Beeldende kunstenaars met een niet-westerse achtergrond

Everlyn Nicodemus werd geboren op de flanken van Afrika’s hoogste berg, de Kilimanjaro. Momenteel leeft ze, samen met haar Zweedse man, zeven hoog, op een appartementje in Borgerhout. Everlyn schildert, fotografeert, maakt installaties. Aan de muur van de leefkamer hangt een serie werken met in kippendraad gevangen eieren of eivormige objecten.
Prachtig versierde, Zweedse paaseieren; een groen, jade ei; een grote kinkhoorn die ooit op het strand van Dar es Salaam aanspoelde; een eivormige koebel; een roestende hak die Everlyns grootmoeder ooit meegaf om in Europa op het veld te werken -wellicht het Swahili-spreekwoord indachtig: ‘Mgeni siku mbili, siku ya tatu mpe jembe’ (‘Behandel een gast als een gast voor twee dagen, maar geef hem de derde dag een hak’). ‘Ik gebruik alle elementen die de wereld mij biedt om mij uit te drukken’, zegt Nicodemus. ‘Ik weet dat heel wat mensen in Europa verwachten dat ik ‘Afrikaanse’ kunst zou maken, maar ik laat mij niet opsluiten in hun vooroordelen. Als je ziet hoe Europese kunstenaars al eeuwen bezig zijn met het gebruiken van beelden, motieven en technieken uit andere culturen, dan zie ik niet in waarom ik mij zou beperken tot elementen uit mijn Wachaga-traditie. Ik maak uiteraard gebruik van de Afrikaanse taal waarin ik opgegroeid ben, maar ik laat haar niet als een dwangbuis werken.’ Op de vraag of ‘Andere kunstenaars’ -zoals artiesten genoemd worden die in Europa wonen en werken, maar afkomstig zijn uit niet-westerse culturen- ook ‘Andere kunst’ produceren, antwoordt Everlyn Nicodemus dan ook zonder aarzelen met een neen. ‘Kunst is kunst en elke poging om het werk van niet-westerse kunstenaars in afzonderlijke categorieën onder te brengen, is een vorm van apartheid. Al dat gepraat over moderne kunst, westerse kunst, traditionele kunst of andere kunst, kan niet verbergen dat kunst -waar ook ter wereld- neerkomt op het produceren van beelden van de wereld en van het leven. Of je nu een Marokkaanse Belg bent of een Vlaamse Argentijn, de voornaamste ingrediënten van het leven blijven toch altijd liefde, vrienden, buren, dromen, problemen, werk, kinderen, ouder worden. De verschillende combinaties van deze elementen bepalen je individualiteit en zullen dus zichtbaar worden in je creaties.’

Beelden zijn, net als muziek, universeel. Congolese pygmeeën kunnen genieten van een mooie Rubens, Vlamingen kunnen gefascineerd worden door de geometrische versieringen in Arabische moskeeën. Maar, ook al is de esthetische kracht van sommige beelden zo sterk dat ze eeuwen en culturen overstijgen, toch is hun betekenis gebonden aan de context waarbinnen ze ontstaan. Beelden hebben, net als woorden, vertaling nodig. ‘Iemand die de palmen van zijn handen toont, zegt in de ene cultuur dat hij geen kwade bedoelingen heeft; in een andere cultuur zegt hij dat hij kwaad uitstraalt naar degene op wie hij zijn handen richt’, zegt Flor Bex, directeur van het Museum van Hedendaagse Kunst in Antwerpen. Alsof dit nog niet ingewikkeld genoeg is, eist de schepper van beelden -de beeldhouwer, schilder, installatiekunstenaar, fotograaf of cineast- tegenwoordig de vrijheid op om zijn of haar eigen universum van betekenissen op te bouwen. Een schilderij van een Indiase kunstenaar kan dus niet meer eenvoudig begrepen worden door te verwijzen naar de ‘Indiase cultuur’ -als er al ooit zoiets als één Indiase cultuur bestaan zou hebben. Rasheed Araeen, kunstenaar van Pakistaanse origine, is een uitgesproken tegenstander van de tendens om artiesten ‘op te sluiten in hun cultuur van herkomst’, omdat dat ertoe leidt dat westerse vooroordelen gaan dicteren wat creatieve individuen mogen maken. ‘In Groot-Brittannië waren kunstenaars als Avinash Chandra en Francis Souza in de jaren zestig even succesvol als hun Britse tijdgenoten’, schrijft Araeen. ‘Desondanks was er een verschil. Deze kunstenaars werden niet bewonderd voor hun moderniteit of voor hun bijdrage tot de naoorlogse Britse kunst, maar voor hun Indiaas-zijn. Souza’s expliciet seksuele naakten, soms gekopieerd uit pin-up magazines, werden verklaard vanuit de Indiase seksualiteit. De erotiek in Chandra’s werk verwees dan weer zogezegd naar de Tantrische kunst.’

Flor Bex bevestigt het recht op vrijheid van de kunstenaar tegenover zijn eigen cultuur. Meer zelfs: ‘Het bijzondere aan een kunstenaar is niet dat hij of zij beelden schept. Dat doet een schrijnwerker of een reclameman ook. Een kunstenaar zal op één of andere manier de gegeven patronen doorbreken en in vraag stellen. In die zin is goeie beeldende kunst emancipatorisch.’ Als de beelden bevrijd worden uit het carcan van geldende normen of overgeleverde gebruiken, dan kunnen ze mensen de mentale ruimte geven om nieuwe wegen te verkennen.

Blijft de vraag hoe het komt dat er in onze musea, in de galerieën of op de grote tentoonstellingen zo weinig werk terug te vinden is van ‘Andere kunstenaars’. ‘Omdat er te weinig kwalitatief aanbod is’, vindt Bex. Zijn MUHKA brengt elk jaar een tentoonstelling van een ‘Antwerpse’ kunstenaar, maar dat waren tot nu toe altijd blanke, Vlaamse Antwerpenaren. Toch vindt hij niet dat er een systematische onzichtbaarheid van de ‘Andere kunstenaars’ is: ‘Everlyn Nicodemus maakt deel uit van de tentoonstelling ‘Fascinerende facetten van Vlaanderen’ die in Lissabon loopt, Charif Benhelima is zeker één van de beste fotografen die ons land momenteel heeft en ook het werk van Ali Mecibah krijgt de erkenning die het verdient.’

Rasheed Araeen maakt zich kwaad als hij hoort dat er te weinig kwaliteit zou zijn bij niet-westerse kunstenaars. Hij pleit nochtans niet voor een soort positieve discriminatie, wél voor een radicale kritiek op de kunstinstellingen en hun politiek tegenover ‘andere kunstenaars’: ‘We moeten ermee ophouden te denken dat de ‘andere’ kunstenaar in het Westen te zien als slachtoffer van iets of iemand. Dat is paternalisme van het ergste soort: als ze aandacht krijgen alleen maar omdat ze uit arme en onderontwikkelde samenlevingen komen. Ze mogen dan al voortgekomen zijn uit deze samenlevingen, en de armoede in hun vaderland mag hen naar hier hebben gedreven -ze kwamen niet naar hier voor sympathie of liefdadigheid. Het probleem ligt niet bij de kunstenaars en hun culturele achtergrond, maar wel bij het systeem, dat hun volwaardige creatieve talent niet erkent, noch de vrijheid om zich uit te drukken zoals zij dat zelf willen. Bijgevolg worden kunstenaars die niet binnen het kader van het establishment passen, beroofd van hun plaats als kunstenaar in de samenleving. Dit betekent niet alleen een verlies voor de kunstenaar, maar voor de hele samenleving.’

Rasheed Araeen schreef een bijdrage (‘De onzichtbare anderen. Het probleem van kunst als vrije expressie in de multiculturele samenlevingen van het Westen’) in het pas verschenen Noord-Zuid Cahier over Glokale kunst in Vlaanderen. Te bestellen bij Wereldwijd.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur