Boniface Mwangi, persfotograaf, fotoactivist

Vanaf mijn terrasje in de gezellige drukte van Den Haag zie ik hem meteen lopen. Boniface Mwangi valt op in zijn zwart-groen-rode poloshirt, de kleuren van de Keniaanse vlag. Voor de rest is de tweevoudige winnaar van de CNN Africa Photojournalist Award (in 2008 en 2010) een onopvallende verschijning. Hij straalt een vermoeidheid uit die niet bij zijn leeftijd hoort te passen en zijn schouders zijn lichtelijk gebogen, alsof hij de last van een heel continent torst.

  • Allan Gichigi Boniface Mwangi. Allan Gichigi

Hij kijkt me onderzoekend aan wanneer ik naar hem toega. Ik ben duidelijk niet de journaliste die hij verwacht had. ‘Ik dacht dat je misschien een Keniaanse was die me kwam begroeten’, geeft hij later toe. Op de achtergrond speelt een coverversie van Otis Reddings gelaten Sitting on the Dock of the Bay. De berusting in de onveranderlijkheid der dingen uit dat nummer past bij de moeheid die over de 29-jarige Mwangi hangt.

Maar zodra de woorden uit zijn mond rollen, wordt de omvang van zijn verzet tegen die stand van zaken duidelijk. Tijdens ons gesprek in de Nederlandse zomerzon, wanneer hij later die dag een groep Nederlandse kunstenaars in spe toespreekt, of tijdens zijn TED- en andere speeches op het net, Mwangi spreekt steevast met een snelheid en een vuur alsof hem elk moment het zwijgen kan worden opgelegd.

In het compacte kelderzaaltje van het Den Haagse Nutshuis getuigt Mwangi voor een groep studenten van de Koninklijke Kunstacademie over de gebeurtenissen die van de toen 24-jarige persfotograaf een foto-activist zouden maken. Na de presidentsverkiezingen van december 2007 lieten in twee maanden tijd meer dan duizend mensen het leven terwijl meer dan een half miljoen Kenianen vluchteling werden in eigen land.

Mwangi werkt dan voor de op één na grootste krant van Kenia, The Standard, en gaat naar de brandhaarden om het verkiezingsgeweld te verslaan. In tegenstelling tot zijn buitenlandse collega’s kan hij zich als Keniaan relatief onopvallend onder de vechtende partijen begeven. De grote internationale agentschappen zijn wild enthousiast over zijn foto’s en algauw verdient hij meer dan zijn baas.

Zijn bravoure legt hem dus geen windeieren, maar laat ook wel psychologische sporen na. ‘Ik was lange tijd eigenlijk zwaar getraumatiseerd, depressief en had ernstige zelfmoordgedachten.’ De foto’s die hij toont liegen er niet om: afgehakte handen, veel bloed, politiegeweld en machetes. Maar vooral de gezichten vol haat, ontreddering en angst maken diepe indruk op het publiek.

‘Het is niet de bedoeling dat jullie medelijden hebben met mijn land’, waarschuwt Mwangi. ‘Dit geweld is ons probleem en dat moeten we zelf oplossen.’ Hij deelt zijn ervaringen om mensen wakker te schudden. Om te tonen wat er gebeurt als mensen hun mond niet opendoen, en gewoon toekijken. De Nederlandse verkiezingen zijn net achter de rug, en Mwangi aarzelt niet om direct te verwijzen naar het extreem rechtse gevaar in de Nederlandse politiek. ‘Het op zijn beloop laten is hetzelfde als het mee promoten.’

Zijn grote inspiratie vindt Mwangi bij Mohamed Amin, een fotograaf die in het midden van de jaren tachtig de wereld attent maakte op de hongersnood in Ethiopië. Op de zondagsschool kreeg hij op een gegeven moment Amins biografie in handen. ‘Ik hield altijd al van fotografie, maar na het lezen van die biografie begreep ik dat je met foto’s ook werkelijk een verschil kunt maken. Die man heeft met zijn foto’s in zijn eentje het geweten van de wereld wakker geschud.’ We Are the World, het eerste Live8-concert, de geboorte van het CNN-effect.

Bewustwording

Mwangi’s leven had er heel anders kunnen uitzien. Als een van zeven kinderen van een alleenstaande moeder heeft hij een bewogen jeugd waarin vaak wordt verhuisd, het gezin uiteen wordt gehaald en hij in een inrichting belandt, waar hij even later ook weer buiten de deur wordt gezet. Het is een hard leven, getekend door armoede en criminaliteit, maar Mwangi herinnert zich ook veel moederliefde en idyllische momenten van spelen in de modder, fruit plukken en vissen. Ergens in hun nomadenbestaan sijpelt toch ook politieke bewustwording binnen.

‘Op zeker moment bekeerde mijn moeder zich en ze trok zich geregeld voor enige tijd terug om te bidden en te vasten’, herinnert Mwangi zich. ‘Ik vroeg haar waarvoor ze bad en ze antwoordde dat ze om de dood van (toenmalig president) Moi vroeg. Vandaag is mijn moeder dood en leeft Arap Moi nog steeds. De moraal van het verhaal is dus dat bidden niet genoeg is. Mensen moeten ook iets dóen’, concludeert Mwangi.

Na zijn ervaringen tijdens het verkiezingsgeweld ziet Mwangi algauw dat iedereen in zijn middenklasse-omgeving gewoon de draad van het leven weer opneemt. ‘Het was werkelijk ondraaglijk. In plaats van mezelf van kant te maken heb ik dan maar gewoon ontslag genomen.’ Hij probeert zijn woede en frustratie te kanaliseren en doet zelfs een poging, zonder succes, de president zelf aan zijn mouw te trekken.

‘Uiteindelijk zijn het nooit de leiders zelf die ten strijde trekken, maar de mensen’, realiseert Mwangi zich, en besluit daarom zich dan ook tot de mensen te richten. Hij stampt Picha Mtaani, een reizende straattentoonstelling, uit de grond. Met zijn foto’s van het verkiezingsgeweld doorkruist hij tussen 2008 en 2011 het hele land. Meer dan 500.000 mensen zien de tentoonstelling, duizenden krijgen psychologische bijstand en meer dan 60.000 mensen ondertekenen een verklaring dat ze zich ver van het geweld zullen houden. ‘De foto’s dienen als een instrument voor dialoog’, legt hij uit. ‘Ze hebben geen bijschrift, zodat mensen er zonder vooroordelen naar kunnen kijken.’ De heftige reacties op de foto’s worden opgevangen door een team van therapeuten en er is ook een dialoogtent waar mensen in alle veiligheid met elkaar kunnen praten. ‘Het is een beetje zoals een waarheids- en verzoeningscommissie, geleid door jonge mensen met behulp van fotografie.’

De vooroordelen en de verdeeldheid zitten volgens Mwangi heel diep in de Keniaanse gemeenschap. Hij ziet het als een uitloper van het koloniale regime, waarin de Britten een verdeel-en-heerstactiek op de verschillende bevolkingsgroepen toepasten en na de onafhankelijkheid hun plunder- en steelpraktijken nalieten aan hun opvolgers, de Keniaanse elite. ‘We moeten ons land terugeisen, ons verhaal is veel te lang door buitenstaanders verteld.’ Een van de centrale slogans in het werk van Mwangi en zijn team is dan ook “Kenya nikwetu”: Kenia is mijn thuis. ‘De meeste Kenianen hebben geen paspoort om naar het buitenland te gaan, het moet dus hier gebeuren.’ Westen komt vóór Afrika

Onze leiders zijn als aasgieren, ze zijn hebzuchtig maar willen er niet voor werken. Wanneer wij vechten, sturen zij hun kinderen naar het buitenland.

Ook al legt hij de oorsprong van Kenia’s problemen vandaag bij de kolonisatie, schuimt hij zelf de wereld af en kan zijn organisatie op de steun reken van instellingen zoals de VN, toch besteedt Mwangi zelf relatief weinig aandacht aan het westen in zijn activisme. Voor hem komt Afrika eerst. Hij haalt het feit aan dat Kenia verwikkeld is in een oorlog tegen het terrorisme in Somalië, een oorlog waar het land volgens hem niets mee te maken heeft. ‘Dat is wat er mis is met Afrikaanse overheden’, vindt Mwangi, ‘bij hen komt het Westen vóór de Afrikanen. Zolang Afrika er niet in slaagt om op te komen voor wat het best is voor Afrika, zijn we gedoemd.’

Hij rijgt de internationale paradoxen ratelend aan elkaar: ‘België heeft de beste chocolade ter wereld, en een van de belangrijkste diamantmarkten. Niettemin produceert het land geen van beide stoffen. Waarom blijven wij ruwe grondstoffen uitvoeren’, vraagt hij zich ongeduldig af. ‘We spreken over grondstoffenoorlogen, maar op het Afrikaanse continent worden nauwelijks wapens geproduceerd. De gemiddelde Congolees heeft nooit een diamant van dichtbij gezien, toch laten ontelbaren het leven voor die zelfde diamanten.’

Extra bitter aan de praktijken van de huidige Afrikaanse elite vindt Mwangi het feit dat ze het geld dat ze van haar bevolking steelt niet eens in Afrika uitgeeft, maar het op westerse banken zet of er westerse huizen en appartementen mee koopt. ‘Ons geld wordt dus niet alleen gestolen door onze eigen mensen, het wordt ook nog eens teruggegeven aan de voormalige kolonisatoren.’

Zijn scherpste pijlen richt Mwangi dan ook op eigen land. Met een zeldzame mengeling van betrokkenheid en onverschilligheid, eenvoud en bravoure scheldt hij probleemloos de Keniaanse politici de huid vol (‘Het zijn aasgieren die zich volproppen met wat ze stelen van de zwakkeren’), terwijl hij zijn landgenoten uitmaakt voor idioten en lafaards (‘Zij stemmen keer op keer op die zelfde aasgieren en hebben de moed niet om hen met de vinger na te wijzen’).

Tegelijk is hij trots op zijn generatie: zij stemde Moi weg en de verkiezingsperikelen leidden uiteindelijk toch tot een nieuwe grondwet en een staatshervorming met meer zeggenschap voor de regio’s. De laatste stap is wat Mwangi betreft het naar huis sturen van de aasgieren: ‘Het bos mag dan al veranderd zijn, de apen blijven dezelfde.’

PAWA254

Mwangi stortte zich intussen op nog een ander project: hij is de directeur van de creative hub PAWA254, een gemeenschappelijke werkruimte in Nairobi voor visuele kunstenaars die een deel van hun tijd willen inzetten voor sociale verandering. Ze dragen de droom van een verenigd Kenia in hun naam: 254 is de Keniaanse landcode en “pawa” verwijst naar de macht van het volk. Ze leiden jongeren op, en proberen vol overgave de Kenianen wakker te schudden voor de stembusgang in maart 2013. In het afgelopen jaar hebben ze de stad gekleurd met opvallende muurschilderingen van aasgieren en opschriften die de mensen ertoe aanzetten om die volgend jaar weg te stemmen.

‘We vroegen ons af hoe we het best 49 jaar landroof, politieke moorden, straffeloosheid en corruptie in beeld konden brengen’, verduidelijkt Mwangi hun keuze voor de roofvogel. ‘De aasgier is een dier dat niet jaagt. Zo zijn onze leiders ook, ze zijn hebzuchtig maar willen er niet voor werken. Wanneer wij vechten, sturen zij hun kinderen naar het buitenland.’

Net als hun rondreizende tentoonstelling kan ook het graffitiwerk op de nodige tegenwerking rekenen. Het schilderen doen ze ’s nachts, clandestien. Vaak is het 24 uur later alweer overschilderd. Maar Mwangi en de zijnen geven de moed niet op. Eind juni houden ze een optocht naar het Keniaanse parlement om er 49 doodskisten te deponeren. ‘Het is een liefdevol afscheidscadeau’, noemt Mwangi de actie grijnzend. Op elk van de kisten prijkt een van de wandaden die het Keniaanse volk in de afgelopen 49 jaar sinds de onafhankelijkheid heeft moeten ondergaan.

Net zoals in 2008 is Mwangi zich scherp bewust van de passiviteit van de middenklasse. Op twitter en facebook kunnen zijn initiatieven op heel wat aanhangers rekenen, maar: ‘Sociale media kunnen mensen de indruk geven dat ze heel wat voorstellen, maar dat is niet zo. Bewustzijn wordt niet automatisch omgezet in actie. Sociale media zijn in feite een grote babbelbox, bovendien zitten de meeste stemmers niet eens op twitter of facebook.’ Volgens Mwangi heeft de middenklasse er alle belang bij om zich actief in te zetten voor echte verandering, omdat anders op de duur het geweld weer los dreigt te barsten.

Actie begint volgens Mwangi bij jezelf. ‘Ik doe dit om egoïstische redenen. Ik heb drie kinderen van wie ik erg veel hou. Ik hou meer van hen dan van mijn land. Het is voor hen dat ik dit doe.’ Zijn kinderen heeft hij opzettelijk voornamen gegeven van verschillende etnische groepen. In een TEDx-toespraak in Kibera, Nairobi’s beroemde sloppenwijk, roept hij de jongeren op om het leiderschap zelf in handen te nemen, en niet te rekenen op buitenstaanders die hun levenservaring niet eens delen.

Internationaal mag de hulp wat hem betreft stoppen. ‘Als mensen sterven, zullen leiders wel met oplossingen moeten komen.’ Of hij zelf ooit actief de politiek ingaat laat hij nog in het midden. ‘Je kunt je niet zomaar kandidaat stellen, je moet ook echt een sterk alternatief hebben.’

In Den Haag loopt bij het Internationaal Strafhof intussen een zaak tegen vier van Mwangi’s landgenoten voor hun aandeel in het postelectorale geweld in Kenia in 2007 en 2008. Twee van hen nemen niettemin deel aan de komende verkiezingen. Op ons Den Haagse terrasje kan ik niet nalaten te vragen naar zijn visie op die internationale rechtspraak: ‘Het Internationaal Strafhof is een goed Hof’, vindt Mwangi. ‘Het stuurt het juiste signaal naar daders en slachtoffers zijn echt blij met het Strafhof. Het enige probleem dat ik ermee heb is dat ze Bush en Blair nog niet hebben gearresteerd voor wat ze in Irak en Afghanistan hebben gedaan en de Israëlische overheid voor wat ze Palestina aandoet. Dat betekent echter niet dat wat onze leiders ons hebben aangedaan minder erg is.’ Glimlachend voegt hij eraan toe: ‘Misschien hebben we een Afrikaans gerechtshof nodig om achter Blair en Bush aan te gaan.’

www.bonifacemwangi.com

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2643   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur