. Er wordt geen alcohol meer geschonken maar chicha, een gefermenteerde drank op basis van maïs. Telkens worden twee houten bekers, in de vorm van een kelk, gevuld met chicha die genomen wordt uit een aarden kruik. De marani roept beurtelings twee personen naar voor, die de bekers opdragen aan Pachamama, een beetje ervan opdrinken en de rest bij wijze van plengoffer uitgieten over de aarde en over de aanwezigen. Ik krijg bij één van de plengbeurten ook een flinke hoeveelheid chicha over me heen. ‘Niet droogvegen’, reageert Elisabeth snel. ‘Dat zou betekenen dat je niet wil dat het regent.’ Ik laat me rustig uitdruppen en kauw verder. De zon brandt op mijn gezicht en ik zweet onder de dikke poncho en de muts, maar het hoort zo. Het schemert al wanneer het laatste groepje terugkeert van zijn waca. Na een laatste gebed, waarin de marani oproept deze traditie altijd te bewaren, nemen we afscheid van elkaar en wachten in spanning op de regen.

Alles hangt samen

Enkele dagen later word ik ‘s ochtends gewekt door het gekletter van dikke regendruppels op de zinken golfplaten van het hotelletje. Pachamama heeft onze smeekbeden aanhoord. Hoe is dat in godsnaam mogelijk? Nestor is niet echt verwonderd. ‘De afgelopen nachten hebben alle gemeenschappen afgevaardigden gestuurd naar de bergtoppen om regen te vragen. Zelfs de burgemeester heeft opgeroepen om rituelen te doen.’ Ik vraag of zij misschien het weer kunnen beïnvloeden. Neen, dat kunnen ze niet, geeft Nestor toe. Wat ze wel doen, is de harmonie herstellen in heel de omgeving. ‘De rituelen zijn momenten waarop alle krachten die in de natuur leven -de mensen, de dieren, de planten, de aarde, het meer en de bergen- met elkaar dialogeren. Geschillen tussen mensen worden bijgelegd en er wordt op toegezien dat niemand of niets tekort komt. De rituelen verscherpen onze aandacht voor wat er in de omgeving leeft, zodat we onze activiteiten daarop kunnen afstemmen en de harmonie hersteld wordt’, vertelt Nestor. ‘Hier in de Andes, op vierduizend meter hoogte en met temperatuurschommelingen van vijfentwintig graden overdag tot min achtentwintig ‘s nachts, is dat de enig mogelijke manier om aan landbouw te doen. Niet de mens maar de natuur bepaalt het ritme. Alleen wanneer je communiceert met alles wat je omringt, kan je iets doen groeien. Je kan hier niet werken als technicus.’

De Chambi’s spreken uit ervaring. In een vorig leven hadden Nestor, nu achteraan in de veertig, en Walter, vooraan in de vijftig, allebei een goede ambtenarenbaan als landbouwingenieur bij het Ministerie van Landbouw. Twaalf jaar geleden verlieten ze die positie. ‘We merkten dat we met al onze wetenschappelijke schema’s meer om zeep hielpen dan opbouwden.’ Walter: ‘Ik stond in voor de herbebossingsprogramma’s. Alle eucalyptusbossen die je hier ziet, heb ik laten aanplanten. Kijk naar het resultaat: de bodem produceert alleen nog maar stenen. De erosie is volledig.’ Nestor valt bij: ‘Met het Nationale Planningsinstituut zetten we projecten op voor plattelandsontwikkeling. Bij de oogst waren de boeren echter gedwongen de dikste aardappelen af te staan voor de afbetaling van hun leningen, terwijl ze zelf achterbleven met de afval die normaal aan de dieren wordt gegeven. Een aantal jaren geleden werd er hybried zaaigoed ter beschikking gesteld. Door te lange droogte is alles verloren gegaan en konden de mensen niet anders dan terugvallen op vroegere reserves en de vertrouwde aanpak. Men komt hier kippenkwekerijen installeren die chiquer zijn dan de huizen van de mensen. Zoiets vloekt met de realiteit. Het zijn projecten uit een andere wereld.’ De voorraad voorbeelden van Nestor is onuitputtelijk. ‘Men wil ons bovendien doen geloven dat Peru geen landbouwland is. Kijk hier rond, van aan de zeespiegel tot vierduizend vijfhonderd meter hoog bewerken mensen het land, en dat doen ze zo al eeuwen. Vandaag bezitten de indiaanse gemeenschappen tien procent van de bebouwbare oppervlakte. Daarmee voorzien ze in zestig procent van de voedselbehoeften. Wat zouden we niet kunnen produceren wanneer we twintig procent van de grond hadden? Wij, Andesmensen, zijn boeren. Ons leven ligt hier, op het land.’ Omdat zij hun ogen niet langer konden sluiten voor al die negatieve ervaringen, verlieten de broers de overheid en richtten ‘Chuyma Aru’ op. ‘Het hart van de aymara’s’ betekent dat, en het is dát wat de Chambi’s hier opnieuw naar boven spitten.

Alles is opvoeding

Lichtmis nadert. La Candelaria, Onze Lieve Vrouw-Lichtmis, is de patroonheilige van Puno en de dagen die ik in de stad doorbreng, gonzen van de voorbereidende activiteiten voor haar feest. Twee weken duurt het folkloristische muziek- en dansfestijn van La Candelaria. Van over de grenzen komen mensen afgezakt naar dit centrum van de ‘huayna’s - het typische andesritme met fluiten, charango’s en gitaren- en de kleurrijke dansensembles. ‘Het is een heel oud feest, waarvan de oorsprong in het verre verleden te zoeken is, vóór de tijd van de inca’s’, verneem ik van een fiere voorzitter van de Regionale Federatie voor Folklore en Cultuur.

In de streek van Conima, op de akkers rond het meer, wordt La Candelaria nog steeds gevierd in die oorspronkelijke vorm, als een vruchtbaarheidsritueel voor de jonge gewassen op het veld. Lichtmis is voor de aymara’s het feest van de jonge gewassen.

Van alle vruchten van het veld is de aardappel de meest geliefde. ‘Hij is als onze moeder die altijd bij ons is’ of ‘als een kind dat we met zorg omringen, warmte en voedsel geven wanneer we de struiken aanaarden of vrolijk stemmen wanneer we dansen rond de akkers.’ Lichtmis is het feest van de ‘Ispalla’, de Aardappel. Ik vier het feest mee in Sucuni, een gemeenschap aan de rand van het meer. ‘Vandaag ben jij ook ‘ispalla’, drukt Walter me op het hart. ‘Niemand zal je aanspreken met je naam. Alle vrouwen zijn vandaag aardappelen, alle mannen graangewassen.’

Van op de weg beneden zie ik de rood-witte vlaggen wapperen in de wind. De muziek van de fluiten en de trommels weergalmt door de bergen en over het meer. Sicuni is in feeststemming. Bij het huis van de marani wemelt het van het volk, vooral veel meisjes -allemaal in een felgroene hoepelrok en een zwarte schouderdoek- en jongens -in zwarte broek en wit hemd. De jongeren zetten de toon vandaag.

Ik zet me in de kring van de ispalla’s en word er verwelkomd als ‘de witte aardappel die dit jaar de oogst komt verrijken’. Ik krijg een hoepelrok en een zwarte schouderdoek om, een bolhoedje op mijn hoofd, met een rode bloem aan de rechterkant, en een draagdoek om op mijn rug te knopen. De dorpelingen vinden het grappig maar zo ben ik wel een volwaardige ispalla. Eén van de vrouwen raadt me aan in de draagdoek alleen het noodzakelijke voor onderweg te knopen. Ik geef mijn rugzak in bewaring, berg mijn schrift en fototoestel in het doek en knoop het op mijn rug. Als één lange ketting klimmen we naar boven tot op een open plek, omringd met stenen muurtjes. Het is één van de openluchttempels, met een adembenemend uitzicht over de omgeving.

Onder het tranceverwekkende ritme van de fluiten en de trommels danst de jeugd in de ronde, zwaaiend met kleurrijke bloemenkransen. Groene hoepelrokken en witte hemden tekenen zich af tegen de lichtblauwe lucht en het donkergroene meer, als bloesems die ronddwarrelen in de ijle lucht. De ouderen zitten op de grond en kijken toe: een kring van mannen, met de marani; een kring van de vrouwen, met de mit’ani. Dan valt de muziek stil. Enkele meisjes komen naar de kring van de vrouwen. Ik merk dat alle ispalla’s in de kring hun draagdoek vóór zich op de grond hebben opengevouwen. Allerlei vruchten van het veld, producten van de vorige oogst, liggen uitgespreid: maïskolven, labbonen, bananen, tarwe- en quinoabroodjes en aardappelen. Een jonge ispalla knielt neer bij één van de vrouwen, neemt een handvol vruchten in haar handen en bidt met gesloten ogen en volle overgave tot de jonge gewassen op het veld: ‘Zoals deze vruchten opgegroeid zijn, zo moeten ook jullie groot en sterk worden.’ Met een bloem besprenkelt ze de gewassen met rode en met witte wijn en offert ze aan Pachamama. Zo knielt ze één voor één bij elk van de vrouwen. Dadelijk ben ik aan de beurt, maar ik heb niets om te offeren. In mijn doek liggen alleen het fototoestel en mijn schrift. De ispalla naast me fluistert snel: ‘Je kan ook geld offeren.’ Ik diep een briefje van tien soles op (ongeveer 10BEF, 0.5fl), ze geeft me enkele vruchten uit haar collectie en knikt tevreden. Wanneer het meisje bij me langskomt, fronst ze even de wenkbrauwen, prevelt dat ik daar beter dollars had gelegd maar draagt ook mijn offer op. Er wordt coca uitgeschud en gekauwd, gerookt, gedronken en gebeden, bij de vrouwen nog intenser dan in de kring van de mannen. Ik kan nauwelijks het tempo bijhouden en ben blij wanneer we, in de loop van de namiddag, de terugtocht naar beneden aanvatten.

De marani en zijn assistent dragen de geofferde vruchten in een doek op hun rug rond de velden. Op verschillende terrassen wordt er halt gehouden en dansen we rond de akkers. Telkens worden de verschillende gewassen aanroepen en bij elke graansoort wordt er een knieval gedaan. Af en toe, bij een hoopje stenen of een heuveltje in het landschap, bukt de sliert zich en tekenen de meisjes met hun duim het teken van Wiracocha in de aarde. Zo gaat de tocht naar beneden, tot bij de wegkant, waar er opnieuw een offerronde plaatsvindt. Dan weer naar boven, tot bij het huis van de marani, waar de oude vruchten in de doeken ‘te rusten’ worden gelegd. Zij hebben hun cyclus afgewerkt en geven nu de opdracht door. Ik ben bekaf en, zoals deze vruchten, blij dat ik me even neer mag leggen. Wanneer we Sucuni verlaten, weerklinkt huaynamuziek door heel het landschap. In enkele naburige gemeenschappen is het feest nog in volle gang.

De vreugde van de overvloed

We zitten rond de tafel in het enige restaurantje dat Conima rijk is. Bij een bord dampende aardappelsoep verteren we het ritueel van de voorbije dag. Er wordt, zoals altijd tijdens de maaltijden hier, veel gepraat en gelachen. Grappen gaan over en weer, in het aymara. Ik ben nog onder de indruk van het ritueel, van de intensiteit waarmee ik deze jonge mensen zag bidden en dansen. Hun bezorgdheid om de ketting niet de doorbreken wanneer we naar beneden kwamen, de devotie waarmee ze het Wiracochakruisje tekenden in de aarde. Walter roert in zijn kruidenthee en helpt me om te verstaan wat voor hen evident is. ‘We dansen rond de akkers, opdat de gewassen met vreugde zouden opgroeien. Een jonge plant is als een pasgeboren kind’. Hij neemt zuinigjes een slok kruidenthee en vervolgt: ‘Je moet elk nieuw leven ontvangen, met zorg omringen, blij maken, tederheid geven. Anders kan het niet tot volle ontwikkeling komen. Alle activiteiten op het veld moeten met vreugde gebeuren, opdat de gewassen zouden floreren. Wanneer je met tegenzin werkt, voelt de aarde dat en zal ze ook minder energie tonen.’ Het doel dat dat deze aymara’s zich gesteld hebben -ik hoor het hen hier telkens weer herhalen- is ‘de akkers en heel de natuurlijke omgeving te doen schitteren, door je werk te doen met respect en met tederheid’. Het is een revalidatie- of heropvoedingsproces van heel de omgeving en tegelijk van hun eeuwenoude cultuur. ‘Op die manier beschermen we ons tegen plagen die van buitenaf komen’, vindt Walter. ‘Iemand die gezond en sterk is, heeft weerstand tegen infecties en ziektekiemen en zal niet onmiddellijk bezwijken.’ Ik sta telkens weer verbaasd over de onwrikbare zekerheid waarmee de broers Chambi doorgaan op hun weg. Walter leest de verwondering in mijn ogen. ‘Wanneer je het leven hier van buitenaf bekijkt, kan het je overkomen alsof we arm zijn en van alles tekort hebben. In werkelijkheid leven we in overvloed. Het resultaat van dit culturele versterkingsproces is, zoals je ziet, méér van alles: méér voedsel, méér verscheidenheid, méér gemeenschapsleven, méér genegenheid, méér bloei. Méér en voller leven. Niet in een verre toekomst, maar hier en nu.’

Ik loop met Wilson over het dorpsplein. Het is donker en sterren schitteren in overvloed aan het firmament. Bij zo’n sterrenhemel maken de aymara’s ‘wijwater’. Hiervoor zetten ze een glas water buiten, dat tijdens de nacht door de sterren bestraald wordt en op die manier kracht ontvangt om ziekten te genezen. Wilson vraagt om te vertellen over het leven bij ons. Hoe het landschap eruit ziet en welke munt we hebben, waarvan de mensen leven en waarvan ze wakker liggen, wie de president is en wat globalisering precies betekent. Ten slotte merkt hij op: ‘Als het leven bij jullie zo anders is, wat doe jij dan hier? Zijn er bij jullie wel mensen die in ons geïnteresseerd zijn?’ Ik antwoord dat ook bij ons het besef groeit dat er wat schort aan ons ontwikkelingsmodel, dat onherstelbare schade aanricht aan de aarde en het gemeenschapsleven ‘erodeert’.



Het landschap opvoeden

De volgende dag nemen de twee broers Chambi me mee naar een open plek in een brede groene bedding, aan de voet van het meer. De omgeving lijkt wel promotievideo voor een reis naar het verre Incaverleden. De hellingen links en rechts van ons zijn, op verschillende hoogtelagen, door terrassen omgevormd tot vruchtbaar land voor diverse soorten knolgewassen, gerst, quinoa en maïs. Een riviertje, ingebed in brede rietoevers, volgt kabbelend zijn weg. Vier lama’s grazen in een wei langs de wegkant. De lucht is kil en zuiver en de stilte haast volledig. Walter, de botanicus, plukt een blaadje van een struik en laat me de geur inhaleren, een geur die ik associëer met citroenmelisse, maar het gewas is houterig. ‘Muña’ heet deze plant. ‘Ideaal voor ademhalingsstoornissen bij hoogteziekte en stimulerend voor de spijsvertering’, legt Walter uit, ‘maar hier laten we hem staan omdat deze struik de ideale biotoop creëert voor mieren die larveplagen aan de aardappelen voorkomen.’ Hij wijst op een brede kraag van struikgewas, aan de rand van de weg. ‘Die gele bloempjes trekken stikstof uit de lucht en voeden zo de bodem.’ We wandelen door, terwijl ik bij elke plant die we tegenkomen uitleg krijg over de naam, de kwaliteiten, het teken dat die plant geeft om vroeger of later met een bepaalde landbouwactiviteit te beginnen en het rituele gebruik ervan. Niets groeit hier zomaar, lijkt het wel. Alles heeft zijn plaats en zijn betekenis. Zelfs de rotsblokken waarmee de akkertjes bezaaid liggen en die op het eerste gezicht een erg rommelige aanblik geven. ‘Ze beschermen tegen de vorst’, legt Walter uit. ‘De warmte die ze overdag opslaan, geven ze ‘s nachts af aan de akker.’ We komen bij een put, van ongeveer een meter diep en een meter doormeter. ‘Hier wekken we water op om de akkers te bevloeien.’ Hoezo, water opwekken? ‘We zorgen voor de geschikte omgeving opdat het water zou aangroeien.’ Walter vertelt het alsof hij het over een therapie heeft. ‘We graven een put, doen er een bodempje water in, zetten er padden in en visjes uit het meer. Die visjes krabben de wateraders in de aardbodem open, zodat het water vanzelf opborrelt. Als de visjes verdwijnen, droogt ook de put weer uit.’ Ik ken niet veel van landbouw, maar hier voel ik me volledig analfabeet. Méér dan honderd hectaren vruchtbaar land heeft Chuyma Aru in tien jaar tijd teruggewonnen door het restaureren van de terrassen en het herstellen van de omgeving.

Fundamentalisme of culturele flexibiliteit

De doorgedreven inheemse aanpak van Chuyma Aru zet kwaad bloed bij instanties die van buitenaf komen en geen voet aan de grond krijgen. Het levert de Chambi’s wel eens het verwijt op fundamentalistisch te zijn. Maar Nestor blijft rustig bij die kritiek. ‘We merken afgunst bij specialisten die naar hier komen vanuit publieke instellingen en zien dat onze werking resultaten oplevert, terwijl hun cursuslokalen leeg blijven en hun campagnes mislukken. Wij zijn geen fundamentalisten. We geloven wel dat een aanpak vanuit de kennis van de mensen zelf, op deze plek van de aarde, in deze agrarische samenleving, de beste is. De realiteit in Europa is heel verschillend, daar staan wellicht andere dingen te doen. Voor ons is echter de westerse houding, wanneer ze pretendeert de enige juiste weg aan te reiken, fundamentalistisch. De mensen hier zeggen steeds ‘así nomás hacemos’, ‘dat is onze gewoonte hier’. Ze zeggen niet: ‘Zo moet het en niet anders.’ Ik luister naar Nestors verhaal. Het klinkt mooi, maar leidt dit toch niet tot een toestand waarbij platteland en stad, indianen en niet-indianen onverzoenbare gemeenschappen worden? Nestor: ‘Wij hebben gekozen. Met president Fujimori hebben we onze les wel geleerd: in dit neoliberale economische model is er geen plaats voor ons. Met het eerste pakket van economische besparingen, in 1990, hebben wij de klappen gevoeld. Een deel van de mensen die naar de stad getrokken waren, zijn toen teruggekeerd omdat het leven er onhoudbaar duur geworden was. Dit systeem spuwt ons uit. Ook wanneer wij, indianen, studeren en ons een weg proberen te banen binnen het systeem, blijven we altijd de mindere, we worden nooit als volwaardig lid aanvaard. We kunnen beter zelf ons bestaan in handen nemen en zorgen dat we het goed hebben.’

Dus trekken zij zich terug op een eiland? Neen, vindt Nestor, dat zou indruisen tegen de dynamiek van de aymaracultuur. ‘Mensen blijven naar de stad gaan omdat ze de stad nodig hebben. Jonge mensen zijn gefascineerd door alle nieuwigheden die de stad te bieden heeft. Laat hen maar verkennen. Maar méér en méér zie je dat ze kiezen ze voor de dichtstbijgelegen stad, Juliaca, omdat er zo een permanente wisselwerking tussen de stad en het land mogelijk is. In de stad lopen de kinderen school, verkopen ze een deel van hun producten, zoeken ze af en toe een baantje, maar hun leven is verankerd in hun gemeenschappen, dat zie je hoe langer hoe duidelijker. Hier ligt hun zekerheid en hun toekomst.’ ‘Weet je,’ besluit Nestor, ‘de natuur, een mens, onze hele cultuursysteem is als een dier. Wanneer het nieuw voedsel krijgt aangeboden, probeert het dat uit. Als het goed bekomt, geeft het kracht en wordt het aanvaard. Anders wordt het uitgebraakt. De stad wordt in de toekomst voor ons misschien best verteerbaar. Kijk naar de wijken van El Alto in La Paz, daar leven de indiaanse gewoontes en gebruiken door. Wij zijn niet tegen verandering. Wanneer een technicus zich aandient met een nieuw project, ontvangen we hem met open armen. Als zijn initiatief ons doet groeien, integreren we het als iets van ons. Is dat niet het geval, dan wordt het project opgedoekt. Veertig jaar geleden werden hier voor het eerst pesticiden en meststoffen gebruikt op de akkers. Iedereen experimenteerde ermee. Op dit ogenblik gebruikt geen vijf procent van de boeren nog pesticiden. Misschien twintig procent gebruikt nog meststoffen. De boeren zien dat de aarde erdoor degenereert. Wat ons niet goed bekomt, verdwijnt weer.’ Dat is niet alleen zo in de landbouw. Diverse religieuze groeperingen, die zich in de streek aandienden, kenden hetzelfde verloop. Dertig jaar geleden bekeerde zowat alle aymara’s rond Conima zich tot de ‘Adventisten van de Zevende Dag’. Vandaag schiet daar zo goed als niets meer van over. Velen voelen zich eerder thuis in de katholieke kerk, waar ruimte en tolerantie is voor hun eigen religiositeit. De laatste dorpspastoor van Conima hield echter enkele jaren geleden zijn missie voor bekeken, omdat hij het gevoel had niet méér te zijn dan één van de vele waca’s in het pantheon van deze de indianen.

De toekomst ligt in het verleden

De verlichting in het bouwvallige hotelletje in Conima heeft het begeven. Het flauwe schijnsel van twee kaarsjes is precies sterk genoeg om in de duisternis elkaars gezichten te onderscheiden, die van Nestor en Walter en van Mary, Beatriz, Jorge en Grimaldo. Mary en Beatriz komen uit Huaráz, in het noorden van Peru. Het zijn twee mestiezenvrouwen maar niettemin geesteskinderen van Chuyma Aru. Jorge en Grimaldo werken in Lima in Pratec, een organisatie die experimenten als die van Chuyma Aru optekent, systematiseert en doorgeeft in cursussen. Het zijn twee ingenieurs met jarenlange ervaring in al wat met ontwikkelingsstrategieën te maken heeft. Zoals Walter en Nestor zetten ze enkele jaren geleden hun carrière in de officiële instellingen stop en specialiseerden ze zich in projecten vanuit een inheemse aanpak. Op uitnodiging van de broers Chambi namen ze deze dagen deel aan de rituelen.

We zitten op de ijzeren bedden. Grimaldo leunt tegen de muur, met zijn lange benen voor zich uitgestrekt. Hij is afkomstig uit het oerwoud en heeft de fysionomie van een Amazone-indiaan. Hij kauwt coca en orakelt: ‘In de tijd van Tiwanacu heerste er over de Andes een periode van koude en droogte, een periode die ongeveer zevenhonderd jaar geduurd heeft. Mensen gingen toen op zoek naar nieuwe woonplaatsen en dachten nieuwe overlevingsstrategieën uit. Een groep aymarapriesters rond Tiwanacu is toen opgestaan om de leiding te nemen van een proces dat de harmonie moest herstellen. Tiwanacu is in die periode uitgegroeid tot religieus centrum en beweging met invloed over heel de Andes. Op dit ogenblik bevinden we ons in een periode van opwarming van de omgeving. Het klimaat verandert, er komen allerlei elementen op ons af die vreemd zijn aan onze cultuur en ons schade berokkenen. We hebben iemand nodig, - een kracht, de berggoden, een wind- die opnieuw de leiding neemt om de harmonie in de Andes te herstellen.’ Hij kauwt en wacht even, tot zijn woorden zijn doorgedrongen. Dan vervolgt hij: ‘Ik neem vanuit twee richtingen een frisse wind waar. Eén vanuit de selva, vanuit het oerwoud en een andere vanuit het Zuiden, vanuit de aymara’s. Ik denk dat jullie, Chuyma Aru, geroepen zijn om de leiding te nemen van dit proces in het Zuiden. Jullie, Nestor en Walter, moeten voortgaan op de ingeslagen weg, met het ‘heropvoeden’ van het landschap en het herstellen van de biodiversiteit, opdat elke akker, elke ecologische laag van het landschap, zou schitteren in zijn eigenheid.’ Nestor en Walter luisteren. ‘We zijn nog maar een klein plantje, maar misschien is dat onze taak’, denkt Nestor hardop. ‘Toen we ons eerste bezoek aan Huaráz besloten met een ritueel, zagen we opeens vier condors die naar ons toe kwamen gevlogen. De condors waren een duidelijk teken dat we met de mensen van Huaráz verder op weg moeten.’ Nestor: ‘Gevoed door de wijsheid die het verleden ons aanreikt, groeien we en bloeien we open. Dat verleden ligt vóór ons. Daar hebben we zicht op, dat is gekend en vertrouwd, dat geeft ons zekerheid. Achter ons ligt de toekomst. Die is donker en onzeker en kan tal van bedreigingen inhouden.’

Kader 1

De strijd om de grond

Er zijn ongeveer vierhonderdduizend aymara’s in Peru. Zij leven overwegend in het zuiden van het departement Puno, aan de rand van het Titicacameer. Cultureel vormen ze van hieruit één geheel met de andere aymara’s in Bolivia (één miljoen) en in het noorden van Chili (40.000). Samen vormden zij vroeger het ‘collasuyu’, het zuidelijke deel van het Incarijk. Tot op vandaag hebben de aymara’s in Peru cultureel en juridisch-administratief een grote mate van autonomie bewaard. Ze spreken een eigen taal en structureren hun gemeenschappen nog steeds zoals in de tijden voor de inca-overheersing. Toch kampen ook dat de aymara’s, zoals de andere Andesindianen, met een nijpend grondprobleem. In de streek van Conima beschikken de boeren gemiddeld over een oppervlakte van een halve hectare per persoon. Alleen door maximaal gebruik te maken van die grond is het gebied in staat zijn bevolking van het nodige voedsel te voorzien. Het genie van de vroegere Andesculturen was precies gelegen in een zeer efficiënte landbouworganisatie en voedseldistributie. Dit systeem werd door de kolonisatie drastisch verstoord. De grond kwam in handen van Spaanse veroveraars, het hele ecologische systeem werd vernield en massale ontbossing bevorderde de erosie.

Kader 2

Met alle mogelijke middelen hebben de indiaanse boeren in de loop van de eeuwen met historische opstanden en in stille heroveringsbewegingen gevochten om hun grond terug te winnen.

Sinds de jaren vijftig hebben de boeren in Peru zich met een nieuw elan georganiseerd om de grond van de hacienda’s terug te verwerven. De landhervorming van 1969, onder de ‘linkse’ generaal Velasco, moest dit proces een duw in de rug geven. Meer dan tienduizend hacienda’s werden toen omgevormd in collectieve landbouwbedrijven, coöperaties van diverse types. Vele indiaanse gemeenschappen bleven echter bij deze landhervorming buiten beschouwing en kregen amper grond toegewezen. De coöperaties leverden ook niet de gewenste dynamisering van de landbouw en vijfentwintig jaar later bleek de landhervorming een totale mislukking.

Op dit ogenblik behoort tachtig procent van de families in het hoogland, voor het grootste deel indiaanse boeren, tot de armste bevolkingsgroep. Gebrek aan land en aan aandacht van de regering zijn hiervan de oorzaak. Het landbouwbeleid van Fujimori werkt in hun nadeel, door de invoer van goedkoop graan uit het buitenland, het afschaffen van subsidies op zaaigoed en kunstmest en de vermindering van kredietvoorziening. Tegen de moderne, grootschalige landbouwbedrijven kunnen ze niet concurreren, hun granen zijn duurder en de transportmogelijkheden beperkt. De neoliberale politiek van Fujimori verzwakt steeds verder hun positie en de impact van projecten, uitgevoerd door het Ministerie van Landbouw, is zeer beperkt.

Kader 3

Fujimori en het succes van Sarita Colonia

Sinds Fujimori aan de macht is, is de Peruaanse samenleving grondig veranderd.

Toen deze landbouwingenieur van Japanse afkomst in 1990 aan de macht kwam, zat het volk te wachten op een nieuwe politieke leider, op iemand die het land uit de chaos zou halen, die de economische puinhoop zou opruimen en het subversieve geweld van het Lichtend Pad de kop zou indrukken. Fujimori is daar wonderwel in geslaagd. De gevangenneming van Abimael Guzmán, leider van het Lichtend Pad, in september 1992, de succesvolle bestrijding van de inflatie en het terug inschakelen van Peru in het internationale financiële systeem, gaven Fujimori moeiteloos de nodige populariteit om met een verpletterende meerderheid voor de tweede maal tot president verkozen te worden in 1995. Dat de president zich intussen ontpopte als een autoritair leider, namen de Peruanen er bij. In de loop van de jaren heeft Fujimori steeds meer macht naar zich toegehaald. In het parlement heeft zijn partij de absolute meerderheid, de samenstelling van het gerecht is zodanig gewijzigd dat hij ook vanuit die hoek geen enkele tegenstand te verwachten heeft. Zijn macht heeft Fujimori vooral gebaseerd op een kleine kring van intimi, op de veiligheidsdiensten en op het leger. Al wat er in de jaren zeventig en tachtig in Peru bestond aan sociale bewegingen, is vandaag uitgeschakeld of gedesintegreerd.

Intussen lijkt het er echter op dat de grote troeven van het liberaliseringsbeleid uitgespeeld zijn. Terwijl de economische groei in 1994 was geklommen tot 12,8%, was die in 1996 teruggevallen tot 2,6%. Bovendien heeft het drastische neoliberale beleid niet voor de nodige banen gezorgd, zo blijkt nu. De werkloosheid neemt bedreigende proporties aan en steeds meer Peruanen vallen onder de armoedegrens, 45% van de 22 miljoen, waarvan 20% in extreme armoede verkeren.

Tijdens het bewind van Fujimori heeft het land een kwalijke reputatie gekregen op het vlak van mensenrechten. Nog steeds zitten meer dan duizend gevangenen zonder enige vorm van proces opgesloten, verdachten die opgepakt werden in de vroege jaren negentig, bij de repressie tegen het Lichtend Pad. Vooral de media die het wagen een kritische stem te laten horen, worden lastig gevallen, vervolgd of uitgeschakeld. Toch is het niet denkbeeldig dat Alberto Fujimori in 2000 een derde ambtstermijn zal aangaan, al is dit vooralsnog ongrondwettelijk. De successen die prijken op het lijstje van zijn tweede regeerperiode, namelijk de drastische aanval op de MRTA-rebellen die de Japanse ambassade bezet hielden, in april 1997 en de vrede met Ecuador, in oktober 1998, zal hij alleszins tenvolle electoraal uitbuiten.

Bovendien heeft hij, tot nog toe, geen echte rivaal. De oppositie is erg verdeeld. De Apra, de partij van Alan García, heeft tijdens haar regeringsperiode (‘85-‘90) een traumatiserende puinhoop achtergelaten en is intern verzwakt, en voormalig VN-secretaris-generaal Pérez de Cuéllar, gaf zijn ontslag als leider van de Unión por el Peru, in 1995 de sterkste rivaal voor Fujimori. De enige kanshebber van de oppositie lijkt de huidige burgemeester van Lima te zijn, Alberto Andrade, met zijn partij ‘Somos Peru’, ‘Wij zijn Peru’. Sinds die in oktober herverkozen werd als burgemeester van de hoofdstad, wordt hij echter systematisch bestookt en geboycot door de ordediensten zelf.

Kader 4

Opgepast voor de heidenen

Op de Latijns-Amerikaanse bisschoppenconferentie in Santo Domingo, in 1992, stond het thema van inculturatie van de inheemse religiositeit in de katholieke geloofsbeleving centraal. Iemand die al jaren lang het thema van inculturatie volgt vanuit de aymaracultuur, is de theoloog Diego Irrarázaval. Hij woont in een dorp vlakbij Puno, maar om hem te ontmoeten moet ik naar de Boliviaanse hoofdstad La Paz, waar hij een cursus begeleidt over oecumenisme. Irrarázaval is zichtbaar vermoeid want heeft er een dag van moeizame discussies opzitten. ‘Het oecumenische proces lijkt alleen maar te verstarren. Er is minder openheid dan ooit om de verscheidenheid van de ander te aanvaarden’, zucht Diego. We zetten ons buiten onder de prachtige sterrenhemel. Ik vraag hem of het inculturatiethema van de kerk ook een maat voor niets is geweest. Irrarázaval heeft het duidelijk moeilijk met de houding van het instituut. ‘De kerk toont veel waardering voor de Andescultuur maar bedroevend weinig voor de Andesreligiositeit. Op dat vlak wordt er een zeer kunstmatig onderscheid gemaakt’, vindt de theoloog. ‘Men staat open voor zekere waarden en ziet dat mensen op een eigen manier zoeken naar wat waar en goed en mooi is. Wanneer het echter gaat over de religieuze beleving, hoor je een hele rist aanmaningen en wordt een andere geloofsbeleving al snel geïnterpreteerd als bijgelovig, als heidens. We hebben het bijzonder moeilijk om met anderen tot een volwaardige dialoog te komen en denken nog steeds dat de kerk de enige juiste weg naar God aanwijst. De diepe geloofsbeleving van de aymara’s wordt dan geïnterpreteerd als een onvolledige vorm van het christelijke geloof, die moet gecorrigeerd en uitgezuiverd worden.’ Dat strookt helemaal niet met de persoonlijke ervaring van Irrarázaval. ‘Voor mij heeft het samenleven met de aymara’s mijn geloof verdiept en verrijkt. Deze indianen oriënteren ons naar een religiositeit die vollediger en meer integraal is’, vindt de theoloog. ‘In hun geloof is er aandacht voor het respect voor de aarde, met alle consequenties die daaraan verbonden zijn. Het is een religiositeit waarin betrokkenheid en ‘relatie’ centraal staat. Geloof is voor hen ‘relationaliteit’ en gemeenschap.’Hoe staan de aymara’s zelf tegenover de kerk ? ‘Uitermate tolerant’, vindt Irrarázaval. ‘Ondanks het feit dat ze zo vaak door vertegenwoordigers van de kerk zijn afgewezen, zijn ze bijzonder mild. Zij hebben niet die absolutistische houding als zouden zij de enigen zijn die de waarheid in pacht hebben. Die openheid en het overnemen van elementen uit het christelijke geloof is eigen aan hun cultuur. Uit de geschiedenis blijkt dat de Andesindianen steeds een opvallende soepelheid aan de dag gelegd hebben om om te gaan met wat hen vreemd is en hun eigen positie daar tegenover te bepalen, zonder zich af te sluiten en zonder zichzelf te verliezen. Precies die flexibiliteit heeft hun cultuur zo levend gehouden tot op vandaag en garandeert ook hun toekomst.’
Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.