Bananen in de frontlinie van de globalisering

Miljoenen mensen in de wereld leven van de bananenteelt, maar een nieuwe Europeseimportregeling hangt als een zwaard van Damocles boven het hoofd vankleine bananenboeren. Daarover komen vanaf 28 april vakbonden, supermarkten, overheden, bananenboeren, multinationals en ngo’s uit meer dan veertig landen onderhandelen in Brussel. Omdat ook de Bovenwindse Eilanden een delegatie naar die tweede Internationale Bananenconferentie sturen, nam Kristof Clerix het propellervliegtuig naar St.-Vincent en de Grenadines en luisterde er naar de bekommernissen en overlevingsstrategieën van bananenboeren, cannabistelers en Bovenwindse rasta’s.

De zwarte zandkorrels van de bananenplantages op de oostkust van St.-Vincent glinsteren als kleine glasscherven in de opkomende zon. Enkel ploffende bananenbladeren en het gekap van een machete doorbreken de ochtendrust en het hypnotische gekabbel van de Atlantische oceaan. Om de schroeiende middagtemperaturen te vermijden is Nioka Abbott (47) al heel vroeg druk in de weer. Haar bananenplantage ligt in Georgetown, een kustdorp met 4000 inwoners en 250 bananenboeren. Nioka ontdoet de bananenbomen van bloemen, losse takken en rotte bladeren. ‘Het mooie aan deze job is dat je een product verbouwt dat de wereld voedt. Ik ben er trots op dat dankzij mijn werk mensen aan de andere kant van de oceaan kunnen genieten van het fruit dat ik verbouw’, zegt Nioka terwijl de zweetdruppels op haar voorhoofd parelen. ‘Het grote voordeel van bananen in vergelijking met andere teelten is dat je elke week opnieuw kunt oogsten en dus zeker bent van een regelmatig inkomen.’

St.-Vincent, dat sinds 1979 onafhankelijk is maar nog steeds de Britse koningin als staatshoofd erkent, is de bananenindustrie van levensbelang. De sector maakt vandaag weliswaar nog maar 10 procent uit van het bruto nationaal product, maar de bananen zorgen voor het inkomen van duizenden gezinnen, vooral in landelijke gebieden. Na de overheid -administratie, onderwijs, gezondheidszorg, politie- vormt de bananenindustrie de belangrijkste bron van tewerkstelling op het eiland, waar volgens schattingen van de overheid een op zes inwoners zonder werk zit.

Orkanen en vulkanen

Een geitenboer slentert met zijn kudde langs Nioka’s bananenveld. In de verte klinkt Bob Marley uit een transistorradio: ‘There was a buffalo soldier in the heart of America. Stolen from Africa, brought to America. Fighting on arrival, fighting for survival. Driven from the mainland to the heart of the Caribbean.’ Ook Nioka stamt af van de Afrikaanse slaven die onder Britse en Franse heerschappij op de Caribische plantage-economieën werden ingezet. ‘Ik ben opgegroeid bij mijn overgrootmoeder, zij was suikerboer. Als kind ben ik beginnen werken op de suikervelden. In de jaren vijftig is St.-Vincent van suiker overgeschakeld op bananen. In die tijd plantte je gewoon je bananen en dat was het. De bananen werden in trossen van de bomen gekapt, in bananenbladen gewikkeld, verkocht en verscheept. Geen irrigatie, geen meststoffen, geen pesticides, geen criteria, geen zakjes, geen kartonnen dozen, alles was veel gemakkelijker.’

De honderden bananentrossen op Nioka’s veld zijn nog groen. Zo worden ze ook geoogst, want het transport met de boot naar Groot-Brittannië -met voorsprong de belangrijkste afzetmarkt voor bananen uit de Bovenwindse Eilanden- neemt twee weken in beslag. De blauwe plastic zakken die Nioka rond de trossen heeft aangebracht zijn behandeld met diathene en moeten voorkomen dat insecten eitjes leggen in de bananenschil. Aan de oostkant is het bananenveld afgeschermd met een dichte rij kokosbomen.

‘Die dienen als buffer tegen tropische stormen. Ze jagen de oceaanwind de hoogte in, over de bananenbomen heen’, legt Nioka uit. In 2002 heeft de tropische storm Lily bijna de helft van de bananenproductie op St.-Vincent vernietigd. Nioka zucht. ‘Ook orkaan Ivan heeft op de bananenplantages heel wat schade aangericht.’ En dan is er nog La Soufriere, de actieve vulkaan van het eiland. Enerzijds is hij een zegen, want het is dankzij de vruchtbare vulkanische bodem dat gewassen zo goed gedijen op het eiland. Maar tegelijkertijd vormt de vulkaan een voortdurende dreiging. Nioka: ‘La Soufriere kan elke dag uitbarsten. Een systeem van monitors moet de bevolking op tijd waarschuwen bij gevaar. Bang ben ik niet, we hebben ermee moeten leren leven.’

Nioka’s bananenveld is nauwelijks meer dan een hectare groot. Bijna alle bananenboeren op St.-Vincent moeten het zien te rooien met kleine veldjes van die oppervlakte. Dat verklaart meteen waarom bananen uit de Bovenwindse Eilanden een zwakke concurrentiepositie hebben op de internationale markt: in tegenstelling tot producenten in Latijns-Amerika en Afrika kunnen de St.-Vincentianen niet profiteren van het schaalvoordeel van grote, uitgestrekte plantages. Tel daarbij de moeilijke werkomstandigheden op het heuvelachtige en grillige vulkaanlandschap en de hogere lonen van plantagearbeiders in de Bovenwindse Eilanden en je begrijpt waarom de productiekost in St.-Vincent een flink stuk hoger ligt dan bij concurrenten in Latijns-Amerika en Afrika. In een onbeschermde vrije marktomgeving kan dat de doodsteeek betekenen voor de St.-Vincentiaanse bananenindustrie.

Nioka: ‘Bananen vormen de ruggengraat van onze economie. Als we de industrie verliezen, zullen nog meer St.-Vincentianen migreren.’ Vandaag wonen net geen 400.000 landgenoten in het buitenland, dat is bijna het vierdubbele van de 107.000 inwoners van het eiland zelf. Ze zijn uitgeweken naar Canada, de VS, Groot-Brittannië of andere eilanden in de Cariben, waar ze legaal of illegaal verblijven. In het Amerikaanse Brooklyn bijvoorbeeld wonen meer St.-Vincentianen dan in hoofdstad Kingstown. Ook Nioka heeft broers, ooms en tantes overseas en haar moeder woont in Curacao. De diaspora speelt een belangrijke rol in de economie van het eiland: stortingen van landgenoten in het buitenland zijn goed voor zowat 10 procent van het bnp.

Op de rug van de boer

Voor het gemeenschapscentrum, een betonnen zaaltje met golfplaten dak tussen de bananenvelden in Georgetown, staan robuuste jeeps en pick-ups geparkeerd. Een keer per maand vergaderen de bananenboeren van Georgetown met vertegenwoordigers van de Vereniging van Bananenboeren en het ministerie van Landbouw. Een twintigtal boeren zijn opgedaagd, ze krijgen informatie over de internationale bananenmarkt, Europese kwaliteitseisen, irrigatie, pesticiden en meststoffen en ga zo maar door.
Nioka neemt het woord: ‘Binnen twee weken komen inspecteurs van de Britse supermarkt Tesco onze velden bezoeken. Alles moet perfect in orde zijn, want als zij zich zouden terugtrekken, zijn we een belangrijke klant kwijt.’ Nioka is niet te spreken over de Britse supermarkten die de bananen uit St.-Vincent verkopen: Tesco, Asda, Sainsbury en Waitrose. Nioka: ‘Het enige wat zij moeten doen, is de bananen in de winkelrekken leggen. En toch gaan de supermarkten met het leeuwendeel van de winst lopen. Ze moeten boeren een eerlijkere prijs betalen.’

Ashley Caine, landbouwexpert op het ministerie van Landbouw voegt daar aan toe: ‘Bananen zijn een speciaal product voor de supermarkt. Ze worden gebruikt om klanten te lokken. Daarom proberen ze hun verkoopprijs altijd onder die van de concurrenten te houden -maar aan hun winstmarges willen ze liefst niet knagen.’ Niet alleen de concurrentiestrijd in het Noorden wordt uitgevochten op de rug van de bananenboeren, ook de kosten van steeds hogere kwaliteits- en gezondheidseisen worden op de producent afgewenteld. Ashley Caine: ‘De onderliggende morele vraag is: is de Europese consument bereid om meer te betalen voor de hogere eisen die hij stelt?’

 

De geur van Ganja

Op het zwarte zandstrand van Georgetown, op een steenworp van Nioka’s bananenveld, geniet rastafari Ken onder een open sterrenhemel van kruiden van eigen kweek. Cannabis roken maakt in St.-Vincent deel uit van het dagelijkse leven, ook al is de softdrug officieel verboden. Volgens de Canadese antropoloog Hymie Rubenstein van de universiteit van Manitoba, die jarenlang onderzoek deed op het eiland, rookt zestig procent van de bevolking af en toe wel eens een spliff. De regering trekt dat cijfer in twijfel maar geeft toe dat het om een ‘aanzienlijk deel van de bevolking jonger dan 35 jaar’ gaat. Ken heeft zijn eigen cannabisveldje, boven in de bergen. Vroeger was hij bananenboer, maar met cannabis verdient hij meer, tot 875 euro per maand. Ken: ‘Voor een pond ganja krijg je ongeveer 200 East Caribbean Dollar (60 euro). Denk maar niet dat cannabisboeren rijk zijn: het zijn de tussenhandelaars die met de winst gaan lopen. Zij rijden met chique auto’s en bouwen mooie huizen. Bovendien is het gevaarlijk up in the hills. Als de politie komt, moet je zien dat je snel weg bent. Af en toe wordt er ook geschoten.’

Ze zijn met honderden, de cannabisboeren op St.-Vincent. ‘De zonen van de bananenboeren zien geen toekomst in bananen. In plaats van door te gaan in de familietraditie schakelen sommigen over op ganja. In het noorden van St.-Vincent, waar heel wat jongeren werkloos zijn, is de cannabisproductie groot’, zegt Junior ‘Spirit’ Cobble. In een vorig leven was de rastafari voorzitter van de Vereniging van Cannabisboeren -een niet verwijderde kogel in zijn keel herinnert aan zijn beruchte verleden.

‘Aanvankelijk werd op St.-Vincent enkel voor eigen gebruik gekweekt, de export kwam pas op gang in de jaren tachtig. Op dit moment is St.-Vincent de grootste cannabisleverancier en op Jamaica na de grootste cannabisproducent van de Cariben.’ Cobble wordt vandaag door het ministerie van Landbouw ingeschakeld in de strijd tegen ontbossing. ‘Cannabisboeren die in de bergen een plantage starten, kappen daarvoor vaak stukken woud. Onderzoek heeft aangetoond dat armoede en werkloosheid de belangrijkste oorzaken zijn van ontbossing door cannabisteelt. Een van mijn taken bestaat erin de cannabisboeren te helpen bij hun zoektocht naar een alternatieve broodwinning.’

 

‘Me goa ton’

John, Nioka’s echtgenoot, vertrekt al vroeg na zonsopgang met zijn dertig jaar oude Land Rover ‘Poor Slave’ naar het bananenveld om het te bemesten. ‘Me goa ton’, roept Nioka hem in het typische eiland-Engels na. ‘Ik ga naar de stad.’ Het Toyota-taxibusje dat de hele dag pendelt tussen Georgetown en de hoofdstad Kingstown zit propvol. Door de speakers knalt loeiharde reggae, tieners in groen-witte schooluniformen zitten langs bananenboeren en jonge huismoeders tegen de bezwete banken geplakt.

De rit over hobbelige wegen duurt net iets langer dan een uur. De weg slingert door een bergachtig vulkaanlandschap met bananenplantages op de hellingen, afgewisseld met uitgestrekte kuststroken, een paradijselijk plaatje met palmbomen, plantana’s en pastelkleurige gevels. In de verte zindert Young Island, een adembenemend eilandje van hooguit 14 hectare met tropische tuinen, turkooisblauw water, witte stranden, hangmatten, luie strandzetels en upper class toeristen uit de VS en Groot-Brittanië.

als de schilderachtige baai van Wallilabou aan de westkust van St.-Vincent, waar Disney na het succes van de kaskraker Pirates of the Caribbean momenteel het tweede deel van de piratensaga inblikt, is Young Island een toeristische topper. Prijzen voor hotelkamers op Young Island variëren van 135 tot 580 euro per nacht. Van hier vertrekken ook daguitstappen met de speedboat langs de Grenadines, waar onder meer Mick Jagger en Tommy Hilfiger een buitenverblijfje hebben.

Vorig jaar verwelkomde St.-Vincent, een paradijs voor yachten, duikers en ecotoeristen, meer dan een kwart miljoen toeristen, waaronder 384 Belgen. Het eiland telt 2000 hotelkamers, vooral op de Grenadines is de toeristische infrastructuur goed uitgebouwd. Toerisme brengt heel wat geld in het laatje voor St.-Vincent. Vorig jaar was de sector goed voor 77,5 miljoen euro, een belangrijke bijdrage aan de economische groei van 6,8 procent. Zeker als de geplande internationale luchthaven er komt, zijn de groeikansen voor de toeristische sector enorm. Maar dat toerisme ooit de bananensector kan vervangen, gelooft niemand in St.-Vincent.

‘Als we zouden overschakelen op toerisme, hoeveel geld zal dan naar de rurale gemeenschap gaan? Hoeveel toerismedollars vinden hun weg naar het platteland? Hoeveel zal de gewone man in de straat aan toerisme overhouden?’, vraagt Emmanuel Wilberforce, adviseur van de Vereniging van Boeren van de Bovenwindse Eilanden (Winfa), retorisch. ‘Meer toerisme is goed voor het eiland, maar vormt geen alternatief voor de bananenindustrie.’

 

Fair Trade bananen

Elke vrijdag gaat Nioka naar Kingstown om de betalingen van de oogst te controleren en meststoffen te kopen. Sinds 1987 runt zij de bananenfarm. ‘Vóór de problemen in de bananenindustrie begonnen, deed John dat. Maar toen er nieuwe regels, veiligheidsmaatregelen en papierwerk bijkwamen, raakte hij gefrustreerd. Hij zag het als tijdverlies en wilde zelfs stoppen met bananen. Toen heb ik de boel overgenomen.’

Aan het loket van de Vereniging van Bananenboeren, gevestigd in een grote loods aan de haven van Kingstown, controleert Nioka het afleveringsbewijs van haar oogst van vorige week. Ze knikt tevreden: ‘267 East Caribbean Dollar (80 euro) is een normale weekopbrengst. ‘Per maand verdienen John en ik samen zowat 2000 ECD (585 euro). Vroeger verdienden we niet meer, maar de kosten zijn de voorbije jaren wel toegenomen. Tien jaar geleden kon je een zak meststoffen kopen voor 12 ECD (3,5 euro). Vandaag kost diezelfde zak 71 ECD (20 euro). Gelukkig subsidieert de regering een deel van de kosten.’

Het ontvangstbewijs geeft gedetailleerd weer waar Nioka’s bananen uiteindelijk zijn beland: ze heeft 18 dozen Fair Trade bananen verkocht aan supermarkt Asda. Voor een doos Fair Trade bananen -ongeveer 18,4 kilo- krijgt Nioka 53,65 euro. Dat is 2 euro meer dan voor niet-Fair Trade bananen. Nioka: ‘Bovenop die betere prijs krijgen we ook een sociale bonus voor de gemeenschap, geld dat ondermeer gebruikt wordt voor de renovatie van kleuterscholen, aankoop van schoolmateriaal, betere wegen, de uitrusting van sportclubs, enzovoort. Een van de belangrijkste voordelen van Fair Trade is dat je minder blootgesteld wordt aan pesticiden. Die mogen we enkel gebruiken als het echt nodig is.’

Zowat 1 op 4 van de 1900 bananenboeren in St.-Vincent verbouwt Fair Trade bananen. In Dominica, een van de andere Bovenwindse Eilanden, werkt 9 op 10 bananenboeren al volgens de Fair Trade criteria. Volgens Winfa-adviseur Wilberforce is Fair Trade de toekomst van de bananenindustrie op St.-Vincent. ‘Het best case scenario is een transfer van de volledige bananenproductie naar Fair Trade. Dat kan onze bananenindustrie redden.’

 

Groen goud

In de broeierige winkelstraat in Kingstown slijten venters verse vis, gekopieerde cd’s, kokosnoten en armbandjes in rastakleuren. Het Winfa-kantoor, waar Nioka haar verpakkingsmateriaal voor de bananen gaat ophalen, ligt in het hartje van de hoofdstad. Winfa, een partnerorganisatie van Oxfam Wereldwinkels, verenigt zowat 6000 boeren op de vier Bovenwindse Eilanden (St.-Vincent, Dominica, St.-Lucia en Grenada). De organisatie is opgericht in 1982, tijdens de hoogdagen van het ‘groene goud’. De bananenindustrie op St.-Vincent was toen nog vier keer zo groot als vandaag.

Winfa-coördinator Renwick Rose is volop bezig met de voorbereidingen voor de Brusselse bananenconferentie. Een van de belangrijkste aandachtspunten op de conferentie is het nieuwe Europese bananenregime, dat vanaf 1 januari 2006 van start moet gaan en mogelijk de beschermde positie van de Bovenwindse eilanden op de Europese bananenmarkt in het gedrang brengt (zie kader).

Rose: ‘Als de EU het huidige quotasysteem afschaft, bestaat het risico dat de bananenindustrie in de Bovenwindse Eilanden ineenstort. Het probleem is niet zozeer dat we geen toegang meer zullen hebben tot de markt. Wel vrezen we dat multinationals een intense competitie zullen starten en de markt zullen overspoelen met bananen. Dan zullen de prijzen zo sterk dalen dat het voor onze kleinschalige boeren niet meer zinvol is om nog te exporteren. St.-Vincent zou kunnen overleven zonder bananen, maar dat zou enorme sociaal-economische kosten met zich mee brengen. Vooral in rurale gebieden zou de economie volledig vernietigd worden, met stijgende werkloosheid, sociale onrust en criminaliteit tot gevolg. Het scenario is des te beangstigender omdat het zich op korte termijn kan voltrekken, niet binnen tien jaar. De boeren kunnen zich dat scenario niet inbeelden, voor hen is januari nog ver af, zij zijn meer bezorgd over de prijs van de bananen volgende week.’

Volgens Rose zien de boeren zichzelf te weinig als een deel van de oplossing. ‘Ze denken dat de regering en de EU voor oplossingen moeten zorgen. Onze boodschap aan de boeren is dan ook: we moeten ons organiseren, volgen wat er in de wereld gebeurt en onze stem laten horen aan de vergadertafel.’ Een aantal boeren in St-Vincent is zich helemaal niet bewust van de nieuwe ontwikkelingen in de wereldhandel. ‘Daarom gaan we de volgende maanden de boeren nog meer informeren over wat er op internationaal vlak gebeurt.’

 

Kameraad Gonsalves

Ralph Gonsalves, sinds 2001 premier van St.-Vincent, kent de problemen van de kleine bananenboeren maar al te goed. Hij is zelf opgegroeid in een familie van bananenboeren in Georgetown. Kameraad Gonsalves -een bijnaam die de Amerikanen hem tijdens de Koude Oorlog toebedeelden- maakt zich zorgen over de enorme ecologische kost van een halve eeuw bananenindustrie.

‘Geen enkel commercieel landbouwgewas is zo schadelijk geweest voor het milieu in St.-Vincent als bananen. Grote stukken woud zijn gekapt om bananenplantages aan te leggen. Europese consumenten wilden geen vlekken op de bananen dus moesten we gaan sproeien, met alle gevolgen van dien voor mensen, insecten, vissen en de kwaliteit van het water. Nu de gouden tijden voor bananen voorbij zijn, is het belangrijk dat de Europese Unie onze partner wordt om de milieuschade aan te pakken. We hebben Europese hulp nodig om onze rivieren schoon te maken, om het vergif uit onze bodem te halen, om onze stranden op te ruimen en om opnieuw woud aan te planten.’

Gonsalves is in bananenkwesties ook woordvoerder van Caricom, de gemeenschap van Caribische staten. Op de internationale arena pleit hij in de eerste plaats voor een status quo van het Europese bananenregime. Gonsalves: ‘We proberen de Europeanen, Amerikanen, Latijns-Amerikanen en Afrikanen ervan te overtuigen om het bestaande tarief- en quotaregime te behouden. Dat kan, als iedereen het erover eens wordt. Elke invoerheffing onder de 275 euro voor bananen uit Latijns-Amerika zal voor onze bananenindustrie serieuze problemen betekenen. De uitdagingen zouden immens zijn. Onze bananenboeren en -arbeiders bevinden zich in de frontlinie van globalisering.’

