Boeren kauwen liever coca dan ananas

De link tussen de duizendjarige cocacultuur en de illegale cocaïnehandel is onduidelijk, maar dat belet de Boliviaanse en Noord-Amerikaanse regering niet om hard op te treden tegen de cocaboeren. Filip Huysegems trok voor Wereldwijd Magazine naar de Chapare-regio in Bolivia. Het leverde hem zere voeten en een fikse boete op. En een sterke reportage.
Languit lig ik in de eeuwige grasvelden van de Boliviaanse hoogvlakte. Het is alsof mijn lichaam langzaam oplost in de ijle Andeslucht. ‘Moe zeker?’ Een van de boeren sleept een zak blaadjes dichterbij. ‘Probeer wat coca.’ We hebben vandaag al heel wat kilometers gemarcheerd en ik kan een opkikker gebruiken. Ik graai een handvol blaadjes. ‘En nu?’ ‘Doe zoals ik: je stopt je mond vol blaadjes en je maalt tot je een sappige bal bekomt.’ Andere boeren komen geamuseerd kijken naar mijn initiatie. ‘Nu wat llijta erbij.’ Hij geeft me een strookje marsepeinachtig spul. ‘Dat versnelt het effect van de coca. En?’ Na enkele minuten voel ik een milde verdoving in mijn mond. Niet echt spectaculair. ‘Doe zo maar een paar uur verder’, stelt mijn leermeester. ‘Het verjaagt de honger en de vermoeidheid.’ Een van de toekijkers trekt de rits van zijn anorak open en knoopt zijn hemd los. Daaronder draagt hij een T-shirt met als opschrift Coca is geen cocaïne. ‘Niet vergeten’, zegt hij lachend.

Het kauwen van coca is een gewoonte die in de Andes al meer dan vier millennia bestaat, getuige daarvan prehistorische mummies waarin sporen van coca zijn teruggevonden. Cocablaadjes hebben al die tijd, tot op vandaag, een grote rol gespeeld in religieuze en sociale rituelen. Coca kauwen of cocathee drinken begeleidt zowel de dagelijkse arbeid als het gezellig samenzijn. Van verslavende effecten of schadelijke gevolgen voor je gezondheid is er geen sprake. Maar hoe onschuldig het blad ook is, machthebbers hebben het meer dan eens proberen te bannen. Onder de Inca konden lieden van het gewone volk de doodstraf krijgen als ze betrapt werden op het kauwen van coca. In de zestiende eeuw deed de Spaanse kerk het blad in de ban omdat ze dacht dat de satan ermee gemoeid was. Tot bleek dat de Indiaanse mijnwerkers minder hard werkten zonder coca. Vandaag willen de Verenigde Staten dat Peru, Bolivia en Colombia de teelt van coca zoniet uitroeien, dan toch drastisch doen krimpen. Coca is namelijk het basisingrediënt voor cocaïne.

VOLGENDE KEER EEN OPSTAND

Na het oponthoud in de graskant gaat de mars verder. La Paz ligt nog twee dagen verder. Evo Morales loopt voor mij in de rij. Zijn sandalen klepperen over het asfalt. Af en toe praat hij door een zaktelefoon. Evo Morales is de belangrijkste leider van de cocaboeren uit de Chapare. In 1997 werd hij in zijn kiesomschrijving met liefst vijfenzestig procent van de stemmen verkozen als parlementslid voor de partij MAS, Movimiento al Socialismo. Hij heeft deze mars van Cochabamba naar La Paz, 400 kilometer lang, op touw gezet. Ik loop de laatste honderd kilometer mee. ‘Onze aankomst in La Paz zal uitmonden in een grote protestmanifestatie tegen het regeringsbeleid’, zegt Evo Morales. Hij maakt gewag van het doen aftreden van de regering, van nieuwe verkiezingen, waarna een grondwetgevende vergadering zal aantreden. Maar het zal voor een andere keer zijn. De optocht naar Banzers regeringspaleis wordt in het traangas van de oproerpolitie gesmoord, nog voor we het stadscentrum bereiken. Banzer blijft ongenaakbaar zitten op zijn troon.

De cocaboeren zijn de kwelgeesten van de regering Banzer. Ondanks alle uitroeiingsprogramma’s willen zij coca blijven verbouwen en daarvoor beroepen ze zich op de voorvaderlijke tradities. Hun organisaties zijn de eersten om aan de grote klok te hangen wanneer een antidrugspatrouille er weer eens te zwaar is ingevlogen. De elitekorpsen durven lelijk huishouden als ze op zoek zijn naar clandestiene plantages of drugslabo’s. Behalve een strijd voor hun kostwinning en de eerbiediging van de mensenrechten, is het gevecht van de cocaboeren ook ideologisch. Het kabaal rond het cocablad zien de cocaleros als het gevecht van een klein land dat een waardevolle traditie wil hooghouden tegen de pretenties en de betweterij van een grootmacht uit het Noorden.

Een zekere Clovis Diaz de Oropeza schreef een giftig boekje over Evo Morales en de cocasyndicaten. De auteur ziet Evo Morales als een koel berekenende machtspoliticus, en laakt ‘de almacht van de syndicale regering’ van Morales in zijn regio, de Chapare. Hij zou er de plak zwaaien in een soort mini-republiekje. ‘Morales droomt ervan een bevrijd gebied te stichten waar de cocaboeren hun zin kunnen doen,’ zegt de auteur, als ik hem te spreken krijg. Van directe banden met drugstrafikanten zal hij de leiders van de cocaleros niet beschuldigen, ‘maar hun standpunten spelen wel in de kaart van de cocaïne-industrie’. Het klinkt allemaal nogal gechargeerd en er klinken ook nogal wat regeringsstandpunten in door, maar Clovis Diaz heeft een punt. Het is immers een publiek geheim dat zo goed als alle coca uit de Chapare gebruikt wordt voor de productie van cocaïne. De boeren nemen afstand van de trafikanten, maar als je hen erop wijst dat hun productie gebruikt wordt voor de productie van cocaïne, vinden ze dat niet hun zorg. Een boerenbond is een boerenbond, wat er ook geteeld wordt.

DE REGERING IS VERSLAAFD

‘Het is grotesk! Het is om je te bescheuren!’ lacht ze. We zitten op een terras, ergens in La Paz. Op de patio sluipen obers en oberettes rond met borden, op een piëdestal van vijf lange vingers. Ik lepel mijn soep op, terwijl zij mij uitlegt wat er zo grotesk is aan de aanpak van president Hugo Banzer. Ze is mooi, heeft een sprankelende lach, draagt haar zonnebril op haar voorhoofd en wil haar naam niet in een magazine. ‘De enige vlag die dit kabinet laat wapperen, is de strijd tegen drugs. Voor de rest verwezenlijkt deze regering niets. Niet op het vlak van industrie, handel, of relaties met de buurlanden. Banzers idee-fixe is het Waardigheidsplan.’

Met dat Plan Dignidad kwam Banzer voor de dag kort na zijn verkiezing in 1997. Het moest Bolivia bevrijden uit het internationale cocacircuit. Het land telt twee belangrijke cocazones: Las Yungas en de Chapare. In het eerste gebied wordt sinds mensenheugenis coca geteeld, in het tweede vooral sedert de gestegen vraag naar cocaïne in de jaren zeventig. Een wet uit 1989 legt vast dat in Las Yungas nog 12.000 hectare coca verbouwd mag worden om de kauwers en de theedrinkers ter wille te zijn, maar dat in de Chapere alle cocavelden op termijn moeten verdwijnen. Met grote inzet van middelen, militairen en elitekorpsen zijn in de Chapare dan uitroeiingsancties begonnen. Met de machete, want boeren hebben kunnen afdwingen dat er niet gesproeid zou worden zoals in Peru en Colombia.

In november vorig jaar kondigde Banzer triomfantelijk aan dat, op enkele onontdekte plantages na, de Chapare nu coca-vrij is. Niet dat de Bolivianen daarop zaten te wachten. De narcodollars zijn voor de zieltogende Boliviaanse economie altijd een welgekomen bron van deviezen geweest. De Verenigde Staten wilden echter resultaten en hadden daarom wortel en stok bovengehaald. De wortel: een ononderbroken stroom hulpfondsen. De stok: de dreiging van het dichtdraaien van de hulpkraan en van een negatief advies bij alle leningen dat het land zou aanvragen bij internationale kredietinstellingen.

‘Deze regering is verslaafd aan Amerikaans geld’, zegt ze. Haar bord frieten is op, al weet ik niet hoe ze dat klaarspeelt terwijl ze voortratelt. ‘Door naar het pijpen van de VS te dansen, verzekert Banzer zich van makkelijk geld. Alleen, nu de doelstelling in de Chapare bereikt is, dreigen de royale hulpfondsen op te drogen. Al zullen er altijd wel nieuwe objectieven gevonden worden, zoals het terugschroeven van het coca-areaal in de Yungas of harder optreden tegen de transporten van precursores, de chemische middelen waarmee coca omgezet wordt in cocapasta en daarna in cocaïne.’

Van die nieuwe gretigheid om te scoren met precursores-bestrijding kan de Belg Guillaume Roelants meepraten. Hij leidt een chemische fabriek in het zuiden van het land. Voor het productieproces is dagelijks dertig ton zwavelzuur nodig, ingevoerd uit Chili. In Bolivia is zo’n hoog verbruik erg verdacht want zwavelzuur kan als precursor gebruikt worden. ‘Een concurrerend bedrijf is met verdachtmakingen begonnen’, zegt zijn vrouw Chantale Liègois die voor Broederlijk Delen werkt. ‘We kregen de Chileense en Boliviaanse antidrugsdiensten over ons heen. De verdenking is dat wij een gedeelte van het zwavelzuur versluisd te hebben naar drugstrafikanten.’ Roelants maakte kennis met de wet die bepaalt dat je in drugszaken verondersteld wordt schuldig te zijn, tenzij je het tegendeel bewijst. Wie toch vrijgesproken wordt, komt pas echt op vrije voeten zodra het vonnis door twee hogere rechtbanken bevestigd is. Bijgevolg zitten de Boliviaanse gevangenissen vol met mensen, vaak onschuldigen, die op hun proces wachten. Guillaume Roelants is inmiddels vrijgelaten, maar zolang er geen vonnis is, mag hij La Paz niet verlaten.

ONTWIKKELING IS ACHTERUITGANG

In de ijver om de VS te imponeren, worden cocaproducenten gelijkgeschakeld met narcotrafikanten, en coca met cocaïne. Maar door de boeren te criminaliseren, verdwijnt de kern van het probleem uit het zicht. Als de cocaplantages moeten verdwijnen, waarvan moeten de boeren dan leven?

Het toverwoord is al sinds jaar en dag de alternatieve ontwikkeling. De idee is dat de boeren de coca zullen vergeten als ze andere mogelijkheden hebben om een redelijk inkomen te vergaren. Bolivia doet daarvoor graag een beroep op de internationale ontwikkelingshulp. De alternatieve ontwikkeling in Bolivia is het verhaal van zovele ontwikkelingsprojecten: een lange lijst mislukkingen.

Bananen en ananas, palmhart, citrusvruchten en pepers waren de vijf sterproducten die het zouden maken. Maar deze teelten vragen veel meer onderhoud dan coca, waarnaar je nauwelijks hoeft om te kijken. Ze vergen ook meer transportkosten, terwijl de cocaboer zijn bladeren vaak kan verkopen aan de rand van zijn erf. Bovendien bieden ze geen garantie op stabiele en redelijke prijzen. Soms blijven ze op de velden staan omdat het niet rendabel is ze te oogsten.

Een studiecentrum in Cochabamba deed onlangs een enquête onder boeren. Twee procent van de ondervraagden vond de alternatieve ontwikkeling sedert 1990 nuttig, bijna zeventig procent zag geen verschil en bijna twintig procent vond dat de situatie erop achteruit gegaan was. Zelfs termen als bedrog en tijdverlies werden gebruikt. Sedert 1990 is er aan de alternatieve ontwikkeling 260 miljoen dollar besteed.

‘Het is toch niet mogelijk dat al die ontwikkelingsexperts knoeiers zijn?’ vraag ik onderzoeker Enrique Ballesteros. ‘Toch hebben dergelijke projecten vaak een ontstellend laag rendement’, antwoordt hij. ‘Ze zijn ontworpen zonder voldoende overleg met de begunstigden en ze houden geen rekening met de sociaal-economische context. En je moet ze eens zien, de koningen van de internationale coöperatie. Ze rijden rond in 4-wheel drives, bevolken schitterende kantoren en strijken riante lonen op.’ Ballesteros vindt dat projecten een manier zijn om de kritiek op de repressieve aanpak tegen de cocaboeren te sussen. ‘De Amerikanen sturen adviseurs voor de elitetroepen, leveren hun uitrusting en sponsoren hun operaties. Als zoethouder voor de boeren en de publieke opinie worden er met veel fanfare projecten voor alternatieve ontwikkeling gestart, die eigenlijk niets uithalen. Meer nog, de cocabestrijding is een voorwendsel van de Verenigde Staten om militair en politiek een voet in huis te hebben in Bolivia.’ Overschat hij nu niet het geopolitieke belang van Bolivia? ‘Ons land ligt strategisch. Pal in het hart van het continent.’

Ook mijn anonieme gesprekspartner ziet de grote hand van Uncle Sam achter de hele bestrijdingspolitiek. ‘De cocaboeren zijn de speerpunt in de strijd tegen het imperialisme. De contradicties van de wereldorde die de Verenigde Staten willen, verdicht zich hier in al zijn scherpte tot een zichtbare gedaante.’ Lang geleden dat ik het anti-imperialisme nog zo heet geserveerd kreeg, zeg ik. ‘Europeanen hebben het er moeilijk mee te begrijpen hoe een land totaal in de greep van de VS kan zijn. Als je hier woont en je hebt géén oogkleppen op, ga je vanzelf zo radicaal denken.’

EEN ALGEMEEN VERBOD DAT NIET VOOR IEDEREEN GELDT

Het is niet makkelijk om mensen te vinden die ook een oplossing zien voor de het cocadilemma. Jorge Hurtado is de witte raaf die ik zoek. Hij werkt in een grote psychiatrische kliniek in La Paz. Tijdens ons gesprek wordt hij via de intercom regelmatig weggeroepen (‘Dringend!’), maar als hij terugkomt, neemt hij telkens feilloos de draad van het gesprek weer op. Teken van een scherp verstand. ‘Ik behandel hier onder meer cocaïneverslaafden met cocapreparaten om hen te helpen ontwennen’, zegt hij tussendoor. Hurtado wou een legale coca-industrie op poten zetten. ‘Coincoca moest een megabedrijf worden. Met sympathiek kleinschalig gepruts wilden we ons niet bezighouden. Ons voorbeeld was Coca Cola, dat per slot van rekening toch ook op planetaire schaal een product op basis van coca aan de man brengt.’ Jorge Hurtado zette onder meer de productie van cocawijn mee op touw. Daarmee knoopte hij aan bij een oude traditie. In 1863 bracht een Fransman Vin Mariani op de markt, een mengsel van rode bordeaux en coca-extracten. De Amerikaanse imitatie van de Vin Mariani werd John Pembertons Coca Cola. Behalve wijn zag Jorge Hurtado ook een schitterende toekomst weggelegd voor cocaproducten voor lokale anesthesie en voor voedzame bonbons, waarvan hij me de laatste twee exemplaren toont. Want zijn project ligt stil.

‘Coca staat nog altijd op de internationale lijst van verboden verdovende middelen. De import van coca en alle aanverwante producten is voor alle landen en bedrijven ten strengste verboden.’ Jorge Hurtado lacht geheimzinnig. ‘Behalve voor de Coca Cola Company, wat had je gedacht. Coca Cola betrekt zijn voorraad cocabladeren uit Peru. Een farmaceutisch bedrijf in Amerika, Stephan Chemical Company, zorgt voor de decocaïnisering ervan. Het cocablad wordt nog verder uit elkaar gerafeld. Met de smaakstoffen wordt Coca Cola gebrouwen, de nutriënten worden gebruikt om cornflakes te verrijken, van de vezels wordt papier gemaakt.’ Wat gebeurt er met de onttrokken cocaïne? Weer die grijns. ‘Daar maakt Stephan Chemical anesthesieproducten voor ziekenhuizen van. De frisdrankmultinational krijgt alle faciliteiten, terwijl internationale conventies ons verhinderen om een drank op basis van coca te commercialiseren. Terwijl Stephan Chemical zijn gang kan gaan, beletten diezelfde conventies ons om zelf anesthesieproducten op basis van coca te maken en uit te voeren.’

BLAFFENDE HONDEN

In de luchthaven Charles De Gaulle scheurt de stewardess de strook van mijn instapkaart. Het traject La Paz-São Paulo-Parijs heb ik achter de rug. Nog een korte Sabenavlucht naar Brussel en ik ben thuis. In de neuslader van het vliegtuig versperren drie mannen mij de weg. Ze vragen of ik even wil meekomen. Er is iets met mijn bagage. Ze duwen me in een auto voor een lange rit over de tarmacvlaktes van de luchthaven. Ik vraag wat er aan de hand is. Blijkt dat de drugshond in La Paz, bij het besnuffelen van de bagage bij mijn koffer blaffend is blijven stilstaan. Heb ik misschien cocaïne meegebracht? ‘Nee’, zeg ik, ‘maar wel cocablaadjes en enkele onschuldige cocaproducten.’ De hoofdman van de drie zucht, alsof ik net een zwaar rotsblok op zijn rug heb geladen. ‘Meneer, àlle producten op basis van coca zijn in Europa verboden.’

In een kantoor waar geüniformeerden druk in en uit lopen met faxen en dossiermappen, word ik naar een kamertje geleid. Daar staat de gewraakte koffer, die ik leegmaak in bijzijn van de drie agenten. Ze pluizen alles uit, zelfs mijn zakdoeken vol snot. ‘U begrijpt dat we u ook lichamelijk moeten onderzoeken’, zegt een van de agenten terwijl hij zijn hand in een kriepende plastic handschoen wurmt. ‘Dat spreekt voor zich’, zeg ik.

De Franse staat besluit mij niet te vervolgen. Ik krijg wel een fikse boete van duizend Franse frank. Visa-card betaalt voor mij. Nu hoef ik alleen nog een verklaring tekenen waarin ik toegeef ‘te hebben geprobeerd in te voeren, zonder aangifte, de hieronder opgesomde goederen: cocablaadjes (10 gram), 1 doos cocathee in builtjes (50 gram), 1 fles cocashampoo (1 liter).’ ‘Coca is geen cocaïne!’ scandeer ik in stilte, terwijl ik teken.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3195   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift