Basisonderwijs in het Zuiden komt hulp tekort

Interview met Hans De Greve van Plan België

Begin november kwamen heel wat donor- en ontwikkelingslanden samen in Kopenhagen op de donorconferentie van Global Partnership for Education (GPE), een internationaal samenwerkingsverband voor onderwijs in het Zuiden. Het doel was de nodige fondsen te verzamelen om kinderen wereldwijd naar school te sturen en tegelijk ook de onderwijskwaliteit te verbeteren. Er was nood aan 2,5 miljard dollar (1,8 miljard euro), terwijl er maar 1,5 miljard dollar (1,1 miljard euro) werd toegekend. MO* sprak hierover met Hans De Greve, medewerker beleidsbeïnvloeding van de ngo Plan België, die al sinds 2010 campagne voert voor kwaliteitsvol onderwijs in het Zuiden.

  • Gie Goris Een klasje in landelijk Bihar, India Gie Goris

Waarom werd een apart GPE voor onderwijs opgericht, volstond de gewone ontwikkelingshulp niet? 

De Greve: Het idee erachter was dat een gebrek aan geld geen reden mag zijn om kinderen niet naar school te laten gaan. De donoren maakten bij de oprichting onderling afspraken. Als landen in het Zuiden onderwijsplannen hebben die goed in elkaar zitten, dan krijgen die het geld dat daarvoor nodig is na het goedkeuren van de GPE. De reden om de GPE op te richten zal wellicht deels de gebrekkige aandacht zijn voor onderwijs in de gewone ontwikkelingshulp, maar daarnaast is het vooral positiever bedoeld als een supplementair fonds, om gaten in budgetten te dichten. Het is absoluut niet de bedoeling dat de reguliere ontwikkelingshulp door het bestaan van dit GPE begint terug te schroeven op onderwijs, omdat de ‘GPE nu toch bestaat’.

Het fonds wordt alleen gespijsd door de donorlanden en de Europese Unie, de private sector en ngo’s dragen niet bij tot het fonds. De private sector doet wel toezeggingen, bijvoorbeeld in de vorm van diensten waar ze een waarde opplakken.

Kan zo’n GPE echt verandering brengen, is het zinvoller dan gewone ontwikkelingshulp? 

De Greve: Eerst en vooral was het fonds bedoeld als extra, en niet om bilaterale akkoorden te vervangen. Daarnaast is zo’n fonds een heel efficiënte manier om onderwijssystemen in plaats van losse onderwijsprojecten te ondersteunen. Onderwijsplannen worden grondig onderzocht, waardoor er veel ondersteuning wordt gegeven. Als het plan er dan is, wordt het geld in één grote schijf overgedragen naar dat land. Er zijn dus niet allerlei ontwikkelingsagentschappen en ngo’s bij betrokken. Zo blijven transfer- en overheidskosten beperkt. Het past veel beter bij het idee dat ontwikkelingslanden de piloot zijn achter hun eigen ontwikkeling.

De GPE bestaat uit de donoren zelf, dus moeten ze hun beloftes wel waarmaken. Een fonds kan het verschil maken. Ten eerste door de nadruk te leggen op de efficiëntie en investeringen, waardoor er meer landen overgehaald worden om te doneren. Ten tweede komen de middelen allemaal samen in dit fonds, zodat het veel efficiënter te besteden is, in plaats van dat elk land dit op zijn manier doet. Zo kan dit wel de toekomst van onderwijs betekenen.

Wordt de GPE goed gerund? 

De Greve: We moeten ook kritisch zijn, er zijn een aantal problemen. Het secretariaat bevindt zich bijvoorbeeld nog steeds binnen de Wereldbank, maar in principe is het wel onafhankelijk. Toch zijn daar ook voordelen aan verbonden, omdat de toegang tot bepaalde mensen of plaatsen vergemakkelijkt. Ook zijn de administratiekosten erg laag, waardoor het kantoorgebouw en -materiaal allemaal voorzien zijn. Wel moeten de procedures van de Wereldbank nog steeds worden gevolgd en dat is niet de meest flexibele manier van werken. Dat levert heel wat discussies op. De herprofilering van de GPE die nu doorgevoerd werd, is de start van een heel proces om te veranderen.

Ik geloof dat er zich ook problemen voordeden met de manier waarop het bestuurd wordt en waarop landen en ngo’s daarin inspraak hebben. Ook met de effectiviteit van de programma’s waren er moeilijkheden. Ze hebben al die problemen nu aangepakt. Het is nu wachten op de resultaten van de investeringen, al geloven we er wel in.

Wie bestuurt zo’n GPE en hoe wordt dat geld dan besteed? 

De Greve: Het fonds wordt bestuurd door de leden van de GPE, namelijk de donorlanden, ontwikkelingslanden en ngo’s. Het secretariaat staat in voor het alledaags bestuur en volgt de richtlijnen van de Raad van Bestuur. Het ontwikkelingsland zelf neemt de leiding, stelt de plannen en begroting op, en besteedt het geldt zelf, ze krijgen enkel budgetondersteuning. Ze worden opgevolgd door een lokale donorgroep. Dat zijn donoren die in dat land rond basisonderwijs werken en die het ministerie soms bijsturen. Ook het maatschappelijk middenveld denkt mee na en heeft impact op de plannen en de uitvoering ervan. Dat loopt niet altijd even vlot, de lokale participatie moet meer geactiveerd worden.

Verder staan er vaak veel mooie woorden in die plannen, maar is de verwezenlijking een andere zaak. Soms is er bijvoorbeeld veel aandacht om kinderen naar school te sturen, maar komt de kwaliteit van het onderwijs soms op de tweede plaats te staan. Het is logisch dat dit niet eenvoudig is.

Er werd in Kopenhagen op 2.5 miljard dollar gehoopt, en er kwam maar 1.5 miljard dollar. Is dat een echte verrassing gezien de nauwe schoentjes waarin de meeste donoren zitten? 

De Greve: De meeste zaken op de conferentie waren geen verrassing, omdat de meeste ngo’s contact hebben met de ministeries. Voor die beslissingen wordt niet over een nacht ijs gegaan. We hadden ook verwacht dat we die 2.5 miljard dollar nooit gingen halen. De weken voor de conferentie zijn we aan het tellen geweest. Behalve de Engelsen, die heel lang konden stilhouden hoeveel ze echt gingen geven, wisten we over de meeste donoren wel in welke richting het zou gaan.

Voor mij was het wel nog een verrassing dat ze toch nog aan die 1.5 miljard gekomen zijn. Toen we achteraf de cijfers bekeken, bleek dat het secretariaat van de GPE enkele bedragen meegeteld hadden om aan de 1.5 miljard te raken. Het waren die voordien al toegezegd waren en die er eigenlijk niet bijhoorden als ‘nieuw geld’, nochtans was het vinden van ‘nieuw geld’ het doel van de conferentie. Landen willen een zo mooi mogelijke beurt maken en beloven soms zaken die ze eigenlijk voordien al beloofd hadden. Eigenlijk had het secretariaat van de GPE eerlijk genoeg moeten zijn om dat eruit te filteren, al is het begrijpelijk.

Welke donoren hebben het meest ontgoocheld? 

De Greve: De Verenigde Staten hebben het slecht gedaan in verhouding met de andere landen en met de grootte van het land. Wereldwijd is dat een enorm grote donor, ondermeer door de grootte van hun land, waardoor ze een stevig budget voor ontwikkelingssamenwerking hebben. Het was de eerste keer dat ze bijdroegen aan het fonds, dat is positief. De Amerikaanse ngo’s zijn daarom blij dat ze Amerika zo ver gekregen hebben. Toch is een bijdrage van 20 miljoen voor het komende jaar bijzonder weinig. Als je weet een klein land als Engeland bijna zes keer zoveel doneerde als de Amerikanen, is dat een beetje teleurstellend. Al kan er natuurlijk nog iets bijkomen.

‘We komen nog altijd een miljard dollar tekort. De vraag is waar we dat zullen halen, en dat is verontrustend.’

Er zijn ook een aantal donoren – zoals Spanje, Italië en Ierland – waar de economische crisis heel zwaar op hun situatie weegt en ze niet meer dezelfde steun kunnen geven als vroeger. Ze doen nog wel steeds hun best, maar ze erkennen dat ze het met minder moeten doen dan vroeger. Ook ons land is er door de politieke crisis niet in geslaagd om iets te beloven voor de volgende drie jaar, en ook Frankrijk en Duitsland hebben ons teleurgesteld. Zij waren in het verleden altijd bij de top drie van grote onderwijsdonoren, en nu vallen ze voor basisonderwijs heel laag terug in de lijst. Dat is omdat ze net als België hogeronderwijsdonoren zijn.

Wat betekent het om hogeronderwijsdonoren te zijn? 

De Greve: Dat zijn donoren die een heel groot deel van hun officiële ontwikkelingshulp voor onderwijs besteden aan het hoger onderwijs. Vaak is deze ontwikkelingshulp in bepaalde mate ook interessant voor het donorland zelf. Het is belangrijk dat universiteiten een internationaal karakter hebben. Als universiteiten ontwikkelingsprogramma’s verzorgen met universiteiten in het Zuiden, waarbij ze veel buitenlandse studenten naar hier kunnen krijgen via beurzen, dan is dat niet alleen goed voor het Zuiden, maar ook goed voor de universiteiten in het Noorden.

Frankrijk, België en Duitsland werken veel minder aan basisonderwijs, en het probleem is ook dat de hulp die aan hoger onderwijs gegeven wordt, vaak bestaat uit beurzen en programma’s voor universitaire internationalisering. Dat is zeker zinvol voor de universiteiten en studenten, maar dat helpt het onderwijssysteem in ontwikkelingslanden niet vooruit.

Hoger onderwijs blijft een elitaire aangelegenheid. Voor de meerderheid van de bevolking in het Zuiden is hoger onderwijs niet aan de orde. Zeker in Afrika is dat voorlopig voor velen een utopie. Dat wil niet zeggen dat we daar niet in moeten investeren, maar procentueel gaat er meer dan de helft van de onderwijssteun naar hoger onderwijs. Dat is niet proportioneel, zeker omdat er maar een hele kleine groep mensen daarvan kan genieten. Hoger onderwijs is niet onbelangrijk, landen gaan zich niet ontwikkelen met een bevolking die alleen maar lager onderwijs genoot. Maar je moet zorgen dat je basis ook mee is, anders ga je enkel een bepaalde elite ondersteunen.

Waarom scoort België zo laag en anderen zo hoog?

De Greve: Ik denk dat we een aantal dingen moeten nuanceren. Het bedrag dat per land wordt gegeven geldt voor vier jaar, de reden waarom België maar met 6 miljoen euro kwam, is omdat ze enkel de toezegging gedaan hebben voor het komende jaar. Het is ook begrijpelijk dat er door de politieke crisis voorlopig maar voor een jaar gedoneerd wordt bij gebrek aan een begroting voor de volgende jaren. Het is natuurlijk jammer dat de ontwikkelingslanden niet op lange termijn kunnen plannen omdat er in België een regeringscrisis is.

Toch presteerde België beter dan anders, in vroegere jaren doneerde België immers een miljoen euro per jaar. Indien ze dit bedrag de volgende jaren zouden aanhouden, zullen ze beter scoren dan veel andere landen. Het gaat echt over keuzes. België besteedt maar een kleine 18 procent van het onderwijsbudget aan basisonderwijs. Het aandeel in basisonderwijs is veel te klein in vergelijking met hoger onderwijs. Nu is het vooral afwachten wat België de volgende jaren zal doen.