Toch gelooft premier Gonsalves dat St.-Vincent de globalisering zal overleven. ‘We zijn altijd al een onverwoestbaar volk geweest. Met beperkte middelen hebben we op deze eilanden een opmerkelijke beschaving opgebouwd. We hebben de slavernij overleefd, het oude kolonialisme, het nieuwe imperialisme, we zijn overweldigd door de Europese hegemonie en momenteel voelen we de gevolgen van een rechts regime in de VS. Maar we hebben alles overleefd en dat komt omdat we geen tijdelijke groep bewoners zijn maar een beschaving. Ook met globalisering en de liberalisering van handel zullen we moeten leren leven, al zal het niet gemakkelijk zijn. Wat we nodig hebben is de hulp van onze overzeese vrienden.’

 

De bananenoorlog

Tot aan het begin van de jaren negentig kende St.-Vincent een bloeiende bananenindustrie. De boeren konden ongehinderd bananen uitvoeren naar ex-kolonisator Groot-Brittannië. Vanaf 1993 golden echter de regels van de Europese eenheidsmarkt, waardoor de sector snel en drastisch kromp. St.-Vincent exporteerde in 1992 nog 80.000 ton bananen, goed voor een omzet van 35 miljoen euro. Vorig jaar exporteerde het eiland nog maar 30.000 ton bananen, goed voor 12 miljoen euro. Van de 8000 bananenboeren uit 1992 blijven er amper 2000 over. Sommige bananenboeren hebben het eiland verlaten of zijn met pensioen gegaan, anderen hebben een job gevonden in de bouwsector of zijn overgeschakeld op andere teelten.

Toch genoten bananen uit de Bovenwindse eilanden ook na 1992 nog een voorkeursbehandeling in vergelijking met bananen uit Latijns-Amerika, de zogenaamde dollarbananen. De Bovenwindse eilanden behoren immers tot de ACS-landen, een groep van 77 voormalige kolonies van Europese lidstaten in Afrika, de Cariben en de Stille Oceaan, waarvoor de EU een preferentieel handelssysteem heeft opgezet. ACS-landen zijn goed voor 20 procent van de Europese bananenmarkt, Latijns-Amerikaanse landen hebben 60 procent van de markt in handen.

Het bevoordelen van de ACS-bananen ten opzichte van dollarbananen verliep via een ingewikkeld systeem van tariefquota. Daarbij kregen ACS- en dollarbananen elk een invoerhoeveelheid (quota) toegewezen met elk een invoertarief. Maar dat was niet naar de zin van Amerikaanse multinationals zoals Chiquita, die Latijns-Amerikaanse bananen in de EU invoeren. Ze vochten het EU-invoerregime aan bij de Wereldhandelsorganisatie.

In 2001 moest de EU plooien. Ze stelde voor om vanaf 1 januari 2006 het quota- en tariefsysteem te vervangen door een tariff-only-systeem. Met andere woorden: weg met de quota, alleen nog maar importheffingen op bananen uit Latijns-Amerika. Blijft de vraag natuurlijk hoe hoog die heffingen moeten zijn. Een te laag tarief zou de doodsteek kunnen betekenen voor bananen uit de Bovenwindse eilanden, een te hoog tarief is dan weer nefast voor bananenboeren in Latijns-Amerika. In februari 2005 stelde de Europese Commissie een invoertarief voor van 230 euro per ton dollarbananen. Uit onvrede met dat voorstel zijn zes Latijns-Amerikaanse productielanden (Ecuador, Costa Rica, Colombia, Guatemala, Honduras en Panama) naar de WTO gestapt: zij willen niet méér betalen dan 75 euro per ton. De Bovenwindse eilanden willen echter een minimumtarief van 275 euro per ton. Organisaties zoals Oxfam-Wereldwinkels pleiten dan weer voor een systeem van verschillende tarieven, gebaseerd op een onderscheid op basis van het respect voor sociale en milieucriteria.

 

 

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3260   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur