Beulen in Baraka

De Congolese oorlog werd begin juni in Bukavu opnieuw in gang geschoten. Honderdvijftig kilometer verder, in het stadje Baraka, is het geweld nooit weg geweest. Raf Custers trok naar Zuid-Kivu om bij de gewone Congolees te peilen naar de realiteit van oorlog en vrede.
Baraka is vernield. De mensen praten er stil. Aan het Tanganyika-meer draagt het water hun woorden. In de velden keuvelen ze van op een afstand met elkaar, alsof ze in zichzelf staan te mompelen. De regio en haar mensen zijn door de oorlog verkracht, vaak letterlijk.
Aan de rand van Baraka staat een tiental mensen klaar om naar de velden te gaan. Vrouwen met machetes en jerrycans, en manden die ze met een riem rond hun hoofd op hun rug dragen. Mannen met het hak bengelend over hun schouder. Een van de vrouwen zegt: ‘We lijden honger, er valt niets meer te oogsten. Maniok heeft een jaar nodig om te groeien, maar hier worden de struiken na twee of drie maanden uitgerukt.’ Een andere vrouw vult aan: ‘Het zijn de militairen die de maniokstruiken ontwortelen en wegslepen. Om zelf op te eten of om te verkopen, dat weten we niet. We gaan naar het veld omdat we niet anders kunnen. Er is geen veiligheid, maar we hebben honger.’ Maniok wordt schaars, de prijzen schieten de hoogte in. Madame Jeanette: ‘Eén kilogram bloem kost nu bijna vier keer zoveel als een jaar geleden. Chez nous, il n’y a pas de déjeuner, il n y’a pas de souper, on dine seulement, et puis on dort.’
Kivu ligt in het oog van de storm die Oost-Congo nu al tien jaar teistert. In 1994 stroomden honderdduizenden Rwandezen binnen, slachtoffers én daders van de genocide. In september 1996 begon iets noordelijker de opstand tegen dictator Mobutu. Laurent-Désiré Kabila kwam aan het hoofd van de opstandelingen, in mei 1997 werd hij in Kinshasa president. Veel respijt kreeg Kabila niet. In augustus 1998 probeerden Rwanda en Uganda hem met een militaire invasie uit het zadel te lichten. Dat mislukte. Ze bezetten wel de grensprovincies Noord- en Zuid-Kivu en van daaruit de helft van Congo. In de bezette gebieden hielden ze onmenselijk huis, steunend op het verraad van Congolese rebellen. Ook Burundi stuurde bezettingstroepen.

De ultieme vernedering


Pascal, een bundel spieren van 26, woonde met zijn vrouw in een vluchtelingenkamp in Tanzania, aan de overkant van het Tanganyika-meer. Hij dreunt zijn adres af zoals een gevangene zijn nummer: Lugufu-1, A24, blok 15, parcel 13. Begin 2003 hoorde hij dat zijn vader op sterven lag. Hij stak het meer over en keerde terug naar zijn huis vlakbij Baraka. Op 22 februari 2003 bonkten daar, in het holst van de nacht, onbekenden op de deur. Pascal: ‘Er stormden zeven zwaar bewapende mannen naar binnen. Burundese rebellen, van Forces pour la Défense de la Démocratie, de FDD. Ze eisten geld. Ze beukten met hun geweren op mijn borst. Ze sloegen me twee tanden uit. Toen hebben ze me verkracht. Ils m’ont coïté.
Toen mijn vrouw in het kamp hoorde dat de Forces Négatives me hadden verkracht, vroeg ze de scheiding aan. De mensen roepen me na op straat: de hoer van de FDD! Het gaat niet goed in mijn kop, ik word er gek van.’ Pascal is alles kwijt, zijn eer, zijn gezin, zijn kleren en de zak met 1 kilogram goud die zijn vader hem gaf. In de hele streek zit er goud in de grond. Er wordt zo wanhopig naar gezocht dat de Mutambala-rivier aan de monding verstopt is met het slib dat in de bovenloop wordt omgewoeld.
Toen Artsen zonder Grenzen in augustus 2003 een noodkliniek opende in het vroegere nonnenklooster van Baraka, begon de organisatie ook met tellingen. Sindsdien lieten zich daar 700 slachtoffers van seksueel geweld verzorgen en registreren. Maar hoeveel mensen durven zich niet te melden of wonen te ver weg om de kliniek te bezoeken? Yowa, een vrouw van veertig, werd afschuwelijk toegetakeld op het schiereiland Ubwari, vlak tegenover Baraka. Ze toont de brandwonden op haar handen en benen.
‘Omdat ik me heftig tegen mijn beulen verzette, staken ze hun messen en geweerlopen in het vuur. Daarmee hebben ze mijn vel verschroeid. Toen hebben ze me verkracht.’ Met tien vrouwen waren ze opgesloten in één huis. Allemaal ondergingen ze dezelfde foltering. Alisa telde, voor ze het bewustzijn verloor, zeven verkrachters. Ze is maanden blijven bloeden, haar menstruatiecyclus herstelde zich pas toen ze eindelijk van een arts in Baraka medicijnen kreeg.

‘Ik ben vernield’


De Kivutiens zijn berucht voor hun eigenzinnigheid. Onder Mobutu, toen de staat in Oost-Congo uit elkaar viel, dopten ze hun eigen boontjes geholpen door een lappendeken van lokale organisaties. Daar zijn profiteurs bij, die azen op de subsidies van de donoren, maar andere basisgroepen verdienden hun strepen in het civiele verzet, eerst tegen Mobutu, daarna tegen de buitenlandse bezetters.
Marie-Noël Cikuru werkt voor het hulpcentrum Olame. Zij voert vanuit de provinciehoofdstad Bukavu campagne voor de rechten van de vrouwen: ‘In Kivu zijn verkrachtingen geen ordinair geweld van mannen tegen vrouwen. Verkrachtingen gebeuren systematisch en gericht, ze zijn een echt strategisch wapen. Er zijn dorpen waar je geen enkele vrouw vindt die niet is verkracht. Maar bij ons is de vrouw de motor van de familie. Kunt u zich inbeelden wat dat teweegbrengt? Vele honderden individuen met zware fysieke letsels, nachtmerries en psychosomatische klachten, die uitgestoten worden, die niet meer kunnen werken? Dat betekent dat het hele sociale weefsel ontbindt.’
Operatie Schone Borden, zo noemt Cikuru de aanpak van de militairen. De hoogste in rang bediende zich eerst en schoof zijn slachtoffers dan naar de ondergeschikten door, als een bord dat nog niet helemaal is leeggegeten. ‘Bameniyaribisha’, zeggen de vrouwen in het Swahili: ‘Ik ben vernield.’ En dat moet letterlijk genomen. Dat soldaten met aids zijn uitgestuurd om vrouwen te besmetten, kan Marie-Noël Cikuru niet bevestigen. Maar ze weet wel dat de aids-gevallen toenemen met de verkrachtingen.

De voorzichtige chirurg


In het operatiekamertje van het ziekenhuis van Baraka maakt dokter Idi Mwanasumba de dienst uit. Hij krijgt veel hernia’s onder het mes, van mensen die hard labeur presteren: ‘Gouddelvers en vissers, maar ook vrouwen met een kind op hun rug en zware lasten op hun hoofd.’ Hij ziet ook veel enorme abcessen ‘waar de mensen soms al jaren mee rondlopen terwijl je dat met één simpele prik kunt genezen.’ Dokter Idi vertelt zonder aansporing over zijn stiel. Maar als het over de oorlog gaat, wordt de dokter moedeloos.
Dokter Idi: ‘Ik heb weinig hoop. Ik geloof niet dat de verantwoordelijken voor geweld en seksueel misbruik aangehouden worden. Niemand staat boven de wet, maar hier zijn de schuldigen hoge personaliteiten, de meesten zitten nu in de regering.’ Bedoelt hij de rebellenleiders die nu vice-president zijn?
Dokter Idi: ‘We weten dat de verantwoordelijken van misdaden in het Oosten en de Evenaarsprovincie in de regering zitten. Men heeft met hen moeten onderhandelen om tijdelijk weer vrede te krijgen. In die zin zal het moeilijk zijn hen te vervolgen. Anders nemen ze opnieuw de wapens op en herbegint de oorlog.’ Op de vraag of hij namen kan noemen, klinkt het ontwijkend: ‘We kennen hen. Het zijn de leiders van bepaalde politiek-militaire organisaties. Om veiligheidsredenen noem ik hen liever niet.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur

  • Schrijver, journalist en onderzoeker

    Raf Custers is onderzoeker bij Gresea (Groupe de Recherche pour une Stratégie Economique Alternative). In 2013 publiceerde hij het boek Grondstoffenjagers.