Bosnië: Het land van de blauwogige moslims

Kristien Bonneure (VRT-radio nieuwsdienst) keerde terug naar Bosnië, de plek waar in de jaren negentig Europa’s laatste godsdienstoorlog uitgevochten werd. De littekens zijn er nog zichtbaar, maar de buitenlandse extremisten lopen er wat verloren bij.
Sarajevo? Dat is tegenwoordig Klein-Istanbul. Mening van een Serviër in Belgrado.
De organisatoren van een homofilmfestival in Sarajevo werden vorige herfst in elkaar geslagen door radicale moslims. Feit.
De rechterhand van Osama bin Laden, Ayman al-Zawahiri, werd ooit gesignaleerd in Midden-Bosnië. Gerucht.
In de staatskleuterscholen van Sarajevo is islamles ingevoerd. Feit.
In No Man’s Land, de Oscarwinnende film uit 2001 van de Bosnisch-Belgische Danis Tanovic, wordt alle actie bevroren nadat een man op een landmijn is terechtgekomen en niet kan worden verplaatst. Wat volgt is een surrealistische pantomime in een loopgraaf. Tanovic –intussen in de politiek gestapt– vindt dat Bosnië vandaag wéér op een landmijn ligt.
Het is nog net geen mislukte staat, maar wel een zombiestaat. Het verdrag van Dayton deelde het land op, de interne grens volgde de frontlijn, en zo is het gebleven, de afgelopen veertien jaar. Elk op zijn erf: de Bosnische Serviërs in hun Republika Srpska, Kroaten en Bosniakken –voor het grootste deel moslims– in hun Federatie. De centrale instellingen zijn zwak, zacht uitgedrukt.
De littekens schrijnen nog in Bosnië. In bijna elke gevel zie ik nog kogelinslagen, het brailleschrift van de oorlog. Op de begraafplaatsen kom ik altijd weer dezelfde omineuze jaartallen tegen: 1992 of 1993 of 1994… Maar er groeit een generatie op waarvoor het beleg van Sarajevo alweer geschiedenis is.

Een identiteit construeren


In mijn tas zit een nieuw en bitterzoet boek: Bosnie-Herzégovine 2030. Journalisten en schrijvers blikken voor de verandering eens vooruit. In een land waar iedereen altijd in het verleden graaft naar het eigen grote gelijk is dat uitgangspunt op zich al revolutionair.
De ene auteur is tegen EU-lidmaatschap, want dan mogen de Bosniërs hun jaarlijkse alcoholische orgasme niet meer beleven: het stoken van de eigen rakia of vruchtenjenever. De andere ziet Bosnië als een prima leverancier van wiet voor de hele EU of, niet zonder sarcasme, van specialisten in vluchtelingenkampen.
Esad Hećimović, islamspecialist en journalist, schrijft over de identiteitscrisis van zijn land. We moeten dringend een identiteit construeren op basis van de waarden die we delen met de andere groepen, en niet op basis van de waarden waarin we juist verschillen, is zijn mening. Let op het woord ‘construeren’.
In Sarajevo ontmoet ik vredesactivist Adnan Hasanbegović (o, die heerlijke samengestelde Bosnische namen: ‘beg’ of ‘bey’ is Turks voor ‘chef’, ‘ović’ is het Slavische vadersnaamsuffix, ‘zoon/dochter van’). Hij heeft geen hoge pet op van de Bosnische politici. ‘Ze misbruiken het nationalisme en de religieuze identiteit om de status-quo te verdedigen. Ze hebben geen enkel belang bij verandering.’
Ik hoor en ondervind het vaak in Bosnië: tussen gewone mensen begint het weer te boteren. Het is de politiek die ophitst, verdeelt en haat blijft zaaien. Ja maar, wie kiest die politici? Veel mensen werpen tegen dat er geen keuze is. Geen énkele partij verlaat de oude paden. En bovendien nuanceert Hasanbegović één en ander zelf: niet alleen de politici treft schuld, ook bij de burgers zitten het wantrouwen en de polarisering nog diep, zelfs bij jonge mensen.
Voor en tijdens de oorlog werden al die identiteiten als transparanten over elkaar heen gelegd: nationaal, etnisch, religieus, politiek. We weten allemaal tot wat die versterking heeft geleid. Hardelijn-Serviërs, -Kroaten en -moslims. Harde mensen. Dood en vernieling.

Radicale islam?


Over de radicale moslims praat ik met Adnan Hasanbegović op het binnenplein van de oudste moskee van Sarajevo, de Careva- of Keizersmoskee. Ik hoor de oproep van de muezzin, het stromen van de Miljacka-rivier voor de deur, de fontein op de binnenplaats en de geluiden van de buren: de klokken van de franciscanenkerk en de vrachtwagens van brouwerij Sarajevska. Sarajevo moslimstad?
Adnan Hasanbegović was negentien toen hij soldaat werd in het Bosnische leger. Hij vocht de volle drie jaar van het beleg in Sarajevo. ‘Voor de oorlog was ik de typische Joego-sceptische jongere’, zegt hij. ‘Maar toen ik de dood in de ogen keek en al dat geweld en die angst over me heen kreeg, kwamen de grote levensvragen vanzelf. Ik, van huis uit een “zwakke moslim”, ging op zoek.
Uiteindelijk ben ik bij de middenweg uitgekomen, zoals de profeet Mohammed zelf wou. Maar ik heb best wel met veel radicalere moslims gediscussieerd. Er waren Arabische moedjahedien bij, die ons, geloofsgenoten, kwamen helpen in de oorlog . Natuurlijk probeerden ze mensen te beïnvloeden, sommigen waren allerminst open van geest. Maar, met de hand op het hart, ik heb nooit iemand ontmoet die de Al Qaeda-aanpak genegen was en de aanvechting voelde om dingen en mensen op te blazen.’
Hasanbegović heeft dicht bij de wahabieten gestaan. Ze zijn schaars, maar je herkent ze van uren ver in het Bosnische straatbeeld: niemand anders draagt zulke lange baarden, te korte broeken of reuzensluiers. De Bosniërs doen er wat schamper over. Hasanbegović heeft nog altijd contact met wahabieten, van een zekere afstand.
Tien jaar lang al timmert hij met zijn ngo aan de weg van de dialoog in Bosnië, tussen moslims onderling, en met orthodoxe christenen en katholieken. ‘Het klinkt pathetisch’, lacht deze teddybeerachtige man, ‘maar het is de enige weg. Ik ben er écht van overtuigd dat godsdienst een groot verzoenend potentieel in zich draagt. Het is het enige wat ik kan doen voor het land waarin mijn dochter groot wordt.’

Godsdienstoorlog


Ik sta ervan te kijken. Religies hebben elkaar hier naar het leven gestaan. In Banja Luka, in het Servische deel van Bosnië, spreekt regeringsman Jovo Turanjanin onomwonden over ‘de godsdienstoorlog van de jaren negentig’. En het spel van de haat gaat door. De wonderlijke Ottomaanse brug van Mostar is hersteld, maar de Kroaten hebben op de berg ernaast een groot kruis opgetrokken, precies op de plek vanwaar ze de brug in 1993 in brokken schoten.
Mustafa Cerić, de grootmoefti van Bosnië, de baas van de moslimgemeenschap, wuift alle opmerkingen over radicalisering weg. ‘De wahabieten zijn ongeveer zo gevaarlijk voor ons land als een mug voor een olifant.’ Als ik hem voorleg dat nogal wat moslims zélf de extreme invloeden on-Bosnisch en ook wel wat bedreigend vinden, zet hij zijn stekels op. ‘Je gebruikt het argument van de Serviërs’, gooit hij me in mijn gezicht. ‘Scheer alle Bosnische moslims maar over dezelfde radicale kam, dat is een haring die goed braadt in de strijd tegen de internationale terreur.’
Geen discussie, laat staan verzoening in zicht, denk ik dan, met deze grootmoefti. Hij wordt de machtigste man van Bosnië genoemd.

Zingende dialoog


Zonder te zoeken vind ik wel een antwoord bij de jonge kerels van Sejfullah – ‘Sabel van Allah’. Ik wist niet eens van het bestaan van moslimkoren af. Maar in Konjic, een bij uitstek gemengde stad die juist daarom, net als Sarajevo, zwaar heeft geleden tijdens de oorlog, zit een dozijn jongemannen in een kring. Een oudere getaande man was er al bij in 1993, midden in de oorlog. Hij pakt zijn gitaar en dan zingen ze als een mantra ‘Allahu ekber, Allahu ekber, la ilahe illalah huvallahu ekber’.
Het is bepaald indrukwekkend, de meerstemmige mix van koranverzen en Bosnische poëzie. Maar er is meer. Zegt zanger Benjamin Musinović: ik heb de pech hier te wonen, in Bosnië, waar de oorlog zoveel gebouwen en relaties heeft kapotgemaakt. Onze muziek kan de dingen en de mensen weer met elkaar verbinden. Sejfullah zingt geregeld samen met orthodoxe en katholieke koren. Het gaat tenslotte altijd om hetzelfde: “bemin uw naaste als uzelf”.’
Nog meer openheid in de madrassa. Stel je geen Pakistaanse hersenspoeltoestanden voor. Deze Gazi Husrev Begov-school staat al sinds het begin van de zestiende eeuw pal in het centrum van Sarajevo. Ik loop er onaangekondigd binnen. De klas is gemengd, de meisjes dragen hoofddoeken in felle kleuren. Ik kijk naar de lessenaars: er steken grote voeten in All Stars onderuit, en erbovenop ligt een koran. Het blijkt al snel dat dit een elitaire middelbare school is, waar behalve veel godsdienst ook sociologie en filosofie van de bovenste plank wordt gedoceerd.
Nezma Masić heeft een ‘ik weet wat ik wil’-blik achter haar brillenglazen. Ze spreekt uitstekend Engels en gaat volgend jaar aan de universiteit nog meer talen studeren. Ja, ze komt uit een gelovige familie. Maar nee, lacht ze het compliment van de leraar weg, ik ken de koran helemáál niet volledig uit mijn hoofd. De ene madrassa is de andere niet.
Ik zet het gesprek voort op de islamfaculteit van de universiteit van Sarajevo. Het negentiende- eeuwse gebouw in Moorse stijl is een oase van rust in de stad. Radicalisme is hier ver weg. Dit is de Europése islam, zegt decaan Ismet Bulatović nadrukkelijk. Die kan wel tegen een stootje, er is geen risico van besmetting door extremisme. Besmetting, zegt hij letterlijk.
Hij voegt er een aardigheid aan toe: ‘Wie als imam in een Bosnische moskee wil werken, moet van hier zijn. Geen import uit Arabische landen. Soms was dat een hard gevecht, zoals toen de Saoedi’s een reusachtige moskee bouwden en natuurlijk ook meteen het personeel wilden meesturen. Maar wij hebben gewonnen’, zegt Bulatović niet zonder enige trots. In België zijn we nog lang niet zover, bedenk ik. Waar zou je bij ons voor imam moeten studeren?

Koning Fahd in Bosnië


Die Saoedische Koning Fahd-moskee is een witmarmeren gedrocht in een voorstad van Sarajevo. De laatste keer dat ik hier kwam was op het einde van de oorlog. De woontorens van Dobrinja waren als gruyèrekazen doorzeefd met kogels en granaten. De frontlijn liep dwars door de flats. Ik herinner me het braakland tussen de woonkazernes, de uitgebrande auto’s.
Oude Bosnische moskeeën zijn klein, en liggen laag, uit eerbied voor Allah. De nieuwe, door het buitenland gefinancieerde, zijn reusachtig, opzichtig en lelijk. Naast de Saoedische bijdrage tot het Bosnische patrimonium worden islamitische parafernalia aan de man gebracht. Een dunne, donkere man met tulband uit Pakistan vertelt me dat de wind van het geloof hem hierheen heeft geblazen. Een andere, uit Tunesië, doet een onsamenhangend verhaal. In de Bosnische oorlog kwam hij hier “humanitair werk” doen. Vaak is dat een eufemisme voor “meevechten”, als moedjahedien.
 Hij is gebleven, net als veel andere buitenlanders. Ze zochten en vonden een Bosnisch meisje, stichtten een gezin, kregen vaak als beloning voor bewezen diensten de Bosnische nationaliteit. Een aantal van hen is die intussen weer kwijt. De kleine Tunesiër zegt dat de vooroordelen groot zijn. ‘Ze noemen ons hier “Afghanen” of “Taliban”. Maar we hebben geen kwaad in de zin.’ De man weigert me evenwel de hand te schudden.

Het Jeruzalem van de Balkan


Het is Goede Vrijdag in Sarajevo. Ik volg het middaggebed in de kleine Bedevaartmoskee. Hier vertrokken de pelgrims te paard en te voet naar Mekka. De reis heen en terug kon tot twee jaar duren. Nu wippen er zakenlui binnen, scherp in het pak. Ze nemen de tijd om de blackberry even uit te zetten, hun handen en gezicht te wassen, even stil te staan. Even verderop, in de katholieke kathedraal, word ik in de tijd teruggeslingerd. Veel zwartgerokte pastoors en zusters. Wie binnenkomt, bekruist zich met veel wijwater en knielt tot op de grond. Voor de biechtstoelen is het aanschuiven. Hou goed uw Pasen!
Het contrast met de straat buiten kan niet groter zijn. Het moment van de corso is aangebroken: als de avond valt, tutten de meisjes en de jongens zich op en gaan heen en weer slenteren. Vriendinnen flaneren gearmd, de een met een paarse hoofddoek, de ander op naaldhakken, een derde heeft een duizelingwekkend décolleté. Allemaal moslima’s.
Ik drink een glas (ja, alcohol) op de open binnenplaats van Morica Han, een antieke karavanserai, waar handelaars hun goederen opstapelden, hun paarden stalden en zich te slapen legden. Kruispunt van culturen, altijd geweest. Een plek waar de geschiedenis uit de dikke muren sijpelt. Bij uitstek een plek om na te denken over verzoening en tolerantie.
Ik pak de roman De cellist van Sarajevo van Steven Galloway en lees over de Servische schutters in de bergen, en hun visie op de burgers in de stad beneden. ‘Natuurlijk zouden ze hen allemaal willen afknallen, maar als dat niet lukt, dan willen ze hen doen vergeten hoe ze waren, hoe beschaafde mensen handelen.’ Ze zijn het niet vergeten, denk ik, hoop ik. Tot spijt van wie het benijdt: snajperi (sluipschutters), nationalistische politici, wahabieten.
 
Steven Galloway, De cellist van Sarajevo, Podium, Amsterdam, 2008.
Bosnie-Herzégovine 2030, Les Cahiers du Courrier de la Bosnie-Herzégovine, Sarajevo, 2008. http://balkans.courriers.info.
Sejfullah, Sjet, Hayat records, Sarajevo www.sejfullah.org.
Dit artikel maakt deel uit van het project Als Allah in Bosnië en kwam tot stand met steun van de Koning Boudewijnstichting.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2751   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift