Beschermt het Congolese leger de kappers van het Virungapark?

Veelzeggend “avontuurtje” in het Virungapark

Het was in het zuidwesten van het Virungapark, het oudste natuurpark van Afrika, dat we plots enigszins in nauwe schoentjes kwamen, en ons realiseerden hoe kwetsbaar een mensenleven is: het volstaat dat vier jonge mannen je kapot slaan met hun stokken en je bent er geweest. De reden voor hun kwaadheid was dat we te nieuwsgierig waren en meer wilden weten van de massale houtkap in het park.

  • MO* Houtskoolwinning bedreigt het Virungapark MO*
  • MO* Bos maakt stelselmatig plaats voor grasland aan de randen van het Virungapark MO*

Het Virungapark ligt in het roerige oosten van Congo, meerbepaald juist ten noorden van de stad Goma. Het park is 7800 km2 groot – een vierde van België dus – en ligt op de grens met zowel Rwanda als Oeganda, waar het overloopt in nationale parken van die landen. Het park is werelderfgoed van de Unesco. Het herbergt een unieke biodiversiteit – de berggorilla’s zijn wellicht de gekendste soort maar er is veel en veel meer – en een van de meest actieve vulkanen ter wereld, de Nyiaragongo waarvan je bij nacht het gigantische lavameer ziet oplichten van op grote afstand.

Goma is de voorbije twintig jaren door de vluchtelingenstroom na de Rwandese genocide (vanwege extremistische Hutu’s op de Tutsi’s en gematigde Hutu’s), en daarna de uitvoer van de Rwandese spanningen naar Congo, en de bijhorende oorlogen en geweld (dat nog steeds aanhoudt). Goma is nu een stad van bijna een miljoen inwoners.

Omzeggens de enige energiebron voor al die stedelingen is hout en houtskool. Door de sterke bevolkingsgroei en de verschillende enorme Rwandese vluchtelingenkampen die jarenlang in en om Goma gevestigd waren, is er al heel veel ontbost in de streek. De belangrijkste houtreserves voor Goma bevinden zich nu in het Virungapark dat vlakbij ligt. Dat er relatieve schaarste is, blijkt onder meer uit de zeer hoge prijs die in Goma wordt betaald voor een zak houtskool: 25 dollar. Dat is de hoogste prijs van Congo, zelfs meer dan in de miljoenenstad Kinshasa.

De directeur van het park, de Belg Emmanuel de Mérode, is zich de hele problematiek goed bewust en weet dat hij het park niet kan redden als ook de omwoners er niks aan hebben, en als er geen alternatief wordt gevonden voor de houtskool uit het park. De Mérode probeerde, met steun uit de rijke landen, een alternatief voor de houtskool te lanceren: de plantaardige briquette (zie ook Het woud is Congo’s grootste armoedebestrijder dat verscheen in MO*magazine oktober 2009). Die bestaat uit allerlei plantaardig afval – zaagmeel, gemalen en gedroogde plantenresten – dat samengeperst wordt tot cilindervormige schijven die daarna worden gedroogd. De Mérode probeerde daartoe een heuse briquettenindustrie uit de grond te stampen – toen ik hem laatst bezocht, produceerde hij vijftien briquettenpersen per dag en dacht hij eraan op die manier werk voor 30.000 mensen te scheppen. Het maakte deel uit van zijn visie dat de omwonenden het woud niet intact zullen laten als ze daar zelf niet beter van worden.

Ondertussen zijn die grootschalige plannen met de briquette afgeblazen omdat de bevolking niet gek is op de briquettes: teveel rook, te weinig kalorieën,… ‘De briquette is geen succes geworden op de markt,’ erkent de Mérode. ‘We willen wel de huidige productie die afgenomen wordt door scholen en ngo’s op peil houden: dat geeft toch duizend mensen werk.’

De Mérode hoopt dat de koolstofballetjes – gemaakt met de resten van houtskool en andere verbrande plantaardige stoffen – meer succes kennen. Een ander alternatief voor houtskool uit het Virungapark is de aanleg van kleine plantages van snelgroeiende eucalyptus bij de Congolese boeren, waar onder meer het Wereldnatuurfonds aan meewerkt (zie ook Het woud is Congo’s grootste armoedebestrijder dat verscheen in MO*magazine oktober 2009). En verder is er natuurlijk de enorme methaangasbel onder het Kivumeer die zou kunnen gebruikt worden als energiebron, indien… daar werk zou worden van gemaakt.

Maar in afwachting dat dit echt resultaten oplevert, blijft Virunga de voornaamste energiebron van Goma, hoezeer de Mérode en zijn mannen ook hun best doen. Ze staan overigens tegenover te duchten militaire krachten die de houtskoolproductie beschermen. En die laten niet met zich sollen. Vorige week nog werden alweer twee boswachters gedood.

Burungu

Wij gingen een kijkje nemen om en bij het plaatsje Burungu in het uiterste zuidwesten van het Virungapark. Daar werd de ‘kap’ van het natuurpark nog gelanceerd door Laurent Nkunda, de man die tot 2009 leider was van het rebellenleger CNDP en in die hoedanigheid de belangen van Rwanda en de Congolese Tutsi’s verdedigde in Oost-Congo.

Omdat de boomlange Nkunda het te bont maakte – door van tijd tot tijd Goma te bedreigen – werd hij opzij geschoven en in een soort luxegevangenis vastgezet in Rwanda. In ruil daarvoor sloot de Rwandese president Paul Kagame een deal met zijn Congolese collega Joseph Kabila: de CNDP werd in het Congolese leger opgenomen, en dat Congolese leger zou voortaan echt jacht maken op de vijanden van Kagame, het FDLR, de militie die destijds werd opgezet door en gedeeltelijk geleid wordt door voormalige Rwandese genocidaires.

Bosco Ntaganda volgde Nkunda op aan het hoofd van de CNDP en werd zo – na de integratie van de CNDP – generaal in het Congolese leger en een van de machtigste mensen in Noord-Kivu, ook al wordt hij door het Internationaal Strafhof vervolgd voor misdaden tegen de menselijkheid (vooral het rekruteren van kindsoldaten). De mensen die destijds begonnen te kappen in Burungu kunnen dan wel niet meer op Nkunda rekenen voor bescherming maar diens opvolger Ntaganda is er nog altijd. Een van Ntaganda’s verblijfsplaatsen is overigens het stadje Kitshanga dat vlakbij Burungu ligt. Zowel Ntaganda, Nkunda als Kagame zijn overigens Tutsi’s.

De “prof” volgt ons

Burungu is een Congolees dorp dat destijds echt aan de rand van het park lag. Ondertussen heeft zich op de plek waar het park begon, en zich destijds een boswachtershuisje bevond, een nieuwe nederzetting ontwikkeld – een soort van uitbreiding van Burungu waar haast uitsluitend Rwandees wordt gesproken. Als we er aankomen, zien we enorme aantallen zakken houtskool staan. We hebben meteen het gevoel dat we hier opvallen, dat het niet zo evident dat wij daar zijn. Om niet nog meer op te vallen, beginnen we meteen te stappen in oostelijke richting, in wat dus eigenlijk officieel nog altijd het Virungapark is.

We zien voortdurend mensen – vrouwen, mannen, jongeren – nog meer zakken houtskool aanvoeren, de zakken houtskool, tot dertig kilogram wegend, als een loden last voortsjouwend. Het dragen drijft de prijs meer op dan de ontginning van de houtskool, zo vernemen we: de dragers kopen een zak voor 2000 Congolese francs (een goeie twee dollar) en krijgen vier dollar om de zak naar Burungu te sleuren.

Van zodra we beginnen te stappen, komt een figuur met ons praten, of beter gezegd: hij komt vragen op ons afvuren.

- Wat komen jullie hier doen?

- We komen kijken wat hier gebeurt.

- Wat is hier dan te zien?

- We willen weten van wat de mensen hier leven.

En dat bewijzen we door iedereen die we passeren, vragen te stellen over de houtskoolnijverheid en wat die hen opbrengt. De man blijft maar vragen stellen maar wij houden de bal wat af. Heel wat mensen lijken onze spion te kennen, ze noemen hem “prof’. Als de “prof” ons even alleen laat, vertelt mijn lokale medewerker Chrispin me dat iedereen hier Rwandees spreekt. Hij is ervan overtuigd dat een groot deel van hen recent uit Rwanda over kwam.

Even later duikt de “prof’ weer op en begint ons opnieuw vragen te stellen. Op een bepaald moment stel ik hem de vraag waarom iedereen hier Rwandees spreekt. Het is nu zijn beurt om ontwijkend te antwoorden, waarna hij weer verdwijnt.

“Sun city”

Chrispin en ik stappen haastig verder – het is al vrij laat in de namiddag en we willen toch enigszins een zicht verwerven op hoever het bos hier al ontgonnen is. We zien de restanten van wat hier enkele jaren geleden nog dicht maagdelijk woud in het natuurpark was: grasland met de stompen van de omgekapte bomen en wat struikgewas. Steeds weer zien we mensen zakken houtskool aan komen dragen.

We vragen hen van hoe ver ze al komen met hun houtskool. We krijgen veel verschillende antwoorden. Over twee dingen is iedereen het eens: het is nog vele uren stappen vooraleer we terug bos zullen zien, en het centrum van de houtskoolontginning heet Sun City, een beetje ironisch genoemd naar het vakantieoord in Zuid-Afrika. Dat is wrange ironie want deze houtskoolindustrie is nu niet meteen een vakantiebezigheid. Dag in, dag uit, houtskool dragen, lijkt me loodzwaar. En het omkappen van bomen om die vervolgens in de fik steken en de verkoolde bomen dan te verkappen zodat de kool in zakken kan worden gestopt, is al evenmin werk voor doetjes.

Zover we kunnen kijken, zien we grasland. Er is hier al een enorme hap woud verdwenen. ‘De kap is al veel verder dan Sun City. Je kan Rutshuru zien liggen van waar we nu kappen’, beweren verschillende stemmen. Rutshuru ligt aan de oostkant van het park.

Vier kwade mannen met een stok

Vermits het duidelijk wordt dat we Sun City nooit zullen bereiken in de tijd die ons nog rest in de namiddag, besluiten we om terug te keren. Na een tijdje stappen, doemt de ‘prof’ op samen met drie jonge mannen, allemaal met een zware stok in hun handen.

We voelen meteen dat er iets veranderd is. De toon is dreigend. ‘Wat komen jullie hier eigenlijk doen?’ zo vraagt de “prof” nu heel wat nijdiger.

Hij praat met Chrispin in het kinyarwanda en dan soms weer in het Frans. Ik hoor hem zeggen dat indien we nog verder waren getrokken, we in een hinderlaag zouden zijn gelopen en het gebied nooit levend verlaten zouden hebben.

Hij is in een hevige discussie gewikkeld met Chrispin die kennelijk gaat over het feit dat ik hem gevraagd heb waarom iedereen hier Rwandees spreekt. Dat is kennelijk zeer slecht gevallen.

“Ik ben Congolees net als jij” tiert hij. De tranen springen in zijn ogen. Ik voel dat de vier mannen wat rond ons komen staan met hun stokken en herpositioneer me heel voorzihtig zo dat ik wat minder ingesloten ben. Maar wat zou ik uiteindelijk kunnen doen als ze beginnen te kloppen? Ik ben geen twintig meer en allesbehalve een geoefend loper. Ik voel me kwetsbaar. In deze wilde omgeving vallen geregeld doden. Hier leven heel wat mensen die al andere mensen hebben gedood.

‘Jullie komen ons bedreigen’, roept de prof.

‘Wie bedreigt er hier eigenlijk wie?’ flap ik eruit. ‘Wij hebben geen stokken bij.’

De discussie tussen de prof en Chrispin gaat verder. Eerst almaar crescendo, maar even later lijkt de toon wat te verzachten. Achteraf vertelt Chrispin me wat er verteld is. ‘De “prof” bedreigde ons. Hij dacht dat ik een Hutu (naast de Tutsi’s, een tweede Rwandese bevolkingsgroep) was. Toen ik vertelde dat ik Hunde was – een belangrijke Congolese etnie in de regio – en dat er wat zou zwaaien indien ons iets zou overkomen, veranderde de toon meteen. De dreiging zwakte af.’

Ik begrijp de inhoud van het gesprek niet maar zodra ik voel dat de spanning wat wegebt, stel ik voor om terug richting Burungu en onze wagen te stappen. De ‘prof’ begint vervolgens opnieuw met mij te praten. Dat ik niet bang moet zijn, dat er ons niets gaat gebeuren… Ik geloof hem wel min of meer maar toch blijft er een angst in mij hangen. Ik zal pas helemaal gerust zijn als we hier weg zijn. Het begint te regenen en de avond valt. We bereiken net voor donker terug het dorp: we zien de honderden zakken houtskool staan in de schemering – de oogst van één dag, vele duizenden kilo’s houtskool. De “prof” neemt afscheid van ons. We benen verder naar de wagen. Ik ben blij als we het dorp uit rijden. Brr… het gevaar achter de rug.

Het voorval en de hele situatie om en bij Burungu leert me voor welke moeilijke opdracht de Mérode hier staat. Deze hele houtskoolfilière tussen Burungu en Sun City geeft duizenden mensen werk – blijkbaar zo goed als allemaal Rwandees sprekende mensen. Vraag is hoeveel er recent uit Rwanda zijn overgekomen. Wie zal het zeggen? De lokale bevolking is ervan overtuigd dat het om verse immigranten gaat. Het is zeker dat er door het Virungapark nogal wat “traffic” is van mensen en vee vanuit Rwanda: het park ligt immers op de grens en het is makkelijk om zo binnen te glippen. En na alles wat hier is gebeurd in de jarenlange oorlogen – waarbij de Tutsi’s vaak de belangen van Rwanda verdedigden ten koste van de lokale bevolking – is er in brede groepen Congolezen in Noord-Kivu weinig sympathie voor de Tutsi’s en dan druk ik me zacht uit.

(Een deel van de houtskool gaat overigens ook naar Rwanda dat immers de productie van houtskool in eigen land heeft verboden.)

Waarom kan deze “Rwandese kolonie” (of die hier nu al lang is of niet) in het Virungapark haar gang gaan? Het lijkt erop dat ze kan rekenen op enige steun van Bosco Ntaganda en dus van het Congolese leger. Dat zou dus concreet betekenen dat diegenen die het Virungapark kappen, kunnen rekenen op steun van het Congolese leger. Wat kan de Mérode daar dan aan verhelpen? Hij kan toch moeilijk op tegen de machtigste man van Noord-Kivu? Als ik hem de hele toestand voorlegt, houdt hij zich vakkundig op de vlakte: ‘We hebben de situatie in het zuidwesten van het park niet onder controle, dat klopt. Maar ten oosten van de vulkaan hebben we de ontbossing wel een halt kunnen toe roepen.’

Virunga is een bewogen plek.

Ik ben proMO*

Nu je hier toch bent

Om de journalistiek van MO* toekomst te geven, is de steun van elke lezer meer dan ooit nodig. Vind je dat in deze tijden van populisme en nepnieuws een medium als MO* absoluut nodig is om de waarheid boven te spitten? Word proMO*.

Wil je bijdragen tot de mondiale (onderzoeks)journalistiek in het Nederlandstalig taalgebied? Dat kan, als proMO*.

Wil je er mee voor zorgen dat de journalistiek van MO* mogelijk blijft en, ondanks de besparingspolitiek, verder uitgebouwd wordt? Dat doe je, als proMO*.

Je bent proMO* voor € 4/maand of € 50/jaar.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur