Bescherming en promotie van investeringen in de ACS-EU context

Knelpunten voor de ACS-landen bij het aantrekken van FDI (Foreign Direct Investment - Directe Buitenlandse Investeringen, DBI)
Er zijn een hele reeks factoren, zowel interne als externe, die de instroom van DBI in de ACS-landen bemoeilijken. In deze bijdrage gaat het in de eerste plaats over investeringen in niet-extractieve bedrijven. In extractieve bedrijven, zoals mijnen, olie- en houtwinning, wegen over het algemeen andere elementen door, die met de lokatie verbonden zijn.

Politieke stabiliteit en een gunstige omgeving zijn de voornaamste interne factoren. Onstabiliteit en interne conflicten schrikken binnenlandse en buitenlandse investeerders af. Zonder een gunstige omgeving blijven het privé-initiatief en de ondernemingsgeest beperkt en vestigen de DBI zich liever elders.

De economische geografie, de grootte van het land en de lokale factoren hebben een doorslaggevende invloed op de buitenlandse investeringen. Veel ACS-landen zijn fel gehandicapt omdat ze ver verwijderd liggen van de grote markten en van de economische groeipolen in de wereld. De economische stagnatie van vele ACS-landen, die dikwijls veroorzaakt is door de daling van de wereldvraag naar grondstoffen en door de slechte transport- en communicatieverbindingen, hebben de situatie nog verergerd. Technologische veranderingen in het productie- en in het distributieproces, zoals kortere leveringstijden en een flexibele productiecyclus hebben de geografische handicap van de meeste ACS-landen nog vergroot, met uitzondering misschien van de Caraïbische landen die gunstig gelegen zijn ten opzichte van de Amerikaanse markt. Het is vooral Oost-Europa, dat in de nabijheid van de EU-markt ligt en toegang heeft tot een grotere interne markt dan de meeste ACS-landen, dat uit die trends munt heeft kunnen slaan. Het heeft een groot deel van de DBI-stromen van andere landen, waaronder de ACS-staten, kunnen afsnoepen.

Een reeks andere factoren, waarvan vele rechtstreeks uit de onderontwikkeling voortvloeien, oefenen ook een invloed uit. Daaronder het lage per capita inkomen van de meeste ACS-landen, de verwaarloosde economische en sociale infrastructuur, het tekort aan geschoolde arbeidskrachten, het ontbreken van een bedrijfscultuur, de onontwikkelde financiële en kapitaalmarkten en de afwezigheid van een bedrijfs- en investeringsvriendelijk klimaat. Vermeldenswaard is dat de landen van de Caraïbische Zee en van de Stille Oceaan die geen grote conflicten hebben gekend, meer succes hadden in het aantrekken van DBI dan de Afrikaanse ACS-landen, waarvan sommige zoals Angola, Mozambique, Rwanda, Burundi en de Democratische Republiek Congo (het vroegere Zaïre) periodes van burgeroorlog hebben doorgemaakt. Tijden van onrust werken niet alleen ontmoedigend op de DBI maar zijn ook schadelijk voor de sociale en economische infrastructuur van het land en maken dat broodnodige economische hervormingen, die dikwijls de weg moeten effenen voor de DBI, op de lange baan geschoven worden. Ze hebben ook een weerslag op de buurlanden. Het imago van ‘een door oorlogen verscheurd continent’ blijft hangen lang na het einde van de vijandelijkheden. Dergelijke conflicten jagen het kapitaal het land uit, in plaats van het aan te trekken, en het kost enorm veel moeite om investeerders te overtuigen hun geld te investeren in een regio waar burgeroorlog woedt.

Schaarse succesverhalen

Slechts weinig ACS-landen waren succesrijk in het aantrekken van DBI. Mauritius is één ervan. Het was een van de eerste Afrikaanse landen die reeds in 1970 een Exportproductiezone (EPZ of Export Processing Zone) in het leven riep. De bedoeling was de economie te diversifiëren, om niet langer uitsluitend van suiker afhankelijk te zijn en om tevens de nodige arbeidsplaatsen te scheppen voor het opvangen van de naoorlogse ‘baby-boom’. Een andere sector die de diversificatie zou bevorderen was het toerisme.

Mauritius is erin geslaagd buitenlandse investeringen aan te trekken, zowel voor zijn exportindustrie als voor het toerisme. Voor de industrie kwamen de meeste DBI-stromen uit het Verre Oosten en in mindere mate uit de EU. Ook het toerisme kon wat DBI aantrekken, eerst van Zuid-Afrika en later van de EU en van het Verre Oosten. Naar ACS-normen heeft Mauritius het bijzonder goed gedaan, maar toch mag men het succesverhaal niet overroepen, want de DBI-instroom in Mauritius is vrij laag in vergelijking met de massale stromen die naar de Aziatische landen vloeiden. Bovendien gingen de meeste investeringen in Mauritius naar textiel en kleding en namen de stromen af op het ogenblik dat de wereld-DBI een stijging kenden.

Een ander succesvol ACS-land is de Dominicaanse Republiek die, zoals Mauritius, exportgerichte DBI heeft kunnen aantrekken, vooral uit de VS.

In beide landen werden de investeringen gedaan in de textiel- en kledingsector, waarvan bekend is dat ze er een markt voor is. De investeerders hebben landen als Mauritius en de Dominicaanse Republiek uitgezocht om tegelijk te kunnen profiteren van een goedkope productiebasis en van toegang tot beschermde markten zoals de EU en de VS.

Buitenlandse en lokale investeerders wensen zeker te zijn van een redelijke opbrengst van hun investeringen. Ze zullen enkel investeren als het bedrijfsklimaat veilig en voorspelbaar genoeg is om hen toe te laten gedurende geruime tijd winst te oogsten. Belastings- en investeringsstimuli alleen wegen niet op tegen politieke risico’s of tegen het gevaar van kapitaalsonteigening. Een lokale investeringsgemeenschap en een stevig gevestigde klasse van ondernemers die niet verslaafd zijn aan hoge winsten, trekken vreemde investeerders aan. De positieve ervaring van de pionierinvesteerders heeft vlug een sneeuwbaleffect: concurrenten en toeleveraars willen het ook proberen en volgen hen naar het gastland. Hoewel exportfabricatie en toerisme zelden als complementaire industrieën beschouwd worden, toont het voorbeeld van Mauritius aan dat er tussen beide een synergie bestaan op het vlak van DBI: tevreden investeerders in een sector stimuleren investeringen in de andere.

Natuurlijke rijkdommen zijn geen absolute vereiste om DBI aan te trekken, Mauritius en de Dominicaanse Republiek bewijzen het. Andere voorbeelden zoals Hongkong en Singapore tonen ook ten overvloede aan dat landen zonder natuurlijke hulpbronnen toch in staat zijn aanzienlijke DBI-stromen te werven. Ze doen zelfs beter dan sommige grondstoffenrijke landen die DBI weren uit vrees voor ‘buitenlandse exploitatie’.

De aanwezigheid van goedkope, geletterde en gemakkelijk op te leiden werkkrachten is een belangrijke troef tijdens de beginperiode van de industriële ontwikkeling, wanneer de fabricatie zich meestal richt op weinig gesofisticeerde producten. Een industriële cultuur en een goede werkethiek zijn pluspunten. Na de aanvankelijke leerperiode begint het loonpeil te klimmen en gaat de arbeidsintensiviteit geleidelijk over in een productie waarin vakkundigheid belangrijk is. Het is de kwaliteit en het peil van de vakkennis die verdere DBI-stromen naar producten met grotere meerwaarde zullen aantrekken. Tezelfdertijd ondergaat de industriële structuur een graduele omvorming van eenvoudige tot meer ingewikkelde producten.

Infrastructuren zoals telecommunicatie, regelmatige bevoorrading in elektrische stroom en in water, betrouwbare lucht- en zeeverbindingen, een ontwikkeld banksysteem, goed geplaatste industrieterreinen en efficiënte binnenlandse transportvoorzieningen zijn belangrijke voorwaarden. Dergelijke voorzieningen zijn niet alleen noodzakelijk, maar ze moeten ook concurrentieel zijn in prijs en in kwaliteit, anders maken ze het voordeel van de lage arbeidskosten ongedaan dat wellicht het doorslaggevend argument was voor de eerste beslissing tot investeren.

In Mauritius is Het geheel van de regelgeving modern en transparant. Een investeerder weet op welke voordelen hij kan rekenen als hij in de exportgerichte productie stapt. Dat laat hem toe vooruit te plannen, een belangrijke motivatie voor de buitenlandse investeerder die tenslotte op vreemd terrein opereert, met alle aanpassingsmoeilijkheden van dien. Er is een degelijke wetgeving en er bestaat geen enkele discriminatie tegenover vreemdelingen.

Een ander fundamenteel aspect betreft het veiligheidsniveau in het gastland. Een land dat als veilig beschouwd wordt, boezemt vertrouwen in bij de buitenlandse investeerder. Bovendien zullen aankoopmanagers en handelsadviseurs liever naar een veilig land vliegen om hun orders te plaatsen. Zo kregen de exportbedrijven van Mauritius gedurende de Golfoorlog bestellingen die oorspronkelijk naar Noord-Afrikaanse landen zouden gaan, maar opgezegd werden omdat die landen te dicht bij de oorlogszone lagen. Ook verhoogde het aantal toeristen in Mauritius ten koste van concurrerende bestemmingen die als te gevaarlijk beoordeeld werden. Persoonlijke veiligheid is een hoofdvoorwaarde. Ontbreekt die, dan blijven investeringen beperkt tot projecten die genoeg opbrengen om de hogere risico’s en de meeruitgaven voor eigen veiligheid te rechtvaardigen. Hongkong en Singapore scoren zo hoog in de DBI-wedloop, omdat ze bij de veiligste plaatsen ter wereld gerekend worden.

Als men wil dat de DBI een duurzaam effect hebben, dan is het van belang dat de bevolking een traditie bezit van ondernemen en van risico nemen. De buitenlandse investeerder zoekt dikwijls een partner of een manager die vertrouwd is met de lokale levenswijze en bedrijfscultuur en die kan bijspringen als er moeilijkheden zijn. Het naast elkaar bestaan van vreemd kapitaal, industriële knowhow en kennis van de markt met een lokale ondernemersklasse die op de uitkijk staat voor nieuwe opportuniteiten kan een kweekvijver van joint ventures zijn. Dat zijn dus belangrijke factoren om te maken dat de DBI in de maatschappij ingebed worden en leiden naar een feitelijke kennistransfer van fabricatie- en verkoopsvaardigheden, van vertrouwdheid met de grondstoffenbronnen en zo meer.

Lomé-ervaring met DBI en de ontwikkeling van de privé-sector

Als een van de meest omvattende handels- en hulpakkoorden in de geschiedenis van de ontwikkelingssamenwerking heeft de Lomé-conventie natuurlijk grote voorrang gegeven aan industriële samenwerking, aan de financiering en de promotie van investeringen en aan de ontwikkeling van de privé-sector in het algemeen.

Ondanks steeds grotere zorg voor investeringen en voor het privé-initiatief in de opeenvolgende conventies zijn de DBI-stromen naar de ACS-landen - en naar Afrika in het bijzonder - ten achter gebleven ten opzichte van de investeringen die naar de andere ontwikkelingsregio’s vloeiden. Wellicht zou de situatie zonder Lomé nog slechter zijn geweest, maar dat is een magere troost. Lomé heeft een positieve impact gehad op het tot stand brengen van een grotere openheid ten opzichte van het privé-initiatief en van goed bestuur. Toch wordt de Lomé-machine in feite aan beide kanten gestuurd door bureaucraten, en haar bedrijfsvriendelijkheid zou aanzienlijk kunnen verbeteren.

Naast de overdreven bureaucratische aanpak - de ACS-bureaucraten worden versterkt door de eurocraten en vergroten elkaars gebrek aan slagkracht - is er ook een grote fragmentatie van de Lomé-hulp ter bevordering van de privé-sector. Een hele reeks instellingen is gemoeid met de verscheidene stappen van een investeringsbeslissing, gaande van de initiële identificatie tot de uitvoering, over de financiering van de investering. Daartoe behoren de EOF (Europees Ontwikkelingsfonds), de CDI (Centre for the Development of Industry), de EIB (Europese Investeringsbank) en andere instituties, zoals instellingen voor exportkrediet en voor ontwikkelingsfinanciering. Investeerders zijn geen vermetel ras, en als men de zaken vlotter wil doen verlopen, moet men de procedures vereenvoudigen.

De ervaring met ECIP (European Community Investment Partners) toont aan dat een geïntegreerde aanpak loont. Al de beschikbare mogelijkheden om de investeringen te ondersteunen, te beginnen met premies voor haalbaarheidsstudies en voor verkennende gesprekken tot en met termijnkrediet voor de investering, worden op eenzelfde plaats in de deelnemende landen afgeleverd. Dat ‘shopping centre’ is gewoonlijk een commerciële bank en in andere gevallen een instelling voor ontwikkelingsfinanciering. Die instituten beantwoorden beter aan de vereisten van het bedrijfsleven dan afstandelijke en koele bureaucraten. De te fragmentarische aanpak van Lomé bij het aanmoedigen van DBI is een zware handicap. Stappen in de richting van een bundeling van de diensten zouden zonder twijfel het opnemen van financiële stimulansen bevorderen en de DBI-stroom naar de ACS-landen versterken.

DBI in de ACS-landen stimuleren

Uit het overzicht van de voornaamste knelpunten die de DBI-stroom naar de ACS-landen hinderen en uit een vlug onderzoek van de schaarse succesverhalen kunnen we enkele mogelijkheden distilleren om de belangstelling van de investeerders op te wekken.

een hoge mate van politieke stabiliteit en van goed bestuur verzekeren;
de rechtsstaat versterken en het legislatieve kader moderniseren;
de macro-economische stabiliteit verstevigen en bewaren;
een klimaat scheppen van betrouwbaarheid van beleid, zonder willekeurige veranderingen;
de efficiëntie van de financiële en kapitaalmarkten verhogen;
ervoor zorgen dat de arbeids- en loonwetgeving de grote doelstellingen van het economisch beleid ondersteunen;
een beleid ontwerpen van vorming van menselijk kapitaal dat in korte tijd de bekwaamheden aflevert die passen bij de kapitaalsuitrustingen van de DBI;
vlot zijn in het afleveren van arbeidsvergunningen voor vreemdelingen;
een vlugge procedure ontwerpen voor de goedkeuring van buitenlandse investeringen;
gunstige locaties aanbieden en maatregelen en premies voorzien ter compensatie van locatiehandicaps;
een open, transparant en positief handels- en wisselregime opbouwen en in stand houden;
de administratieve rompslomp verminderen en de bureaucratische efficiëntie verhogen;
een positief investeringsregime invoeren en verzekeren;
een marktvriendelijk bedrijfsklimaat scheppen;
met landen die potentiële DBI-bronnen zijn, onderhandelen over een netwerk voor bilaterale bescherming van investeerders en voor akkoorden om dubbele belasting te vermijden;
deelnemen aan multilaterale akkoorden voor het beschermen en waarborgen van investeringen;
op de juiste fora het imago propageren van een gastland dat veilig en modern is, bedrijfsvriendelijk en aantrekkelijk voor investeringen;
op vlak van de EU, de verscheidene stimuli voor DBI harmoniseren en samenbrengen op één enkele plaats.
De ervaring van sommige succesrijke, performante Aziatische economieën bewijst ook dat het hebben van succesvolle buurlanden een uitstralingseffect heeft. Wanneer die buren zich verenigen in een regionale groepering, dan ontstaat het vermaarde ‘vliegende ganzen-patroon’ van groei en ontwikkeling ten voordele van alle deelnemende landen, en zelfs van buurlanden die niet onmiddellijk betrokken zijn bij de samenwerking. Dat onderstreept de noodzaak de regionale samenwerking te versterken om de aantrekkingskracht van de ACS-landen te vergroten, vooral indien het gaat over economieën die klein zijn of verafgelegen, die een eilandkarakter vertonen of helemaal afgesloten zijn van de zee. Regionale samenwerking heeft bovendien ook geopolitieke voordelen op het vlak van regionale vredehandhaving.

De auteur is op dit ogenblik minister van Economische Zaken en Regionale Samenwerking van Mauritius.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift