Centraal-Europa, een periferie van de Europese Unie?

De euforie, die Centraal-Europa kenmerkte na het slopen van de Berlijnse muur en het einde van de koude oorlog, is misschien niet in wanhoop omgeslagen maar de realiteit van tien jaar markteconomie heeft in Centraal-Europa toch wel tot ontnuchtering geleid. Politieke vrijheid, parlementaire democratie, dat wel, maar geen kant en klare welvaart.
Inleiding

De hervormingen van de jaren negentig brachten politieke vrijheid en bevrijdden de bevolking van Centraal-Europa uit de grisaille en het kneuterige beschermde bestaan van de planeconomie. Op politiek vlak heeft de val van de muur voor iedereen zonder twijfel een stap vooruit betekend. Op sociaal-economisch vlak is het beeld genuanceerder. Na een aanvankelijke daling, stijgt de productie in de meeste landen behoorlijk snel, maar daar staat tegenover dat de sociale voorzieningen drastisch zijn afgebouwd.


De economische hervormingen van de jaren negentig betekenden het einde van de Comeconprotectie en de integratie van de zwakke Centraal-Europese economieën in de wereldeconomie Betekent dit dat Centraal-Europa gedoemd is om afhankelijk te worden van de kapitalistische centra en dat het patroon van economische ontwikkeling in Centraal- Europa gedetermineerd wordt door de behoeften van de VS of West-Europa of bestaat er de kans op een eigen ontwikkeling ? Welke rol speelt de toetreding tot de Europese Unie (EU) in dit verband ? In dit artikel wordt gepoogd die twee vragen verder uit te diepen, op basis van een analyse van de evolutie die zich de laatste jaren heeft voorgedaan.

Over het gebruik van de termen Centraal- en Oost-Europa bestaat heel wat discussie. Om vergissingen te vermijden: in dit artikel verwijst de term ‘Centraal-Europa’ naar de tien kandidaat-lidstaten van de EU (van Noord naar Zuid: Estland, Letland, Litouwen, Polen, Tsjechische Republiek, Slowakije, Hongarije, Slovenië, Roemenië en Bulgarije). Deze landen zijn in verscheidene opzichten zeer verschillend. Een diversiteit die in een overzicht als dit, ter wille van de duidelijkheid, noodgedwongen wat tussen de plooien zal vallen.

Een blik in de geschiedenis

In het verleden werden de Centraal-Europese landen gedomineerd door het op Wenen geconcentreerde Habsburgse Keizerrijk, dat de volkeren van Centraal-Europa als marginaal behandelde. Oostenrijk had daarbij af te rekenen met twee andere imperia die hun centrum buiten de Centraal-Europese zone hadden -het Russische rijk en het Osmaanse rijk- die ook de gebieden van Centraal-Europa als periferie beschouwden en behandelden. Centraal-Europa werd een speelbal in de geschiedenis waarvan de bevolking steeds in de marge van imperia probeerde te overleven. In het hele gebied bleven de sociaal-economische structuren op feodale leest geschoeid en was de macht in handen van een militair - aristocratische klasse.

De herschikking van de Europese grenzen na de Eerste Wereldoorlog veranderde daar even wat aan. Landen als Polen, Hongarije en Tsjecho-Slowakije kregen even de mogelijkheid om zich te manifesteren en zich autonoom te ontwikkelen. De Baltische staten en Tsjecho-Slowakije deden het daarbij niet zo slecht. Polen daarentegen verloor zijn energie in interne politieke geschillen en slaagde er niet in de stap van de archaïsche landbouw naar een moderne industriestaat te zetten. Hongarije, Bulgarije, Roemenië geraakten verzeild in fascistisch vaarwater. De mogelijkheden voor autonome ontwikkeling die hadden kunnen gerealiseerd worden –mits er meer tijd en een betere internationale conjunctuur voorhanden waren geweest– werden in de kiem gesmoord door de Tweede Wereldoorlog.

Centraal-Europa na de tweede wereldoorlog

De opdeling van Europa maakte van de Centraal-Europese landen satellietstaten van Moskou – zoals West-Europa een satelliet van de VS zou geworden zijn, ware het proces van Europese eenmaking niet op gang gekomen. In het kader van de Comecon kwam een werkverdeling tot stand die de belangen van de sovjeteconomie centraal stelde, en handelsstromen, economische specialisatie, investeringen determineerde in functie van het sovjetbelang. In het kader van het Warschaupact werden de politieke en militaire belangen van de satellietstaten gelijkgesteld met die van de Sovjet-Unie. Op binnenlands vlak beheerden totalitaire regimes -afhankelijk van en schatplichtig aan Moskou- centraal geplande economieën waar het individu niet meetelde en de collectiviteit centraal stond.

De val van het ‘reële socialisme’

Dat de landen van Centraal-Europa op ongeveer een jaar de stap zetten van totalitaire centraal geplande economieën naar parlementaire democratieën gebaseerd op markteconomie, is een op zijn minst merkwaardig verschijnsel. Twee factoren kunnen hier worden aangestipt. In de eerste plaats was de uitholling van de geloofwaardigheid van de regimes in alle betrokken landen verder gevorderd dan men in het Westen vermoedde. Ten tweede was de top in het Kremlin niet langer van plan om het uiteenvallen van Comecon en Warschau Pact af te remmen of (manu militari) te beletten.


Het is na 1990 ‘de bon ton’ die periode ‘45-‘90 integraal naar de prullenmand van de geschiedenis te verwijzen. Het is echter niet zo dat in die periode in de landen van Centraal- Europa niets gerealiseerd werd. Een volledige balans opmaken van de realisaties van 45 jaar communisme en de oorzaken van de val van de regimes valt buiten het bestek van dit artikel. Laat het in deze context volstaan te stellen dat het verlies van persoonlijke vrijheid en eigen verantwoordelijkheid niet opwoog tegen de realisaties van het systeem: voldoen aan de basisbehoeften, afwezigheid van werkloosheid of armoede en een sluitend systeem van sociale zekerheid. In de factoren die de val van de communistische regimes veroorzaakt hebben zijn politieke en persoonlijke onvrijheid waarschijnlijk van groter belang geweest dan de ontevredenheid met een lager levensniveau en een minder productieve economie. Toch moet ermee rekening gehouden worden dat die landen erg verschillend zijn en de oorzaken van populaire ontevredenheid even divers: er waren economische problemen in Polen, maar niet in Tsjecho-Slowakije; de onderdrukking van de intelligentsia was zeer brutaal in Tsjecho-Slowakije, veel minder in Hongarije; de politieke beweging ‘Solidariteit’ die het regime in Polen omverwierp had zijn gelijke niet in enig ander land; en we kunnen zo nog een eind doorgaan.

Zoals na de Eerste Wereldoorlog krijgt Centraal- en Zuidoost-Europa in 1990 een nieuwe kans op autonome ontwikkeling. Meer dan in 1918 is echter het model gegeven: de Europese variant van liberale gemondialiseerde economie.

Na 1990: democratisering en liberalisering

De evolutie op politiek vlak gebeurde snel en in de meeste landen zonder bloedvergieten. In een mum van tijd werden totalitaire regimes vervangen door parlementaire democratieën. De eenheidspartij werd geliquideerd; de leiding van regering en overheid, en ook van de bedrijven, kwam in nieuwe handen terecht. Die nieuwe elite kwam uit de academische wereld, de (clandestiene) oppositie en de diaspora. Nieuwe partijen kwamen tot stand en de oude communistische partijen werden grondig verjongd. Al te orthodoxe leiders of zij die in de veiligheidsdiensten actief waren geweest verdwenen in de coulissen, jonge politici namen het stuur over en gingen een sociaal-democratische koers varen. Het was alsof de Centraal-Europese landen nooit iets anders dan parlementaire democratie hadden gekend. Ondanks de ernstige economische en sociale problemen is in geen van de Centraal-Europese landen de prille democratie ooit in gevaar gekomen. Als na een eerste periode de nieuwe leiders na verkiezingen het onderspit moeten delven en vervangen worden door politieke leiders (vaak met het oude regime gelieerd), gebeurt dit naadloos en zonder dat de nieuwe fundamentele opties van de parlementaire democratieën (of van de markteconomie) op de helling komen te staan.

Op economisch vlak lag de situatie wel wat moeilijker. Wie van de centraal geleide economie af wil heeft niet veel ruimte voor eigen keuze. Vrije markt, privatisering, open economie zijn de sleutelwoorden. Afwijkend economisch beleid wordt door de internationale markten bestraft.

De hervorming van ‘89-‘90 heeft economisch de Centraal-Europese landen grondig op hun kop gezet. Economische planning en centraal geleide economie werden van de ene op de andere dag vervangen door vraag en aanbod op de markt. De liberalisatiemaatregelen van minister Balczerowicz in Polen creëerden aanvankelijk -en dat voor enkele maanden- weinig minder dan een economische chaos. De inflatie liep op tot astronomische hoogten, de productie daalde, de toelevering van producten naar de verbruiker liep in het honderd; klassieke import- en exportstromen kwamen tot stilstand. Wat in de plaats kwam was soms van heel verdacht allooi. In min of meerdere mate doorliepen alle landen een zelfde overgangsfase van plan naar markt. In Polen was de pijn kort maar hevig, in andere landen was de overgang geleidelijker maar duurde daardoor langer. In alle landen daalde in de eerste jaren na de hervormingen de productie met 20-30 procent.

Rond het midden van de jaren negentig begon het tij te keren. Talloze kleine en middelgrote ondernemingen namen de productie van de aftandse staatsmonopolies over, de productie werd concurrentieel, de export steeg, de munt werd gestabiliseerd. Er blijven nog een aantal harde noten te kraken, zoals bijvoorbeeld de hervorming van de oude staatsbedrijven waar men geen kant mee opkan maar die tienduizenden mensen werk verschaffen. Toch lijkt op dit ogenblik de belangrijkste inspanning geleverd te zijn en beginnen de nieuwe structuren hun vruchten af te werpen. Sinds het midden van de jaren negentig zijn de groeivoeten in de Centraal-Europese landen gemiddeld ongeveer het dubbele van wat in de EU gehaald wordt ( 4 procent per jaar t.o.v. 2 procent); De inflatie lijkt – op één enkele uitzondering na – onder controle (10 procent), het deficit op de handelsbalans stabiliseert zich (rond de 5 procent van het binnenlands product) en het deficit op de overheidsbegroting ligt rond de 3 procent, d.w.z. dicht bij de EU-normen.

Dat positieve beeld moet echter genuanceerd worden: de economische hervorming is gedeeltelijk gerealiseerd ten koste van sociale welvaart. De bevolking kreeg een harde klap van de ‘onzichtbare hand’ die verondersteld wordt de markteconomie tot evenwicht en groei te leiden.

De schok van de welvaartsvermindering kwam hard aan in landen waar gedurende vijftig jaar het belang van de collectiviteit en het sociale welzijn in het beleid centraal hadden gestaan. Zo werden arbeiders en bedienden plots geconfronteerd met werkloosheid in een situatie waar werk tot dan toe een recht en een plicht was. Bovendien stegen de vrijgemaakte prijzen veel sneller dan het arbeidsinkomen. Hoewel het aanbod -eigenlijk de keuze- in de winkels op korte tijd enorm was toegenomen, kon de consument zich heel wat minder veroorloven. De werkloosheid bereikte in sommige landen 15 tot 20 procent. In de tweede plaats verminderde de welvaart door het liquideren of drastisch terugschroeven van de sociale voorzieningen. Werkloosheidsvergoeding bestond niet of was erg onvoldoende, gratis ziekenzorg werd afgeschaft, gepensioneerden geraakten in de knel omdat hun pensioen het ritme van de inflatie niet volgde. In het algemeen worden inkomens- en vermogensverdeling –die ondanks de voordelen van de nomenklatura behoorlijk egalitair waren– snel zeer ongelijk. De nieuwe situatie stond in scherp contrast met de betuttelende maar verzorgende socialistische welvaartsstaat die de bevolking gedurende 45 jaar van haar materiële zorgen had verlost – en van haar eigen verantwoordelijkheid had beroofd.

Ondertussen zijn de scherpe kanten wat afgerond. Zo is bijvoorbeeld de werkloosheid, die een hoogtepunt bereikte rond 1995, sindsdien gedaald (hoewel in 2000 in enkele landen weer een stijging op te merken valt), en zijn ondertussen de lonen gestegen, maar is de inkomensongelijkheid zeker niet afgenomen. De Human Development Index van de Verenigde Naties geeft geen eenduidig beeld voor de Centraal-Europese landen: de helft van de kandidaat-landen (Polen, Hongarije, Slowakije, Tsjechische Republiek en Slovenië) gaan er in de periode 1990-1999 op vooruit; de andere landen (Estland, Letland, Litouwen, Bulgarije, Roemenië) gaan erop achteruit. Dit is een complex probleem en na een decennium van ingrijpende economische hervormingen is het noodzakelijk –met het oog op het behoud van de sociale cohesie en de consensus rond het te voeren beleid– dat de overheid een actief arbeidsmarktbeleid lanceert en maatregelen treft om de sociale voorzieningen te verbeteren.

De toenadering tot de EU

Na 1990 keerden de Centraal-Europese landen hun vroegere meester de rug toe. Ze doorbraken de politieke en economische afhankelijkheid die hen gedurende 45 jaar of meer aan Moskou had gebonden. Bovendien werden de economische relaties tussen de Comeconpartners sterk teruggeschroefd. De breuk met het verleden was zo volledig dat zelfs op dit ogenblik onderlinge samenwerking tussen de Centraal-Europese landen slechts moeilijk op gang komt. Het onderlinge wantrouwen is groot. Alle blikken zijn gericht op het westen, in het bijzonder West-Europa en de Europese Unie. Het is alsof de landen ervan uitgaan dat samenwerking met de buren de eigen toenadering tot de EU zal vertragen.

De externe economische relaties van de Centraal-Europese landen ondergingen ook een fundamentele wijziging. In het Comeconverband verliep de import en export hoofdzakelijk (meer dan 50 procent) tussen de leden onderling. De EU was slechts een marginale handelspartner van de Centraal-Europese landen. Na 1990 veranderde deze situatie zeer snel. De handelsrelaties tussen ex-Comeconleden daalden tot minder dan 10 procent. Handelsrelaties met de Europese Unie zijn goed voor ongeveer twee derde van export en import van de Centraal-Europese landen.

Hetzelfde geldt voor de buitenlandse investeringen. Na een aanvankelijke aarzeling in het begin van de jaren 90, komt de kapitaalstroom naar Centraal-Europa snel op gang (sommigen zeggen: ten nadele van de kapitaalverstrekking aan de Derde Wereld). Het gaat om leningen van ontwikkelingsbanken (Europese Investeringsbank, Europese Bank voor Heropbouw en Ontwikkeling en in mindere mate de Wereldbank), commerciële bankleningen, portefeuille- investeringen en in toenemende mate directe investeringen. Sommige landen zijn populairder dan andere, maar grosso modo ligt het percentage van directe buitenlandse investeringen in het binnenlands product rond de 5 procent, d.w.z. ongeveer een vijfde van de totale bruto investeringen of een derde van de netto investeringen. De EU is goed voor meer dan twee derde van deze kapitaalstroom. De investeringen beogen zowel productie voor de lokale markt als productie voor export.

Allerlei vormen van wetenschappelijke, economische en culturele samenwerking –al dan niet gesteund door EU fondsen– ontwikkelen zich, maar misschien trager dan sommigen (zeker in Centraal-Europa) verhopen. Om de groeiende samenwerking tussen de Centraal-Europese landen en de EU een juridische basis te geven worden in ‘89-‘90 een aantal samenwerkingsakkoorden afgesloten, voornamelijk gericht op handelsliberalisatie. Die worden op hun beurt snel vervangen door Associatieakkoorden (de zogenaamde ‘Europa-overeenkomsten’) met een ruimere politieke doelstelling.

De akkoorden hinken echter de politieke realiteit achterna. In Centraal-Europa is de wil om een snelle toetreding tot de EU te realiseren zeer sterk aanwezig, zowel in de publieke opinie als bij de politieke leiders. In 1993 zet de EU dan het licht op groen door formeel te erkennen dat toetreding het uiteindelijke doel van de Associatie is. De lidstaten van de Unie zijn echter minder enthousiast dan de regeringen van de centraal Europese landen om daar haast achter te zetten. De Unie gaat ervan uit dat nog heel wat werk moet worden geleverd voor de landen klaar zijn voor toetreding. Het duurt dan ook tot 1998 vooraleer de toetredingsonderhandelingen met 6 landen (Polen, Hongarije, Tsjechische Republiek, Estland, Slovenië -plus Cyprus) geopend worden. De landen die uit deze eerste groep zijn uitgesloten (Slowakije, Letland, Litouwen, Bulgarije, Roemenië) laten duidelijk hun ongenoegen blijken en verdubbelen hun inspanningen om te beantwoorden aan de normen die de Unie stelt. Hun inspanningen worden beloond en in 2000 beginnen met hen –en met Malta- de onderhandelingen.

Toetreding vereist ook dat de kandidaat-landen de richtlijnen en verordeningen van de EU (het zogenaamde ‘acquis communautaire’) in hun nationale wetgeving invoeren. De toetredingsonderhandelingen slaan enkel op overgangstermijnen, d.w.z. de tijd die nodig is om de bepaalde maatregelen door te voeren.

Het gaat hier in de eerste plaats om de economische wetgeving die het functioneren van de interne markt mogelijk maakt: het vrije verkeer van goederen, diensten, personen en kapitaal en ook de reglementeringen die vrije concurrentie moeten garanderen. In de tweede plaats moeten de richtlijnen en verordeningen over milieu, sociale zaken enz ingevoerd worden. Dat invoeren van het ‘acquis communautaire’ vormt de juridische onderbouw voor een grotere Unie waarin bovenvermelde handels- en kapitaalstromen zich verder kunnen ontwikkelen.

Kosten en baten van de toetreding

In de EU en in Centraal-Europa bestaan diametraal tegengestelde inschattingen van de perspectieven tot toetreding. In de EU vrezen zowel beleidsmensen als publieke opinie dat het een onbetaalbaar avontuur wordt. De kosten zouden bestaan uit enerzijds bijdragen uit de EU-begroting en anderzijds uit verlies van arbeidsplaatsen door delokalisatie. In de Centraal-Europese kandidaat-landen heerst de overtuiging dat de toetreding de verhoopte welstand met zich mee zal brengen, zowel door de begrotingstransfer als door de toegenomen exportmogelijkheden.

Zowel de ene als de andere inschatting is fout, zoals zelfs een oppervlakkige analyse van de belangrijkste tendensen van de afgelopen tien jaar aangeeft. In de eerste plaats slaagden de agressieve en competitieve EU-bedrijven erin een groot deel van de markt in de Centraal-Europese landen in te palmen. De vrees die bestond, bijvoorbeeld in EU-landbouwkringen, dat de producten uit de lageloonlanden de EU-markt zouden overspoelen, is ongegrond gebleken. Aspecten zoals productiviteit van de arbeid en kwaliteit van het product spelen een rol. Het is waarschijnlijk dat in een eerste fase die tendens voortrgezet wordt. In de tweede plaats heeft de hervorming in de Centraal-Europese landen zijn economische vruchten afgeworpen. Niet-competitieve bedrijven zijn gesloten; nieuwe, vooral kleine en middelgrote, ondernemingen zijn tot stand gekomen en een lokale kapitaalmarkt is in ontwikkeling. Bovendien hebben kapitaalstromen uit het Westen, in het bijzonder de directe buitenlandse investeringen, bijgedragen tot het moderniseren van de grotere bedrijven en van de economische infrastructuur.

Na de toetreding zal de transfer uit de EU-begroting (Structuurfondsen) de groei en de sociaal-economische cohesie verder versterken. Transfers vanuit de EU-begroting kunnen tot 4 procent van het binnenlands product van de kandidaat-landen bedragen. Omgerekend naar de EU- begroting betekent dat echter niet meer dan een zesde van de huidige begroting of ongeveer 0,2 procent van het binnenlands product van de EU.

Relatief onbelangrijk voor de belastingbetaler in de EU, zijn deze transfers van levensbelang voor de evenwichtige ontwikkeling van Centraal Europa . Ze maken het mogelijk, zonder tekort op de eigen begroting, de investeringen te verhogen en het sociale beleid bij te sturen. Dit soort van transfers langs de EU-Structuurfondsen hebben in de EU bewezen dat ze de ‘sociaal-economische cohesie’ kunnen bevorderen, d.w.z. dat ze de kloof tussen armere en rijkere landen van de EU kunnen helpen dichten.

De stijgende productiviteit maakt de bedrijven van de kandidaat-landen meer concurrentieel, verbetert hun positie op de markt en laat hen toe hun handelsbalans in evenwicht te brengen. Naarmate hun binnenlands product en hun product per hoofd toeneemt, zal ook de absolute en relatieve netto bijdrage vanuit de Structuurfondsen verminderen.

Enkele hete hangijzers voor de huidige EU:

delokalisatie: alle empirische studies wijzen erop dat delocalisatie naar Centraal-Europa geen dramatische vormen aanneemt. De impact van de opening van de economische betrekkingen met Centraal-Europa op de arbeidsmarkt is duidelijk positief voor de EU: er worden meer banen gecreëerd door de exportstijging vanuit de EU dan er verloren gaan door toename van import of delokalisatie. De productiviteit van de arbeid in de kandidaat-landen ligt behoorlijk lager dan in de EU en de arbeidskost stijgt relatief snel.
migratie: in de EU bestaat de vrees dat bij toetreding en toepassing van het principe van ‘vrij verkeer van personen’ een toevloed van inwijkelingen de huidige EU zal overspoelen. Dit argument wordt gebruikt om een lange overgangsperiode te bepleiten alvorens het vrij verkeer van personen te introduceren. Deze redenering is bij elke toetreding gehoord en de catastrofes zijn telkens uitgebleven. Zij die van plan zijn om te migreren hebben die stap al gezet voor de toetreding. Alles bij elkaar is het gevaar voor braindrain groter voor de kandidaat-landen dan voor de huidige lidstaten: door erkenning van diploma’s wordt het voor hooggeschoolden uit de kandidaat-landen mogelijk om een goedbetaalde job te vinden in de huidige EU, vooral in die sectoren waar ook in de EU tekorten bestaan op de arbeidsmarkt.
Enkele hete hangijzers voor de kandidaat-landen

In de eerste plaats zijn regeringen zowel als publieke opinie in die landen vragende partij. Zij bepleiten wel voor een aantal domeinen overgangsperiodes, in het bijzonder in de milieusector. Het invoeren van de EU-wetgeving vergt in die domeinen een enorme investering die niet op korte termijn kan worden opgebracht. Ook hier zijn de transfers vanuit de EU-begroting van levensbelang.
De vrees bestaat dat de EU een aantal beperkende voorwaarden zal opleggen zodat de nieuwe lidstaten een soort van tweederangs lidstaten zullen worden met minder rechten maar evenveel plichten als de huidige lidstaten (geen directe betalingen in de graansector, geen vrij verkeer van personen etc.)
Bovenal bestaat de vrees dat de EU niet echt in een ruimere Unie geïnteresseerd is en de toetreding op de lange baan wil schuiven. Daardoor zouden de kandidaat-landen in een situatie verkeren waarin ze alle aspecten van lidmaatschap hebben ingevoerd (vrij verkeer van goederen, toepassing van de gemeenschapswetgeving etc.) maar waarin hen –omdat ze geen lid zijn– het voordeel van budgettaire transfers wordt ontzegd en waarin ze ook niet aan het beslissingsproces binnen de EU kunnen deelnemen. Dit argument ‘lidmaatschap levert EU enkel kosten en geen bijkomende voordelen op’ wordt soms in EU politieke of economische milieus gehoord.
Samengevat: in een eerste fase profiteren de EU-bedrijven van de toetreding. De kost die dat voor de Centraal-Europese landen met zich meebrengt wordt gedeeltelijk gecompenseerd door kapitaaltransfers (onder andere uit de EU-begroting). Op middellange termijn komt er een evenwicht tot stand zowel voor de kosten en baten van de bedrijven als voor de kosten en baten ten laste van de begroting.

Conclusie

De evolutie zoals ze zich de afgelopen tien jaar in Centraal-Europa heeft voorgedaan stemt optimistisch. De invoering van de parlementaire democratie is een succes; de economische hervormingen hebben resultaten opgeleverd, hoewel er op sociaal vlak moet bijgestuurd worden. Toetreding op economisch en politiek vlak is een win-win strategie die zowel de EU als de Centraal-Europese landen zal ten goede komen.

Die toetreding is een prioriteit voor de regeringen en de publieke opinie in de landen van Centraal-Europa. Toetreding zal die landen toelaten de economische hervormingen te consolideren en, door de bijkomende financiële steun, de ontwikkeling te versnellen en de welvaartskloof met de huidige lidstaten te dichten.

In de huidige EU is de publieke opinie niet zo geïnteresseerd in toetreding: minder dan 30 procent van de bevolking in de lidstaten beschouwt toetreding als een prioriteit. Ook in bepaalde economische milieus ziet men het nut van toetreding niet zo direct in: de huidige situatie komt neer op ‘lusten zonder lasten’: de EU-bedrijven hebben reeds in ruime mate toegang tot de markt van de Centraal-Europese landen, toetreding zou enkel bijkomende kosten met zich meebrengen. Spijtig genoeg laten sommige politici hun beleid meer bepalen door de opiniepeilingen dan door politieke analyses.

De nabije toekomst zal uitwijzen of politici ‘leiders’ of ‘volgers’ zijn, of ze in staat zullen zijn hun verantwoordelijkheid op zich te nemen en de wallen van ‘fortress Europe’ te slopen om samen met de Centraal-Europese landen aan een (Europese) toekomst te bouwen.

Marc Franco werkt op de Europese Commissie. In het verleden was hij bevoegd voor ontwikkelingssamenwerking en betrekkingen met Centraal-Europese landen. Momenteel is hij verbonden aan het Directoraat Generaal voor Regionaal Beleid. (1)

Suggesties voor verdere lectuur en referentie:

BIDELEUX R. and JEFFRIES, I., A History of Eastern Europe, Routledge, London and New York, 1998.

TANG H. (ed.), Winners and Losers of EU Integration, The World Bank, Washington, 2000

UNDP, Human Development Report 2000, New York, 2000.

EBRD, Transition Report 1999, London, 1999.

EUROSTAT, Statistical Yearbook on candidate and South-East European Countries, European Commission, 2000.

EUROPEAN COMMISSION, Economic Reform Monitor, May 2000.
(http://europa.eu.int/comm/economy_finance/document/eesuppc/2000).

Noot

1. Dit artikel vertolkt de persoonlijke opinie van de auteur. Het geeft niet het standpunt weer van de Europese Commissie of de andere Europese instellingen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift