Belgische politieke partijen over CIA & co

Vormen de activiteiten van buitenlandse spionnen in België een probleem volgens onze politici? Moet de samenwerking met de CIA & co beter geregeld worden? De standpunten over geheime diensten vormen een blinde vlek in publicaties van Belgische politieke partijen. Daarom legde MO* in november 2009 alle partijen drie eenvoudige vragen voor. Hieronder vindt u de integrale antwoorden.

De vragen:

1 Hoeveel mensen in uw partij zijn “gespecialiseerd” in intelligence? Met andere woorden: hoeveel personen in uw partij volgen actief ‘geheime diensten’ als thema op? 

2 Gezien België de NAVO, de EU en tal van andere internationale instellingen huisvest, is de aanwezigheid van talrijke buitenlandse geheime diensten een realiteit in ons land. Stelt er zich volgens uw partij een probleem? En hoe moet België volgens uw partij best omgaan met deze realiteit?

3 Het Comité I heeft in zijn voorbije activiteitenverslagen twee heel concrete aanbevelingen gedaan inzake deze problematiek. De eerste luidt: ‘De controle op de activiteiten van buitenlandse inlichtingendiensten op Belgisch grondgebied is as such niet opgenomen als wettelijke taak voor de Staatsveiligheid of de ADIV. Het Comité I is van oordeel dat deze bevoegdheid expliciet in de wet zou moeten worden ingeschreven.’ (Activeitenverslag 2006 en Activiteitenverslag 2008). De tweede aanbeveling: ‘Het Ministerieel Comité voor inlichtingen en veiligheid moet dringend de samenwerking met de buitenlandse inlichtingendiensten reglementeren.’ (Bron: Activiteitenverslag 2007) Gaat uw partij akkoord met deze aanbevelingen?

GROEN

(antwoorden bezorgd door Stefaan Van Hecke)

1. Binnen onze partij zijn er niet veel mensen actief bezig met het opvolgen van ‘intelligence’.
We zijn geen grote partij waardoor het vaak samen met vele andere dossiers moet worden opgevolgd. In het verleden wat Eddy Boutmans heel actief op het thema en volgde ‘geheime diensten’ van heel nabij op. In de senaat was hij destijds heel actief, onder meer bij de bespreking van de wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten. De neerslag daarvan is  nog in de parlementaire stukken te vinden (1-758). Hij stelde destijds ook heel wat vragen over de veiligheidsdiensten. Eddy Boutmans volgt dit nog steeds op, nu van iets verder, vooral via de Liga voor Mensenrechten waar hij actief is. Nu specifiek rond de BIM-wet.
Ook Paul Pataer, OCMW-raadslid van Groen! in Gent, gewezen senator, en actief in de Liga voor Mensenrechten, volgt deze materie op.
Ikzelf zetel in de kamer sedert 2007. Ik ben o.a. effectief lid van de commissie Justitie en van de begeleidingcommissie van het Comité P. Aangezien we slechts met 4 Kamerleden zijn en tal van thema’s moeten opgevolgd worden, heb ik me op die twee jaar niet kunnen verdiepen in het dossier van de ‘geheime diensten’. Ik probeer me wel meer en beter in te werken, onder meer naar aanleiding van enkele actuele dossiers zoals het terreuralarm, dossier Belliraj, de activiteiten van El Al op Zaventem (waarover ik u meer info bezorg) en, natuurlijk, nu de bespreking van de BIM-wet staat geagendeerd. Sinds februari 2009 ben ik lid van de begeleidingscommissie Comité P. In die hoedanigheid zal ik af en toe samen met de leden van de begeleidingscommissie van het Comité I, het jaarrapport van het Comité I bespreken. Dat zal me de mogelijkheid bieden om me verder in te werken in de problematiek, wat ik heel graag wil doen.

2. Het probleem is op zich niet dat er andere diensten in België actief zijn. Als we dat wel zouden vinden, zouden we consequent moeten zijn en onmiddellijk onze (militaire) inlichtingendienst uit het buitenland moeten laten terughalen en een wetsontwerp indienen voor een verbod.
Het probleem is hoe de buitenlandse diensten zich gedragen in België en dat er eigenlijk nauwelijks of geen controle op is. Als we het voorbeeld nemen van de Marokkaanse dienst, dan zien we dat die de Marokkanen in België in de gaten houdt. Je zou zelfs kunnen stellen dat ze een “logisch” verlengstuk vormen van het werk van de ambassade. We stellen ons wel vragen of dit opportuun is. Moet een vreemde mogendheid haar eigen landgenoten in het oog houden? Is het aanvaardbaar dat ze de oppositie in het buitenland in de gaten te houden? Volgen ze hierbij de Belgische wetten (privébewakingsdiensten, wapenwet, afluisterpraktijken, .) ? Als we het geval Belliraj bekijken, waar gezegd werd dat hij ook voor de Marokkaanse dienst werkte, dan wekt dat geen vertrouwen. Het is dus zeker niet normaal dat buitenlandse diensten (ook de VS, ook Israël, wellicht ook Rusland en China. maar dat weet jij wellicht uit je onderzoek veel beter) hier rondspoken, zonder enige controle. In de VS is het, als ik me niet vergis, strafbaar ‘intelligence’werk voor een buitenlandse mogendheid te verrichten zonder vergunning (of minstens aangifte - de details ken ik niet, maar dat weet jij wellicht beter). Zie de Cuban 5 . die ondermeer daarvoor veroordeeld zijn.
Nog een stap verder gaan de diensten van landen die we niet als bevriend kunnen beschouwen. Als zij lobbyen bij onze gezaghebbers is er op zich geen groot probleem. Als zij zich echter schuldig maken aan spionage (zowel het zoeken naar staatsgeheimen (NAVO-geheimen/EU-geheimen) als economische spionage, denk aan de technologie in onze universiteiten) of andere niet zo koosjere activiteiten ontwikkelen, dan is er wel een zwaar probleem. Dit soort zaken zou bij uitstek moeten worden gevolgd en gecontroleerd door onze inlichtingendiensten.
Maar wat doen we met “bevriende” landen die hier ook komen spioneren? Als groenen kunnen we niet anders dan voor gelijke behandeling gaan: ook dit moet worden aangepakt .
Voor ons zou een heroriëntering van de middelen van de Staatsveiligheid (weg van het in de gaten houden van de eigen ingezetenen, bv parlementsleden van Agalev/Groen en Ecolo destijds) naar contraspionage een goede zaak zijn.
Het zou zinvol zijn een strafbepaling daartoe in te voeren, met misschien een uitzondering in de zin van: “behoudens wat in goedgekeurde en geratificeerde internationale verdragen is overeengekomen” (we kunnen vermoeden dat er geheime overeenkomsten bestaan - maar misschien weet jij daar meer over). Het toezicht toevertrouwen aan het Comité I lijkt zinvol, misschien moet dit comité ook de verleende vergunningen kunnen toetsen (per definitie na wetswijziging).

3. Eerste aanbeveling: het bijschrijven van de controle als expliciete opdracht voor de Staatsveiligheid/ADIV. Art.7 1° van de wet van 30/11/1998 is duidelijk: De taak van de staatveiligheid is: “het inwinnen, analyseren en verwerken van inlichtingen die betrekking hebben op elke activiteit die de inwendige veiligheid van de Staat en het voortbestaan van de democratische en grondwettelijke orde, de uitwendige veiligheid van de Staat en de internationale betrekkingen, het wetenschappelijk of economisch potentieel, zoals gedefinieerd door het Ministerieel Comité, of elk ander fundamenteel belang van het land, zoals gedefinieerd door de Koning op voorstel van het Ministerieel Comité, bedreigt of zou kunnen bedreigen;” En dit wordt nog verder uitgelegd in art.8. Art. 11 geeft bevoegdheden aan ADIV. Moet het dan nog eens expliciet vermeld worden? Het is een afweging die gemaakt kan worden. Je zou kunnen zeggen dat het al in de wet ingeschreven staat. Er is echter een tendens die vraagt dat alles wat een inlichtingendienst moet doen ook wettelijk beschreven moet worden (zie BIM-wet); als dit is om de democratie te versterken, is dit voor ons zeer welkom, maar in een snel veranderende wereld is het onmogelijk alles in perfecte wetten te gieten.
Wij zullen dus zeker een wetsaanpassing in die zin steunen, maar er moet zeker niet gewacht worden op een aanpassing opdat de SV of de ADIV die controle nu reeds zouden kunnen uitoefenen.
De tweede aanbeveling is moeilijker. Reglementering van de samenwerking met buitenlandse diensten lijkt aantrekkelijk en logisch, maar zal volgens wat ik verneem, nooit goed kunnen gebeuren. Wanneer mag het wel, wanneer niet ? Bovendien is de inlichtingenwereld bij uitstek één waar partnerschappen kunnen wijzigen met de minuut, afhankelijk wat het beste is voor elk land.
Samenwerking is nodig. Sommige zijn al gestructureerd (Club van Bern, SitCen van de EU), andere zullen op feitelijk basis verlopen. Soms zal het vlot gaan (met de USA over terrorisme), soms zal het botsen (met de USA over anders-globalisten).
De vraag rijst ook wat men zal reglementeren. Wanneer het mag? Hoe het mag? Met wie het mag? Een algemeen kader kan dan wel geschetst worden, op het terrein zal er een verschil zijn. In plaats van strikt en minutieus te reglementeren, lijkt dit ons dan ook de plaats waar politieke verantwoordelijkheid moet gelden. Elke Minister van Justitie (en elke Administrateur-Generaal) moet hier de verantwoordelijkheid opnemen om deze zaken zo goed mogelijk te beheren. Als het MCIV wil reglementeren, is het misschien beter om een breed kader te schetsen, eerder dan een stringente reglementering uit te schrijven. Zonder strafbepalingen zal een regeling evenwel weinig zin hebben.

VLAAMS BELANG

(antwoorden bezorgd door Bruno Valkeniers)

1. Filip De Man zetelt in de begeleidingscommissie van het Comité P van de Kamer. In de Senaat wordt het Vlaams Belang uitgesloten van deelname aan de begeleidingscommissie van het Comité I. Filip De Man houdt zich binnen de partij bezig met de inlichtingendiensten.

2. Filip De Man heeft een wetsvoorstel over de veiligheid van de Staat ingediend (wetsvoorstel tot wijziging van de wet van 30 november 1998 houdende regeling van de inlichtingen- en veiligheidsdienst voor wat betreft de afschaffing van de Staatsveiligheid).

3. Akkoord met deze aanbevelingen, maar dan wel als ze toegepast worden door een gespecialiseerde dienst van de federale politie (cfr. hogervernoemd wetsvoorstel).

LIJST DEDECKER

(antwoorden bezorgd door Kris Daels)

1. Deze materie is dus duidelijk ‘federaal’ en onze federale fractie bestaat in totaal uit een 10 tal medewerkers waarvan één persoon (ondergetekende) deze materie opvolgt naast een aantal andere taken … Dus antwoord is : één persoon, maar zeker niet ‘full time’.

2. Er is duidelijk een probleem … Alleen al het feit dat de BIM wetgeving nog altijd niet gestemd is en Staatsveiligheid eigenlijk zonder een voldoende wettelijke kader moeten ‘opereren’ terwijl er de laatste jaren toch voldoende ‘aanwijzigen’ zijn geweest die aantonen dat er op dat vlak is schort (zie proces ‘Erdal’, de affaire Belliraj, …). We beschikken over informatie dat sommige diensten van de Staatsveiligheid momenteel zelfs niet meer ‘bemand’ zijn wegens onvoldoende personeel (dit betekent dus dat sommige fenomenen of groeperingen niet worden ‘opgevolgd’ …)

3. Dat er inderdaad afspraken/protocols moeten gemaakt worden met de buitenlandse inlichtingendiensten ligt voor de hand. Maar, eerst en vooral dienen onze eigen diensten gestructureerd en voldoende georganiseerd te worden ! Wat met de doorstroming van de info van de politie naar Staatsveiligheid en vice verca (er bestaan wel zgn. ‘circulaires’, maar worden die opgevolgd …) ? Het lijkt er momenteel op dat de politie per sé activiteiten van de Staatsveiligheid wil ‘inpalmen’ (op vlak van terrorisme bvb.) en omgekeerd, de Staatsveiligheid die bvb. heel wat effectieven inzet om fysische bescherming te leveren aan buitenlandse staatshoofden en/of hun vertegenwoordigers bij hun verblijf/bezoek aan België.

ECOLO

(antwoorden bezorgd door Isabelle Durant)

1. Chez Ecolo, une dizaine d’élus et de conseillers suivent ces questions. Nous ne sommes par contre pas représentés au sein de la commission de suivi du comité R, en application des règles de représentation des groupes en fonction de leur poids électoral.

2. Il est exclu que des services secrets étrangers soient “actifs” sur le territoire à l’insu des autorités diplomatiques, policières et judiciaires.  C’est à dire que si cette présence implique des actes dérogatoires aux droits reconnus généralement à tout étranger présent sur le territoire, cette présence doit s’organiser, dans le respect des lois en vigueur et en concertation avec, selon les cas, les autorités policières et judiciaires.  Si des actions concertées sont mises en place avec les services de renseignements belges, celles-ci doivent être autorisées conformément aux lois en vigueur et notamment les lois relatives aux services de renseignement, la loi sur la fonction de police et la loi organisant la sécurité privée.  Ce sont ces autorités belges qui ont à répondre de ces opérations devant les instances démocratiques de contrôle que sont le Comité R et le parlement.

3. Nous comprenons le souci à la base de cette mention et les services de renseignements sont normalement les mieux outillés pour contrôler les services étrangers en Belgique et collaborer avec eux dans une série de cas.  Nous avons cependant des doutes quant à la capacité pratique de contrôler toutes les activités en question c’est pourquoi une interdiction de principe doit être maintenue et appliquée.  En cas de mesures concertées, il est indispensable que cette collaboration se fasse dans le respect des missions confiées aux services de renseignement belges et dans le respect des lois applicables.  Il ne peut notamment être invoqué aucune règle de réciprocité ou de secret par nos services secrets ou des services étrangers pour faire obstacle aux contrôles et autorisations réservés par la loi aux autorités judiciaires et politiques belges.  Il n’est pas admissible non plus que des collaborations aient pour effet que des mesures de recueil des données soient mises en ouvre par des agents non habilités, ce qui serait le cas d’agents étrangers.

SP.A

(antwoorden bezorgd door Renaat Landuyt)

1. Niemand in de sp.a is voor honderd procent met deze dossiers bezig. Renaat Landuyt volgt het thema binnen het parlement als justitiespecialist op, en is er ook een politiespecialist die soms aanknopingspunten heeft met de thematiek. Landuyt heeft het overigens ook op regeringsniveau gevolgd, omdat hij in het Ministerieel Comité voor Inlichtingen en Veiligheid zetelde.
Op de sp.a-studiedienst zijn er minstens twee mensen die erover kunnen meepraten.
Verder heeft de sp.a een netwerk van contacten op allerhande terreinen.
Uw hypothese dat er binnen politieke kringen weinig interesse is voor inlichtingendiensten heeft wel grond. Dat geldt trouwens voor het hele justitiethema. Die thema’s worden politiek minder actief bespeeld. Dat komt door het electoraal systeem: het ligt niet dicht bij de corebusiness van de politicus die bezig is met de eerste zorgen van de mensen.

2. en 3. De realiteit is problematisch in die mate dat onze eigen diensten problematisch zijn. Ik weet nog uit mijn ministeriële ervaring dat je voor informatie soms sneller op de CNN-website terechtkunt dan bij onze eigen inlichtingendiensten. We hebben de periode meegemaakt van internationale terreuraanslagen. In die tijd heb ik me altijd zeer afhankelijk gevoeld van wat buitenlandse inlichtingendiensten ons als info wensten mee te delen. Dat toont de zwakte van onze eigen diensten. Is België nog baas in eigen land? Buitenlandse geheime diensten hebben naar mijn vermoeden weinig last van de Belgische. We worden niet au sérieux genomen, we worden overrulded.
Ik ben in 2005 als minister van Mobiliteit op zoek gegaan naar gegevens over mogelijke CIA-vluchten in België. Ik heb me nooit goed gevoeld bij wat ik kreeg qua informatie van eender welke Belgische dienst. We zouden de regels zo moeten maken dat wie in België niet meewerkt aan het kanaliseren van informatie, strafbaar wordt gesteld.
Volgens de sp.a moet er duidelijkheid komen over met welke buitenlandse diensten België samenwerkt. Wie zijn de betrouwbare partners? En welke buitenlandse diensten wantrouw je en controleer je? Daar zijn criteria voor nodig. Daarnaast is er ook nood aan een kader om overeenkomsten te sluiten met buitenlandse geheime diensten diensten. De huidige wetgeving moet dus verfijnd worden.
Er moeten dus betere afspraken komen. We stappen in die lijn mee, zijn zelfs vragende partij. Maar anderzijds: het feit dat er nu te weinig gecontroleerd wordt, heeft niets te maken met een gebrek aan wettelijke basis. De ruime omschrijving in artikel zeven van de bestaande wetgeving laat toe dat de controle op buitenlandse geheime diensten in een dynamische organisatie wel zou gebeuren. Verder is het ook steeds oppassen met een te enge opdrachtstelling. Hoe specifieker de opdracht, hoe meer mogelijkheden uitgesloten worden.
Wat de rol van het federaal parket betreft, moeten er duidelijkere instructies komen van de minister van Justitie. Zeker in dossiers waar ook Buitenlandse Zaken een rol speelt, moet er vanuit de regering duidelijkere ruggesteun komen voor het federaal parket.

N-VA

(antwoorden bezorgd door Joachim Pohlmann)

1. Tot op heden is de aandacht voor dit thema eerder laag geweest, daar N-VA op dit vlak niet heel veel expertise heeft. Toch lijkt het ons belangrijk om de werking van de Staatsveiligheid verder op te volgen, en in dit kader ook het toezicht op de buitenlandse inlichtingendiensten. Kamerlid Peter Luykx heeft uw bijdrage aan het congresboek met aandacht gelezen, en is overtuigd van het nut van het verder opvolgen van dit dossier.

2. Dat in Brussel talrijke spionage-activiteiten ontplooid worden moet de zorg zijn van ieder zichzelf respecterend land. Alleen is het kenmerk van spionage natuurlijk dat ze geheim gevoerd wordt. Het zou van België een gigantische inspanning vragen om alle beroepscategoriëen met een verhoogd risicoprofiel voor spionage (journalisten: 2000, lobbyisten: 20 000, diplomaten: 5000) te screenen en vaak is een screening zelfs niet voldoende.
Het verdient aanbeveling om de suggesties van het comité I met betrekking tot de controle op de activiteiten van buitenlandse inlichtingendiensten verder te onderzoeken. Tegelijk bevinden de methodes, de middelen en de van de staatsveiligheid zich in een deplorabele staat, zoals de meeste federale diensten (justitie, fiscaliteit, …) enzovoort. Onze partij zal zich blijven inzetten om deze anomaliën uit de wereld te helpen.
De recente wetsvoorstellen rond het toelaten van Bijzondere Inlichtingen Methoden kunnen hieraan tegemoet komen, maar moeten door onze partij nog verder onderzocht worden. Dit is immers een zeer belangrijke kwestie inzake de burgerlijke vrijheden.

3. (a) Expliciet inschrijven in de wet op de staatsveiligheid van hun bevoegdheid om controle uit te oefenen op buitenlandse inlichtingendiensten. Dit vinden wij een zeer waardevol voorstel, dat voor ons totnogtoe weliswaar een blinde vlek was. De rapporten van het comité I worden opgevraagd en in de nabije toekomst zal dit verder opgevolgd worden in de commissies Justitie en Binnenlandse zaken.
(b) Betere reglementering inzake de samenwerking met de buitenlandse inlichtingendiensten. Ook dit voorstel lijkt de logica zelve. De aard en de vorm van deze reglementering echter, zal voorwerp moeten uitmaken van uitgebreid parlementair debat. Spionage is een zeer complexe materie, snel snel een reglementering opstellen als windowdressing lijkt ons niet aangewezen.
Algemeen gesproken is het zo dat indien we hier nuttige standpunten over willen innemen, verdere studie van het onderwerp aangewezen is.

OPEN VLD

(antwoorden bezorgd door Bruno Vandegehuchte)

1. Dhr Paul Wille, gedurende jaren lid van de begeleidingscommissie in de Senaat. Indiener van Wetsvoorstellen ter verbetering van de controlemechanismen op de verschillende diensten. Tevens rapporteur voor de WEU-assembly, met overzichtsrapport (doc.1983) dat een volledig panopticon biedt van de verschillende Europese inlichtingensystemen en hun controleapparaten. Voorvechter van de parliamentary scrutiny. Heeft een matuur en ruim netwerk te beschikking.
Dhr Bruno Vandegehuchte, universitair medewerker Paul Wille, auteur van wetsvoorstellen en rapporten, en tientallen kritische parlementaire vragen aan de bevoegde Ministers.
Een aantal keyfuncties binnen de uitvoerende macht, en een aantal experten op het Kabinet Binnenlandse Zaken.

2. en 3. Dat Brussel een broeinest is van verschillende buitenlandse diensten is meer dan geweten. Hoewel wettelijk gezien de agenten van de buitenlandse inlichtingendiensten geen bevoegdheden meer hebben dan iedere andere buitenlandse burger (zoals het verbod op gebruik van geweld en het schenden van de grondwettelijke rechten en de privacy) staat het buiten kijf dat sommige inlichtingenagenten hun boekje te buiten gaan. Meer en meer gedetailleerde informatie komt langzaam naar buiten over verschillende ernstige mensenrechtenschendingen, zeg maar de uitwassen van de wereldwijde strijd tegen terrorisme sinds 2001. De politiek mag hierbij niet weifelen.
Vele inlichtingenagenten worden bewust geattacheerd aan hun ambassade en dus aan feitelijke diplomatieke onschendbaarheid. Ze verdwijnen vervolgens in de massa van 60.000 geaccrediteerde diplomaten in Brussel. Bij incidenten in het verleden werd er meestal enkel opgetreden op basis van ” inmenging” met een bestuurlijke maatregel, namelijk de uitwijzing uit het land van deze onschendbare agenten die ondanks hun misdrijf, strafrechtelijk ongemoeid werden. Voor Open VLD is dit ontoelaatbaar. Hier dringt zich in dialoog met buitenlandse Ministeries, waarbij onze protocoldiensten, bij het vaststellen van dergelijke functionele statutaire misbruiken (door inlichtingen van Belgische i-diensten), meteen de accreditatie intrekken, en het land uitwijzen. Bovendien moet Buitenlandse zich verder buigen over een uitbreiding van het huidige screeningsysteem van diplomaten via performante analyse van de geloofbrieven. Andere gedragsaberraties of regelrechte misdrijven van buitenlandse agenten moeten niet met een bestuurlijke maatregel, maar moeten op gerechtelijke, strafrechtelijke wijze, zonder uitzondering vervolgd worden. Open Vld ijvert daarbij dat ondermeer het onderzoek van het Federaal Parket rond de Lipsius-case nieuw leven wordt ingeblazen.
Een nieuw kader dringt zich op. Gentlemen’s agreements of bindende verdragen, afhankelijk van de vertrouwensrelatie, moeten tussen de  diensten gesloten worden.  Codes of conduct, en bindende protocols moeten duidelijk stipuleren dat de diensten hun agenten aanmelden, met een specifieke omschrijving van de finaliteit van hun aanwezigheid op het Belgisch grondgebied, en met de verplichting tot een proactieve melding en een permanente afstemming op onze nationale diensten. Als uit de melding blijkt dat het risico op de beïnvloeding van bepaalde nationale politieke of socio-economische processen reëel is, moeten onze eigen i-diensten (wettelijk) het mandaat krijgen om deze beïnvloeding te checken, binnen kort-op-de-bal-spelende richtlijnen hen opgedragen door het Ministerieel Comité voor de Inlichtingen en de Veiligheid.
Deze taakomschrijving van het Ministerieel Comité mbt het controlewerk tav buitenlandse diensten, moet zich snel in een modus operandi vertalen, en moet in de vorm van bestuursdocumenten en casusgebonden onderzoeksrapporten toegankelijk (net zoals de richtlijnen van het Ministerieel Comité) zijn voor controle voor het Comité I. Het Vast Comité I moet hierover binnen een redelijke termijn rapporteren aan de Senaat, en deze dient op zeer regelmatige basis de parlementaire controle toe te laten.
Een breekpunt voor Open Vld is dat het Ministerieel Comité dus weldegelijk haar prioriteiten en werkwijzen actualiseert en dringend (ondanks de reeds bestaande wettelijk verplichtingen en de vele interpellaties uit liberale hoek) deze info aan het Comité I en zo indirect aan de Senaat vrijgeeft. Open Vld eist dus een vlotte en volledige transparantie door een herwaardering van de controlecoördinatie en rapportering, van de Diensten, het Ministerieel Comité via het Vast Comité I aan de Senaat.     
Een ander speerpunt voor Open Vld is de absolute bescherming van het Belgisch wetenschappelijk en economisch potentieel. Ook hier weigert het Ministerieel Comité voor de Inlichtingen en de Veiligheid, ondanks  de relevantie, haar richtlijnen, het huiswerk dat ze aan de diensten geeft, over te maken. Noch het Comité I noch de Senaat is dus op de hoogte van welke de prioriteiten de regering de diensten opdraagt, en in welke mate onze diensten dus voldoen aan de eisen. Het WEP lijkt volgens Open VLD al tien jaar totaal onbeschermd. Deze stiefmoederlijke behandeling is onbegrijpelijk. Terwijl de know how van onze bedrijven, onze universiteiten en spinn offs bakken geld kosten, en zo terecht het vlaggenschip is van de Belgische kenniseconomie, is ze quasi weerloos tegen buitenlandse spionage. Een betere screening van buitenlandse (pseudo-)studenten, een intensievere samenwerking via verbindingsofficiers tussen vertegenwoordigers van onze kenniseconomie en onze inlichtingendiensten zijn volgens Open VLD het minimum minimorum. Uiteraard moeten onze inlichtingendiensten over de middelen en het personeel beschikken om hier doortastend in op te treden. Ook de i-diensten zelf moeten assertief binnen ‘target’-sectoren, bedrijven, universiteiten en spinn offs in alle openheid kunnen screenen op hun kwestbaarheid, hen adviseren, en mogelijke intrusie vaststellen en opvolgen. Open VLD ervaart het uitzuigen van onze Know How, ons WEP als een even flagrante dreiging als terrorisme en radicalisme.
De bescherming van het WEP, een sterker mandaat van onze diensten om indien nodig buitenlandse diensten te controleren en een waardige regeling inzake het communiceren van persoonsgegevens naar buitenlandse diensten moet volgens Open VLD na de BIM-wet de volgende primordiale stap zijn.   
Dit impliceert vanzelfsprekend ook genormaliseerde relaties, en geijkte deontologische werkwijzes tussen de verschillende diensten. Aangezien de slagkracht van onze diensten (tot de BIM-wet van kracht wordt) grotendeels afhankelijk blijft van de goodwill van (vaak diplomatiek beschermde) buitenlandse agenten om relevante inlichtingen aan te reiken, zal jammergenoeg een oogje dichtknijpen verkozen worden boven achter het inlichtingennet te vissen…

CDH

(antwoorden bezorgd door Lionel Kaens)

1. De grote specialist inzake inlichtingendiensten bij de CDH is volksvertegenwoordiger Georges Dallemagne. Daarnaast zijn er binnen de partij medewerkers die soms concrete dossiers rond inlichtingendiensten volgen. Een belangrijk element is dat de CDH geen vertegenwoordiger heeft in de begeleidingscommissie van het Comité I.
Lionel Kaens volgt inlichtingendiensten in het kader van de commissie Justitie. Hij heeft onder meer het dossier-BIM opgevolgd.

2. Natuurlijk is die situatie volgens ons een probleem. Waarom? Omdat ze schade berokkent aan onze economische en politieke activiteiten.
Om aan die situatie iets te doen, zou het nuttig zijn dat de Staatsveiligheid en de ADIV performante diensten zijn. Vaak horen we echter dat ze te weinig materiële en personele middelen hebben. De diensten zouden meer faciliteiten moeten krijgen. De BIM-wet kan hierbij misschien helpen.
Verder denken we dat het nuttig is de missie van de Staatsveiligheid en de ADIV te hervaloriseren. Ze moeten een zeker nieuw prestige, een aura, krijgen. Hoe dat concreet moet? Daar denken we nog over na. Het is niet alleen een kwestie van imago, maar het kan ook gaan om concrete maatregelen, zoals financiële middelen of een wettelijk kader.

3. In de wet op de inlichtingendiensten staat nu al dat de Staatsveiligheid de missie heeft om op te treden tegen ‘alle activiteiten die de veiligheid van de staat bedreigen’. Daaronder vallen dus ook de activiteiten van buitenlandse geheime diensten. Met andere woorden: de wet zegt al heel wat over de competentie van de Staatsveiligheid ten aanzien van buitenlandse geheime diensten. Maar dat wil niet zeggen dat we de wet niet moet verduidelijken.
We zijn het met het Comité I eens dat de samenwerking tussen de Belgische inlichtingendiensten en buitenlandse diensten vastgelegd moet worden. De manier waarop ze relaties met buitenlandse diensten onderhouden, moet gepreciseerd worden. Misschien moet dat niet in een wet, maar kan het in een koninklijk besluit, of in directieven van de minister, daarover kan gediscussieerd worden.

MR

(antwoorden bezorgd door Thierry Coosemans)

1. Senaatsvoorzitter Armand Dedecker. Ik hou me er een beetje mee bezig.

2.  en 3. Het is geen thema dat in de MR bediscussieerd is. We hebben over die vragen geen discussie gehad.
We hebben vertrouwen in het Comité I. De procedures en instrumenten bestaan.
We stellen geen veranderingen voor op dit moment.
De relatie tussen politiek en inlichtingendiensten ‘doit se fonder sur la confiance’. Maar het is niet zo dat de MR nooit standpunten inneemt over inlichtingendiensten. Over de BIM-wet bijvoorbeeld hebben we 1,5 jaar geleden wel een standpunt ingenomen.

PS

(antwoord bezorgd door Antonio Caci)

1. En ce qui concerne votre première question, en tant que vice-première ministre, Mme Laurette Onkelinx est membre du Conseil ministériel du renseignement et de la sécurité qui comme le stipule l’AR du 21 juin 1996  « établit la politique générale du renseignement, détermine les priorités de la Sûreté de l’Etat et du Service général du renseignement et de la sécurité des Forces armées, et coordonne leurs activités.  Le Comité définit en outre la politique en matière de protection des informations sensibles ».
Par ailleurs, Mme Christiane VIENNE, sénatrice, est membre de la Commission sénatoriale de suivi du Comité R chargé du contrôle des services de renseignement.
Nos parlementaires, députés et sénateurs, membres des commissions de la justice ont aussi à examiner des propositions et des projets de loi relative aux services de renseignement. Actuellement, le projet de loi sur les méthodes de recueil des données est examiné par la Commission de la justice après avoir été approuvé par le Sénat sur base d’une proposition de loi cosignée par Mme Christiane Vienne.

2. en 3. Pour ce qui est de la deuxième et de la troisième question. Comme vous le signalez le Comité R a fait des recommandations dans ces derniers rapports d’activités concernant la présence des services de renseignements étrangers dans notre pays. Comme vous le citez fort justement, dans son Rapport d’activités 2006, le Comité R précise que  “Le contrôle des activités des services de renseignement étrangers sur le territoire belge n’est pas repris comme tel dans les missions légales de la Sûreté de l’État ou du SGRS. Le Comité permanent R estime que cette compétence devrait être inscrite explicitement dans la loi.” Et dans sont Rapport d’activités 2007, le Comité R dit que : “Le Comité ministériel du renseignement et de la sécurité devrait réglementer d’urgence cette collaboration avec les services étrangers ». Selon le Comité R : « L’absence d’une telle réglementation a déjà mis les services belges en difficulté. »
Ces deux rapports d’activités ont été approuvés à l’unanimité par la Commission de suivi du Comité R dans lequel siège Mme Christiane VIENNE, sénatrice socialiste,  qui était d’ailleurs co-rapporteur du rapport de la Commission de suivi sur le rapport d’activités 2007 du Comité R. Dans le rapport de la commission sénatoriale, il est précisé que « (Le)  problème qui ressurgit pratiquement lors de chaque enquête de contrôle est celui des conditions de coopération avec les services de renseignement étrangers. Le Comité R réitère sa suggestion de mener une réflexion sur les articles 19 et 20 de la loi organique des services de renseignement. Ce point pose des problèmes de fonctionnement à cause du fait que la Belgique — et plus particulièrement Bruxelles — est considérée comme le centre de l’Europe. Le Comité R estime dès lors que le législateur devrait formuler les articles 19 et 20 de la loi précitée avec plus de précision et clarifier ce qu’il entend par « coopération avec les services de renseignement étrangers ». La commission de suivi termine son rapport en précisant que « Les commissions parlementaires de suivi souscrivent aux recommandations du Comité permanent R. »
Le suivi de ces recommandations est en cours.
L’octroi des MRD spécifiques et extraordinaires à nos services de renseignements – dans le respect du droit à la vie privée – contribuera certainement à améliorer l’efficacité de nos services dans le cadre des missions qui leur ont été confié par la loi.

CD&V

(antwoorden bezorgd door Hugo Vandenberghe)

1. Uiteraard zijn het de mensen die belangstelling hebben voor justitie en landsverdediging die zich bezig houden met de veiligheidsdiensten.
Het aantal personen die deze activiteiten volgen hangt af van de politieke omstandigheden op federaal vlak, namelijk lid van de meerderheid of van de oppositie en de betrokkenheid van de partij in de parlementaire begeleidingscommissie die de veiligheidsdiensten controleert.
Het is duidelijk dat gezien de aard van het onderwerp en ook de noodzakelijke confidentialiteit die daarmede gepaard gaat, geen ruime gespecialiseerde belangstelling voor de thema bestaat.
 
2.De aanwezigheid van de buitelandse geheime diensten is een realiteit en is eveneens als de werking van de binnenlandse geheime diensten onderworpen aan ondermeer art. 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens dat voor een interferentie in het privé-leven een wettelijke basis vergt.
In feite zullen de internationale afspraken dienen onderzocht te worden in het kader van ondermeer de Navo of andere internationaalrechterlijke afspraken om te zien of daar een wettelijke basis aanwezig is die toelaat dat buitenlandse geheime diensten op ons grondgebied functioneren.
Of is er nog een andere rechtsbron aanwezig die gelijkgesteld kan worden met het begrip van het geciteerde art. 8. Het is duidelijk dat dit een punt is dat dient uigeklaard te worden maar dat zal door internationaalrechterlijke afspraken dienen te gebeuren.
 
3. Vanzelfsprekend gaat CD&V akkoord met de aanbevelingen van de activiteitenverslagen aangezien de senaatsfractie van CD&V deze verslagen altijd heeft goedgekeurd.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3205   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur