Bananen, biodiversiteit en biotechnologie

In de supermark hebben allemaal dezelfde lengte, dezelfde vorm, dezelfde kleur en dezelfde smaak. Als het aan Rony Swennen ligt, maghet bananenaanbod best wat gevarieerder. Swennen’s laboratorium ligt aan de oorsprong van het INIBAP, het International Network for the Improvement of Banana and Plantain, een wereldwijde samenwerking die waakt over de biodiversiteit van de banaan. Dit najaar viert die instelling zijn twintigste verjaardag.
Met enige trots toont Rony Swennen zijn schatkamers in de kelder van zijn labo en onderzoekscentrum aan de KULeuven. In ontelbare proefbuisjes staan piepkleine plantjes te groeien: een sluimerende collectie in een donkere, koele kamer; een verzameling die sneller wordt klaargestoomd in een lichte, warme kamer. Een toestel met glazen kolfjes, gevuld met een vloeistof van bananencellen, schommelt in een permanente beweging heen en weer en bewerkt de genetische manipulatie van de celkernen.
Een unieke wereldcollectie ligt hier in de kelder opgeslagen, méér dan duizend tweehonderd variëteiten. Nog zo’n tweehonderdvijftig variëteiten ontbreken om écht volledig te zijn, schat Swennen. Na tien jaar nauwgezette ziektecontroles is nu zeventig procent van die collectie ziektevrij verklaard en over drie jaar zal de hele collectie ingevroren zijn om bewaard te worden voor de verre toekomst. Dagelijks vertrekken vanuit Leuven vijf tot zeven variëteiten, telkens in vijfvoud in plastic verpakte plantjes van tien centimeter grootte, naar diverse uithoeken van de wereld, om daar uitgeplant te worden om één of andere ziekte te bestrijden of productieprobleem te bekampen.

Met uitsterven bedreigd


De banaan is geen plant als een ander. De oorspronkelijke vrucht, de “wilde” banaan, is in wezen niets meer dan een zaadrijke bes met weinig of geen eetbaar vruchtvlees. De veredelde vorm, de banaan in al zijn verschillende soorten, is in zekere zin een gedegenereerde afleiding hiervan, die geen zaad meer voortbrengt. Als veredelde vrucht zet de banaan zich niet voort door zaad, maar door aftakkingen van de ondergrondse stengel, waardoor de nieuwe bananenplantjes klonen zijn van de moederstek, identieke reproducties met dezelfde goede en slechte afwijkingen.Voor het veredelen of het kruisen van soorten, belangrijk in de plaagbestrijding, zijn deskundigen afhankelijk van het zaad afkomstig van de wilde variëteiten uit de tropische wouden. Maar met de alarmerend snelle verdwijning van de wouden, dreigen ook die wilde zaden definitief verloren te gaan.
De bananenteelt is van wezenlijk belang als basisvoedsel voor het overgrote deel van de landen in het Zuiden. Slechts vijftien procent van de wereldwijde productie wordt uitgevoerd, de rest, zo’n vijfentachtig miljoen ton, wordt in de producerende landen zelf gekookt, gebakken of verwerkt in bananenbier, koekjes of beschuiten. Van sommige variëteiten worden de vezels gebruikt voor stoffen of schoeisel of voor het vlechten van manden.
Als een bekommernis voor de toekomst begon Rony Swennen zesentwintig jaar geleden vanuit Nigeria en Oost-Afrika met de opbouw van het netwerk. Om een schimmel op de Nigeriaanse bananenplantages te bestrijden, bracht hij enkele resistente variëteiten over uit Azië. Die uitwisseling was het begin van een genenbank, internationaal gekend als het INIBAP Transit Centre, een netwerk dat vandaag in Afrika, Azië en Latijns-Amerika operationeel is en in elk van die continenten kan terugvallen op regionale en nationale netwerken.
Zowel boerenvertegenwoordigers, ngo’s, coöperaties, universitairen als privéondernemers maken er deel van uit. In Latijns-Amerika stelt de multinational Dole zijn velden ter beschikking van een INIBAP-netwerk voor onderzoek naar aanwezige parasieten. Boeren die een plaag vaststellen aan hun veld, kunnen beroep doen op het netwerk. In Ecuador werd met geld van de Vlaamse Overheid het INIBAP-netwerk verder uitgebouwd door de opleiding van een dertigtal medewerkers. Iemand van dit team kan ter plaatse gaan om het probleem te bestuderen en op te vangen, of, indien nodig, om technische knowhow of bepaalde variëteiten op te vragen in Leuven.

Biotechnologie voor meer biodiversiteit


In het Leuvense onderzoeksteam, waar het fundamentele onderzoek gebeurt, werken momenteel enkele Filipino’s, twee Ecuadoranen, een Hongaar, een Oegandees, een Cubaan, een Nigeriaan, een Vietnamees, een Indiase en een Tunesiër. Soms komt iemand voor korte tijd een specifieke techniek aanleren, anderen worden voor langere tijd in het onderzoek ingeschakeld of blijven om een doctoraat af te leveren.
De Belgische Ontwikkelingssamenwerking is, behalve de KULeuven, de belangrijkste financier van het onderzoek. Daarnaast is er ook geld van Europa, de Wereldbank, de Gatsby Charitable Foundation en van het International Atomic Energy Agency, dat ook een afdeling heeft die zich wijdt aan plantkundig onderzoek in de Derde Wereld. Die overheidssteun betekent dat alle onderzoeksresultaten van INIBAP openbaar gemaakt worden en vrij gebruikt kunnen worden door iedereen. Swennen: ‘Alleen als de commerciële sector geïnteresseerd is, nemen we een patent. Het is voor mij ook knokken om aan het nodige geld te komen voor mijn labo. Maar de niet-commerciële sector krijgt altijd gratis toegang.’
Bij bananen is de kwestie over het intellectuele eigendom ook heel eenvoudig, aldus Swennen. Je hebt slechts één exportbanaan -eigenlijk een zevental variëteiten maar die zijn zeer vergelijkbaar-, en enkele honderden die niet commercieel zijn. Beide categorieën zijn heel makkelijk uit elkaar te houden. Swennen zelf heeft één patent op zijn naam staan. Een patent dat voorlopig niet commercieel gebruikt wordt en dus geen geld in het laadje brengt.

Het behoud van de diversiteit is voor Swennen de inzet van het INIBAP, dat trouwens vooral werkt met kleine producenten en die hebben op hun velden wel tot dertig verschillende variëteiten staan, die er voor zorgen dat er het hele jaar door oogstklare vruchten zijn. Bovendien wordt een bananenplant meestal omringd door koffie, sorghum, aardappelen, maïs, jamwortel, maniok of tomaten. Swennen: ‘De biodiversiteit is van cruciaal belang, of je nu in één product geïnteresseerd bent, of in de stabiliteit van de soort. Ze is een garantie voor de voedselzekerheid van de mensen in de Derde Wereld, want het is de beste bescherming tegen plagen.
Het is trouwens wetenschappelijk bewezen dat waar een gemengde bananenplantage staat, de algemene biodiversiteit toeneemt.’ De belangrijkste uitdaging van zijn werk ligt voor hem dan ook in het behoeden en verhogen van die biodiversiteit. Swennen: ‘Dat werkt het best, wanneer mensen met het bespelen van die diversiteit ook geld verdienen, hetzij door de diversiteit van de vruchten op de markt te vergroten, hetzij door de verdere commercialisering van afgeleide producten, zoals manden, thee, koekjes of chips. En daarvoor moeten er markten gecreëerd worden.’ Met de tentoonstelling, die naar aanleiding van het twintigjarig bestaan van INIBAP de wereld zal rondtrekken, hopen de organisatoren onder andere om de commerciële sector hiervoor warm te maken en producenten en handelaars bij elkaar te brengen.
Swennen: ‘Iets wat gebruikt wordt, wordt ook bewaard. En bovendien creëer je extra inkomsten voor mensen in het Zuiden. Waarom zien we in de supermarkt zoveel soorten appels, peren en tomaten, maar slechts één soort banaan?’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Latijns-Amerika & ecologie
    Alma De Walsche schrijft over ecologische thema’s, van klimaat- en energiebeleid, over landbouw- en voedsel tot transitie-initiatieven en baanbrekers. Ze volgt al enkele decennia Latijns-Amerika, met een speciale focus op de Andeslanden.