Kun je uitleggen waarom het belangrijk is dat donoren langetermijnbedragen schenken? 

De Greve: Zo’n fonds kan alleen maar zin hebben als donoren voor verschillende jaren vooruit hun beloftes doen. Het fonds is bedoeld om onderwijssystemen in het Zuiden te ondersteunen. Langetermijnvooruitzichten zijn uiterst belangrijk voor een GPE. Indien dit niet aanwezig is, kan het Zuiden ook niet aan langetermijnplanning doen en evenmin duurzame beslissingen nemen. Dan zullen ze tijdelijke en ongekwalificeerde leerkrachten tewerkstellen. Zo is de kwaliteit niet gewaarborgd. Daarom zijn we wat teleurgesteld zijn in België en Amerika.

Een andere doelstelling van de conferentie was dat de ontwikkelingslanden zelf ook een extra inspanning zouden doen. Dat zou betekenen dat de 30 ontwikkelingslanden die er aanwezig waren samen 1.6 miljard euro extra zullen vrijmaken voor basisonderwijs, en de beloftes daarover zien er goed uit. Ontwikkelingslanden doen procentueel vaak veel meer voor basisonderwijs dan in de ontwikkelde donorlanden.

Is alles dan nog haalbaar met wat nu verkregen werd? 

De Greve: Dat is moeilijk te zeggen. Alles hangt af van de nieuwe donoren om de doelstellingen te halen. Er is sowieso nood aan meer geld, zeker omdat we ook weten dat er demografische evoluties aankomen in veel ontwikkelingslanden, waardoor er nog meer geld voor basisonderwijs nodig zal zijn. Er zal sowieso jaarlijks meer geld nodig zijn. Er werden al prognoses gemaakt dat er in 2015 meer kinderen niet naar school zullen gaan dan nu, ook al is de trend al jaren dalend. Hetzelfde geldt voor de kwaliteit. De onderwijssystemen staan al onder druk, vooral in Afrika en in Azië. Als er dan nog kinderen gaan bijkomen…

Om aan de noden te kunnen voldoen, volstaat die 2.5 miljard dollar niet. Het bedrag dat echt nodig is, bedraagt 16 miljard dollar, utopisch natuurlijk. Een bijkomend probleem is de absorptiecapaciteit in het Zuiden. Een land als Niger kan het niet aan om opeens miljoenen aan onderwijsgeld binnen het jaar te spenderen, daar hebben ze de capaciteit niet voor. De helft van het bedrag, 8 miljard dollar, zou op een redelijke manier kunnen worden uitgegeven binnen de komende jaren. Die acht miljard dollar hebben ze opgedeeld in 2.5 miljard voor het Fonds, en dan is er nog de 5.5 miljard die ze ook wilden ophalen via andere toezeggingen, zoals private fondsen, nationale overheden die het met hun eigen programma’s zouden besteden, en via ngo’s.

Hoe denk je over de toekomst? 

De Greve: Wat mij het meest verontrust, is dat de grote traditionele donoren hun bijdragen hebben gegeven. Zij zullen niet veel meer toevoegen, ze hebben hun beloftes ingewilligd. Toch hebben we nog altijd een miljard dollar tekort, dat is nog veel. De vraag is vanwaar we dat zullen halen. Van België of Slovenië verwacht ik het niet. De GPE zelf kijkt nu afwachtend naar de nieuw opkomende donoren, namelijk Brazilië, Rusland, China en de Arabische landen. Het is zeer de vraag of die landen het gaan zien zitten om met significante bedragen over de brug te komen, en of we er gaan geraken.

Lees ook de blog die Hans De Greve bijhield van op de GPE-conferentie in Kopenhagen

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2859   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift