Braindain of braingain?

Braindrain kan volgens van Dale letterlijk vertaald worden als hersenemigratie, en heeft twee betekenissen. Ten eerste: het in groten getale wegtrekken van geleerden en intellectuelen, met name uit de ontwikkelingslanden naar de geïndustrialiseerde landen, en uit Europa naar Amerika. Ten tweede: het vertrek van universitair wetenschappelijk personeel naar het bedrijfsleven.
Dit cahier handelt uitsluitend over de migratie van intellect van Zuid naar Noord. De voorbije decennia zijn volgens een voorzichtige raming minstens 6 miljoen hooggeschoolde mensen gemigreerd vanuit de ontwikkelingslanden naar de lidstaten van de OESO, de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling of club van de rijke landen. Iets meer dan de helft van deze zes miljoen ging naar de Verenigde Staten. In absolute aantallen waren de voornaamste bronlanden of landen van oorsprong de Filippijnen, India, Mexico, China en Iran. Maar relatief kregen vooral kleinere landen met de braindrain te maken. Alle landen van Midden-Amerika en de Caraïben, heel wat landen uit Afrika en ook Korea en Iran ‘verloren’ minstens 10 procent van hun hooggeschoolden aan de industrielanden.

We hebben aanhalingstekens bij verloren geplaatst, omdat de effecten van de braindrain op zeer uiteenlopende wijze beoordeeld worden. Dat blijkt al uit de terminologie. Er zijn zowel neutrale als waarderende begrippen in omloop. Naast migratie van het intellect of hersenemigratie (neutraal), spreken we over hersenvlucht (negatief). Verschillende auteurs gebruiken naast braindrain (met zijn negatieve bijklank) ook brain overflow, brain pendel, brain circulation of brain exchange (positief).

In de onthaallanden heeft braindrain overwegend positieve effecten. De OESO signaleert een interessante ontwikkeling in het publieke debat over migratie. De klemtoon ligt niet alleen meer op het controleren van de migratiestromen en het bestrijden van illegale inwijking. In steeds meer landen wordt openlijk gesproken over de rol van migraties in het matigen van de effecten van de vergrijzing van de bevolking, en in het wegwerken of beperken van tekorten op de arbeidsmarkt. Dat is niet alleen waar voor traditionele immigratielanden zoals Canada of de Verenigde Staten. Ook in de Europese Unie wordt nagedacht over het aantrekken van informaticaspecialisten en medisch personeel uit de ontwikkelingslanden. De Vlaamse administratie voor de werkgelegenheid meldt een stijging van het aantal afgeleverde arbeidskaarten sinds 1997, vooral voor leidinggevend personeel (uit de Verenigde Staten en Japan) en informatici (uit India).

Mark Andries van het Vlaams Economisch Verbond verwijst naar het buitenland om een versoepeling van de immigratiestop voor hooggeschoolden te verantwoorden. Hij meent dat dit niet tegenstrijdig hoeft te zijn met een actief beleid voor de risicogroepen op de arbeidsmarkt, d.w.z. voor de laaggeschoolden, waaronder veel allochtonen. De effecten op de bronlanden moeten ernstig genomen worden, maar het voorbeeld van India bewijst dat die ook positief kunnen zijn.

Die effecten op de ontwikkelingslanden zijn voor Chris Serroyen van het ACV juist een reden om te waarschuwen voor een overhaaste versoepeling van de arbeidsimmigratie. Het succesverhaal van de Indiase softwarebedrijven moet geplaatst worden naast andere ervaringen. De prioriteiten moeten anders gesteld worden: in de eerste plaats een versoepeling van de humanitaire immigratie; een selectief beleid inzake economische immigratie is pas nodig als de andere mogelijkheden om knelpunten op de arbeidsmarkt op te lossen, uitgeput werden; en men moet lessen trekken uit vroegere arbeidersmigraties, en het immigratiebeleid flankeren door een integratiebeleid.

Patrick Loobuyck probeert in dit debat een genuanceerd standpunt in te nemen. In een tijd van globalisering moeten we leren leven met de grotere mobiliteit van mensen, en men moet ook het individueel recht erkennen om in een ander land een beter bestaan op te bouwen. In het migratiedebat mag er aandacht zijn voor het eigenbelang. Een beperkte arbeidsmigratie verlicht de druk op de arbeidsmarkt en leidt wellicht tot wat minder illegaliteit. Maar dat betekent niet dat we de migratiestromen volledig aan de markt moeten overlaten en niets moeten ondernemen tegen de negatieve effecten van de braindrain voor de ontwikkelingslanden. De industrielanden kunnen de bronlanden ondersteunen bij het opbouwen van goede instellingen voor de sturing van de emigratie, en bij de ontwikkeling van het onderwijs, vooral de technische opleidingen.

Toon van de Velde verdedigt een quotabeleid voor arbeidsimmigratie als het meest ernstige alternatief voor het huidige beleid. Het beantwoordt aan reële problemen op de arbeidsmarkt en laat ook een strenger uitwijzingsbeleid toe, juist omdat een nieuwe toegangspoort geopend wordt. Een quotabeleid is rechtvaardiger dan geen beleid of dan de huidige praktijk, die er een is van stoere woorden maar relatief veel gedogen. Een quotabeleid kan de illegaliteit doen dalen en dat moet het vertrouwen in de rechtsstaat ten goede komen. Een quotabeleid lost niet alle problemen op maar perfecte oplossingen bestaan niet. Het is de minst slechte oplossing die ons toelaat wat meer ordening aan te brengen en de meest stuitende onrechtvaardigheden uit te bannen.

Als de hoogontwikkelde landen systematisch meer hooggeschoolden gaan aantrekken, wordt de vraag naar de effecten van de braindrain op de ontwikkelingslanden opnieuw actueel. In het debat over de verklaring van groeiverschillen tussen landen, wordt sterk de nadruk gelegd op de rol van het ‘menselijk kapitaal’ d.w.z. de scholingsgraad van de productiefactor arbeid. Een laag gemiddeld opleidingspeil wordt gezien als de belangrijkste oorzaak van een lage productiviteit en dus van lage inkomens. Anderzijds zouden investeringen in opleiding en onderwijs moeten leiden tot hogere groeicijfers en inkomens. Welke invloed zal een nieuwe migratiestroom van intellect van Zuid naar Noord hebben op de ontwikkeling in de wereld?

Er bestaan hierover sterk uiteenlopende meningen. In Afrika en waarschijnlijk ook in Midden-Amerika en de Caraïben wordt de braindrain overwegend negatief beoordeeld. Jaarlijks vertrekken enkele tienduizenden kaderleden en professionals en dat verlies wordt dan goedgemaakt door ‘ontwikkelingshelpers’. Sibry Tapsoba wijst op de grote achterstand van Afrika op de rest van de wereld. Het continent is afwezig in de wetenschappelijke productie, er is geen geld, de onderzoekers worden te weinig betaald en hebben geen werkingsmiddelen. Hij meent dat er een mondiale strategie is om het Zuiden van zijn intellectuele hulpbronnen te beroven, maar hij levert ook zelfkritiek. In Afrika staat de omgeving helaas maar al te dikwijls vijandig tegenover wetenschappelijk onderzoek en innovatie, met conservatisme, corruptie en partijpolitiek als grootste hinderpalen.

Aan de andere kant van het spectrum bevindt zich India. Uwe Hunger onderzoekt het verband tussen de massale migratie van Indische informaticaspecialisten naar de Verenigde Staten en de succesvolle ontwikkeling van de Indische software-industrie. De netwerken tussen deze emigranten en het land van oorsprong blijken van groot belang: veel jonge Indiërs volgen vervolgopleidingen in Engelstalige landen, ze werken een zekere tijd in het buitenland en combineren na hun terugkeer de technische kennis met de vertrouwdheid met de cultuur. Maar er zijn ook andere doorslaggevende factoren. Hunger vermeldt het actief industriebeleid van de Indische overheid, gekoppeld aan een groeiende openheid voor de mondiale markten, en het bestaan van een goed wetenschappelijk en technisch onderwijs.

Die positieve waardering van de effecten van braindrain vinden we goed samengevat in The migration of knowledge workers. Second generation effects of India’s brain drain van Binod Kadria, professor aan de Jawarhalal universiteit van New Delhi (Saga Publications, New Delhi, 1999). Onder eerste generatie-effecten verstaat Kadria de klassieke effecten, d.w.z. teruggestuurde spaargelden en overdracht van technologie. De nieuwe benadering heeft oog voor de bijdrage die ‘expatriates’ kunnen leveren tot het verhogen van de productiviteit van de nationale arbeidskrachten. Dat kan gebeuren vanuit het buitenland of na terugkeer, via investeringen of het leveren van machines, maar ook door medewerking aan opleidingsprogramma’s of toetreding tot de arbeidsmarkt van het land van oorsprong. Maar die positieve effecten komen er pas als beide partijen, gastland en bronland, zich sterk genoeg voelen.

Niet alle landen zitten evenwel in dezelfde uitgangspositie als India. De Internationale Arbeidsorganisatie geeft technische bijstand aan lage-inkomenslanden die meer voordeel willen halen uit hun arbeidsemigratiebeleid. Manolo Abella beschrijft de verschillende types van beleid, de maatregelen die kunnen genomen worden om het positief effect op de economische ontwikkeling van het bronland te maximaliseren, en de waaier van mogelijkheden om de migranten zelf meer sociale bescherming te bieden.

De moderne technologie kan de ontwikkelingslanden daarbij helpen. In een studie voor de UNESCO wijzen Mercy Brown en Jean-Baptiste Meyer op het belang van mondiale netwerken. Rekenen op de terugkeer van geëmigreerde specialisten is voor de ontwikkelingslanden een verkeerde keuze: er zijn weinig resultaten en men vertrekt van de verkeerde uitgangspunten. De optie van de ‘diaspora’ biedt meer perspectief: het land van oorsprong aanvaardt dat er weinig of geen definitieve ‘terugkeerders’ zullen zijn, maar dat velen ook in het buitenland belangstelling behouden voor de ontwikkeling van hun land van oorsprong. Zij kunnen gemobiliseerd worden, als het land van oorsprong hiervoor de politieke en organisatorische inspanningen wil leveren. De netwerken van hooggeschoolden in het buitenland zijn hiervoor een uitstekend kanaal en de moderne communicatietechnologie en vooral internet scheppen hiervoor de technische mogelijkheden.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3195   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift