China-enquête bij Vlamingen en bedrijfsleiders

Het aantal boeken, rapporten en reportages over het nieuwe China is amper te tellen en er gaat geen dag voorbij of het Rijk van het Midden wordt wel ergens de supermacht van de toekomst genoemd. MO* wou weten hoe Vlamingen denken over de Chinese economische opgang. We bevroegen tegelijk de Vlaamse bedrijfsleiders. De houding tegenover China zegt veel over het draagvlak dat in ons land bestaat voor de mondialisering.
Hoe goed kennen wij China? 62 procent van de Vlamingen en 73 procent van onze bedrijfsleiders weet alvast dat China zo’n 1,3 miljard inwoners telt. Heel wat moeilijker heeft de Vlaming het als hij de economische realiteit van China moet inschatten. Slechts een vijfde van de Vlamingen beseft dat nog altijd tussen de 61 procent en 80 procent van de Chinese bevolking van de landbouw leeft. Opnieuw scoren de bedrijfsleiders met 40 procent juiste antwoorden beter dan de doorsnee Vlaming.
Het moeilijkst hebben we het om een correcte inschatting te maken van het huidige Chinese gewicht in de wereldeconomie. Slechts 3 procent van de Vlamingen weet dat de Chinezen voorlopig nog maar goed zijn voor ongeveer 5 procent van de wereldeconomie. Bedrijfsleiders doen het met 16 procent ook hier beter. 44 procent van de Vlamingen neemt aan dat het Middenrijk nu al goed is voor ongeveer 20 procent van de wereldproductie -een aandeel dat ongeveer in verhouding staat tot het Chinese aandeel in de wereldbevolking. Die overschatting is een van de zaken die de Chinese ambassadeur in België, Zhang Qiyue, opvalt. &
#39;De Belgen denken teveel dat China al een grootmacht is. Het klopt dat China zich snel ontwikkelt, maar we vertrokken van een lage basis. Het inkomen per hoofd bedraagt maar een twintigste van dat in België. We zijn nog altijd een ontwikkelingsland. Er is nog een lange weg te gaan. We werken zo hard om de Chinezen een beter leven te bezorgen, niet om de rijstkom van de rest van de wereld te bedreigen.’

China? Ja, maar…


De meeste stellingen die we voorlegden aan Vlamingen en bedrijfsleiders hebben te maken met de economische impact van China en hoe we daar het beste mee omgaan. Er zijn twee uitspraken waar Vlamingen én bedrijfsleiders zeer sterk mee akkoord gaan. 78 procent van de Vlamingen en 83 procent van de Vlaamse bedrijfsleiders vindt dat onze overheden moeten eisen dat Chinese producenten minimale sociale normen respecteren als ze hun producten op onze markten willen aanbieden. En 79 procent van de Vlamingen en 90 procent van de bedrijfsleiders vinden het goed dat we regelmatig met handelsmissies naar China trekken om er onze bedrijven aan te prijzen. Afgevaardigd bestuurder Rudi Thomaes van het Verbond van Belgische Ondernemingen licht toe: ‘China was in de jaren tachtig niet relevant voor kmo’s.
Vandaag kan je nauwelijks nog sectoren bedenken waarin China geen rol speelt. Voor talloze bedrijfsleiders is China een must geworden, maar betrouwbare en invloedrijke contacten vinden in een land waar hiërarchie prominent is, is een hele klus. Missies, vooral als ze geleid worden door Prins Filip, openen deuren die anders gesloten blijven. Ondernemingen weten dat te waarderen.’ Thomaes’ woorden worden onderstreept door de vaststelling dat 44 procent van de ondervraagde bedrijfsleiders professionele banden heeft met China, hetzij via de invoer (25 procent), de uitvoer (13 procent), of omdat ze tot dezelfde multinational behoren als een Chinees bedrijf (16 procent), of een andere reden (8 procent).
Die twee meest gedragen stellingen lijken erop te wijzen dat er in Vlaanderen een voorwaardelijk draagvlak is voor een sterke economische relatie met China -als er een sociale bodem in die relatie zit. Dat het draagvlak voorwaardelijk is, blijkt ook uit het feit dat liefst 38 procent van de Vlamingen meent dat we enkel nadelen ondervinden van de Chinese economische groei. Gepensioneerden, zelfstandigen en arbeiders zeggen dit meer dan het gemiddelde, terwijl kaderleden, bedienden en studenten duidelijk vinden dat er ook voordelen verbonden zijn aan de Chinese economische groei. Dat vinden de bedrijfsleiders zeker: slechts 22 procent vindt dat er enkel nadelen aan die groei vasthangen, tegen 67 procent die deze stelling verwerpt.
Ook ACV-voorzitter Luc Cortebeeck nuanceert: ‘Ik ben niet zo’n angsthaas. De Chinese groei heeft niet alleen maar nadelen, want het vergroot ook onze markt.’ Rudi Thomaes, afgevaardigd bestuurder van het VBO, ziet andere voordelen: ‘Je kleedt het hele gezin voor een fractie van de kost van vroeger, goede en spotgoedkope audio-visuele apparatuur en PC’s uit China vind je in alle huiskamers. Bovendien hoeven niet alle industriejobs te verdwijnen in België, als we het juiste beleid voeren.’
Dat heel wat Vlamingen niet enkel nadelen in de Chinese omwenteling zien, blijkt ook uit het feit dat iets meer dan de helft van de Vlamingen en bedrijfsleiders gelooft in de complementariteit van die relatie: “zij” maken de arbeidsintensieve producten, “wij” zorgen voor innovatie. Al valt wel op dat hoger geschoolden meer achter die visie staan dan mensen die enkel lager onderwijs of lager secundair onderwijs hebben genoten. Rudi Thomaes: ‘China neemt geen vrede met de rol van fabrikant en zal net als Zuid-Korea wereldklasse halen in productontwikkeling. Sommige economische hotspots in China zijn nu al minder competitief voor louter fabricage.’

Zakken is geen vooruitgang


Er bestaan in Vlaanderen verschillende visies op de sociale gevolgen van die relatie met China. Gemiddeld 30 procent van de Vlamingen vindt dat onze lonen en arbeidsvoorwaarden omlaag moeten om met China te kunnen concurreren maar er zijn grote verschillen tussen de verschillende sociale groepen. 46 procent van de zelfstandigen, 37 procent van de gepensioneerden en 31 procent van de kaderleden is die mening toegedaan. Bij bedienden is het al maar 25 procent meer en bij de arbeiders nog slechts 13 procent. Van de Vlaamse bedrijfsleiders is dan weer 49 procent de mening toegedaan dat de lonen wel degelijk zullen moeten dalen. Hier bestaat dus duidelijk een spanningsveld, een verschil van mening tussen bedrijfsleiders en arbeiders.
De discussie over de lonen is een van de kerndebatten die in de toekomst onze relatie met China en meer algemeen met de mondialisering, zal bepalen.
Karel Van Miert, voormalig eurocommissaris en ex-SP-voorzitter, vindt het geen goed idee om de lonen te verlagen. ‘Eventueel kunnen we tijdelijk de lonen matigen of langer werken voor hetzelfde loon in sectoren waar de concurrentiedruk erg groot is. Duitsland deed dat en is ondertussen weer wereldrecordhouder inzake export. Zo erg is het dus niet gesteld met onze competitiviteit. Met loonverlaging schiet je jezelf in de voet. De inkomens moeten meegroeien met de economie - anders droogt de consumptie hier op- en daarnaast moeten we zoveel mogelijk investeren in onderzoek en ontwikkeling.’ Ook Rudi Thomaes pleit voor loonmatiging in combinatie met innovatie. ‘Duitsland heeft dit begrepen en plukt daar de vruchten van. Belgische vakbonden vechten liever voor het financieel gewin op korte termijn dan voor jobs.’ Luc Cortebeeck wijst erop dat de loonmatiging volop bezig is. ‘Het aandeel van de loonmassa in het nationaal inkomen loopt in de meeste rijke landen terug.’
De Bank voor Internationale Betalingen bevestigde onlangs dat het aandeel van de lonen in het Bruto Nationaal Product van de G10 (België, Canada, Frankrijk, Duitsland, Italië, Japan, Nederland, Zweden, Zwitserland, VK en VS) op het laagste niveau in decennia zit. In de VS dalen de reële lonen, in Duitsland en Japan zijn ze hoogstens stabiel. Ook in België blijkt de laatste jaren een groter deel van de welvaartsgroei naar de bedrijven te gaan. Karel Van Miert wijst op de gevaren: ‘Men snapt niet wat er bezig is. Er zijn hoge lonen die bijna automatisch blijven doorstijgen. Daartegenover staan lage en zeer lage lonen voor lagergeschoolde mensen. Wie kan daarvan leven? Als de globalisering bepaalde mensen al te lage lonen geeft, moet de staat tussenkomen om die inkomens op peil te houden via belastingingrepen of andere methodes. We mogen ons solidair systeem niet opgeven.’ In die optiek wordt een goede sociale zekerheid een voorwaarde om de steun voor globalisering overeind te houden.
Beseffen we dat de mondialisering onze samenleving stilletjes dreigt te veranderen? En wordt het debat daarover in Vlaanderen eigenlijk wel voldoende gevoerd? Van Miert: ‘Het debat is nu veel te zwartwit. De andersglobalisten zien alleen nadelen, anderen alleen voordelen. Je moet feitelijk praten. Globalisering biedt kansen voor China, India, Zuid-Afrika of Brazilië, maar ons model en de inkomens voor laaggeschoolde arbeid staan onder druk. We moeten de twee kanten erkennen. Ik heb de indruk dat dit in de MO*enquête ook wel gebeurt. ’ Luc Cortebeeck gelooft dat de toon inzake globalisering in sommige internationale instellingen aan het keren is. ‘In de OESO hoor je tegenwoordig ook al spreken over de noodzaak van een andere globalisering die voor iedereen voordelen moet hebben’.

De EU moet zijn rol spelen


Dat China minimale sociale normen moet eerbiedigen als het hier producten verkoopt, een stelling waar vier vijfde van de Vlamingen achterstaat, vindt ook Professor Song Xinning van de school voor Internationale Studies, aan de Renmin Universiteit in Peking redelijk. ‘Dit is in China zelf ook een thema. De lage sociale bescherming schept sociale problemen bij ons en is slecht voor ons imago in het buitenland. Eigenlijk zou het al volstaan dat de Chinese sociale wetten worden toegepast, want die zijn goed.’
Europa heeft de eis voor sociale minimumnormen in het verleden nooit hard verdedigd. Zo bleek uit een recent doctoraat dat de EU zelfs geen eensgezind standpunt had toen binnen de Wereldhandelsorganisatie werd gepraat over de invoering van zulke minimale sociale normen. Karel Van Miert: ‘Dat klopt. Mensen zoals de Britse Eurocommissaris Brittan vonden dat je handelsbetrekkingen niet mag vervuilen met sociale en ecologische aspecten. Ikzelf vond dat dit wel moest. Die verdeeldheid zorgde ervoor dat Europa minder op de debatten in de WTO kon wegen.’
Van Miert vindt dat de EU meer kan doen. ‘Het kan toch niet dat multinationale ondernemingen tegenwerken als de Chinese overheid wil dat vakbonden een grote rol spelen of dat mensen minder makkelijker kunnen worden ontslagen [zie MO*38]. In de ondernemingen waar ik de raad van bestuur zit, zeg ik dat ook. De EU zou dat luider mogen zeggen tegen de Europese ondernemingen.’ Ook ABVV-voorzitter Rudy De Leeuw benadrukt de noodzaak van een duidelijker Europees standpunt: ‘Westerse bedrijfsleiders die in China investeren zouden zich er minstens moeten toe engageren de minimale sociale normen na te leven, inbegrepen het recht op autonome, democratische en representatieve vakbonden.’
Minister van Buitenlandse Zaken Karel De Gucht wil dit niet te hard spelen: ‘Sommige mensen willen inderdaad sociale normen opleggen als voorwaarde voor economische samenwerking. Anderen geloven juist dat het aangaan van economische relaties de sociale omstandigheden in die landen kan verbeteren. Ik behoor eerder tot die tweede groep. Dankzij de enorme economische groei in China zijn miljoenen mensen uit de armoede gelicht. De groei van de economie en van de welvaart in China brengen ook wel in toenemende mate spanningen en conflicten teweeg. Dat is onder meer het gevolg van het feit dat mensen meer kansen zien en dus ook mondiger worden in het opeisen van die kansen voor zichzelf, maar ook van het feit dat de ongelijkheid sterk toeneemt. Als we de discussie met China willen aangaan over sociale normen, dan moeten we dat doen op het niveau van de relatie China - EU, niet vanuit een individuele lidstaat.’
Ook Rudi Thomaes vindt dat dit debat op Europees niveau gevoerd moet worden. Luc Cortebeeck waarschuwt dat dit voor België geen vrijgeleide mag zijn om dan maar niks te doen. ‘Wij zullen in ons memorandum voor de volgende regering een luik plaatsen over de rol die België moet spelen in de verschillende internationale organisaties: er moet een duidelijke en transparante lijn komen in de verschillende instellingen, zodat België niet langer in het Internationaal Munt Fonds het omgekeerde verdedigt van wat het voorstaat in de Internationale ArbeidsOrganisatie.’

Ondraaglijk voor de aarde


Een belangrijke groep Vlamingen is zich ook bewust van de ecologische gevolgen van de Chinese opgang. Meer dan de helft van alle Vlamingen (51 procent) vindt dat ‘als alle Chinezen gaan consumeren zoals wij, de aarde dat niet kan dragen.’ Van de bedrijfsleiders gaat exact de helft akkoord met deze stelling, waarin blijkbaar vooral hoger geschoolden zich kunnen vinden. Ongeveer een derde van de twee bevraagde groepen gaat niet akkoord gaat met de stelling.
Professor Song Xinning: ‘Heel weinig mensen ambiëren momenteel een levensstandaard zoals in Europa. Er is alleen een zeer kleine groep die nu al die levenstandaard heeft. Veel mensen beseffen zelfs nu al dat China een zeer grote bevolking heeft en dat dit wellicht grenzen stelt aan onze groei. Dat sluit aan bij het traditionele Chinese begrip van Xiao Kang, klein geluk. De Chinezen sparen overigens enorm veel omdat er geen sociale zekerheid is. In het nieuwe kernbegrip “harmonieuze samenleving” van partijleider Hu Jintao steekt ook het idee van harmonie met de natuur. We aanvaarden dat er zeer ernstige milieumaatregelen nodig zullen zijn.’
Sze Ping, directeur van Greenpeace China, vindt dat dit aangeeft dat de Belgen zich bewust zijn van hun ecologische voetafdruk en de kwaliteit hebben om echte wereldburgers te worden. ‘Belgen en inwoners van andere rijke landen, mezelf als inwoner van Hongkong inbegrepen, zullen veel minder moeten verbruiken. Het is mogelijk onze levensstijl te behouden met een veel kleinere ecologische voetafdruk. De miljoenen arme Chinezen en Indiërs zullen een beetje meer moeten verbruiken dan nu om hun levenskwaliteit te verbeteren, maar ze kunnen zeker niet consumeren zoals de Europeanen nu. We hebben immers geen vijf planeten. De boodschap aan Indiërs en Chinezen is niet dat ze arm moeten blijven, maar dat het milieubeslag van de rijken drastisch moet verminderen zodat iedereen van de huidige en toekomstige generaties gelijke toegang tot de natuurlijke middelen kan hebben.’
Bruno Tobback is minder optimistisch dan Lo Sze Ping. ‘De Belgen wéten dat ze op te grote voet leven, dat hebben we nog vastgesteld, het probleem is dat bijna niemand daar effectief naar handelt. Nochtans is een groot deel van de vervuiling het gevolg van individuele keuzes. Maar als wij niet veel doen, hoe kan ik dan met enig gezag tegen de Chinezen gaan zeggen dat ze hun uitstoot moeten beperken? Als wij er niet in slagen onze economie minder belastend te maken, hoe kunnen we dat dan van de Chinezen vragen?’
De burger speelt uiteraard een rol, maar ook de overheid kan aan de kar trekken. Gebeurt dat genoeg? Is het niet zinvoller dat politici oproepen om in België écht groene wagens te ontwikkelen in plaats van de Olympische Spelen naar hier te halen? Tobback: ‘Akkoord met dat laatste. En ik erken dat we te traag reageren. Maar zoveel slechter dan andere landen doen we het nu ook weer niet. Alleen slagen we er door de regionalisering niet in onze acties te vertalen in een wervende boodschap.’

Supermacht


Heel wat Vlamingen zijn ervan overtuigd dat de economische ontwikkeling van een land dat een vijfde van alle mensen herbergt, ook politieke gevolgen zal hebben. 35 procent van de Vlamingen gelooft dat China nog deze eeuw de rol van supermacht zal overnemen van de Verenigde Staten. 44 procent is het daar niet mee eens. Bij de bedrijfsleiders gelooft bijna de helft (44 procent) dat China het zo snel van de VS zal overnemen. Over het algemeen geloven hoger geschoolde mensen meer in deze stelling dan lager geschoolde mensen.
Xinning: ‘We hebben een nogal dubbelzinnige positie tegenover de VS. We houden niet van het Amerikaanse beleid, wel van Amerika. Vergeet niet dat de VS in het Chinees Meiguo heten, Mooi Land. In 1999 toen de Chinese ambassade in Belgrado werd gebombardeerd, gingen de studenten de VS-ambassade met stenen bekogelen, een week later keerden ze er terug om visa aan te vragen! Wij zien onszelf niet als de nieuwe supermacht. China zou eigenlijk graag, zoals Europa dat heeft gedaan na de tweede wereldoorlog, de kosten voor zijn veiligheid op anderen afwentelen en al zijn energie besteden aan zijn economische ontwikkeling. Samen met de EU pleiten we voor een sterk multilateralisme met regels die voor iedereen gelden.’
Jonathan Holslag, onderzoeker aan de VUB, gelooft niet dat China in deze eeuw de positie van de VS kan overnemen. ‘Zowel politiek, militair als economisch acht ik dit uitgesloten. We verwachten binnen de twintig jaar een heroriëntering van buitenlandse investeringen in de richting van India en Viëtnam. Dat zal de economische groei en de technologische vooruitgang in China afremmen. Wat op zijn beurt gevolgen zal hebben voor de tewerkstelling en dus de interne stabiliteit van het land. Politiek zie ik China botsen op grote weerstanden in Azië. Kijk maar hoe Japan en Rusland nu al reageren op de Chinese opgang.’ Holslag wijst er tenslotte op dat het defensiebudget van China veel kleiner is dan dat van de VS. ‘Ze blijven voor hun heruitrusting sterk afhankelijk van Rusland. In vergelijking met India doen ze eigenlijk relatief weinig aan herbewapening.’
Coolsaet, professor internationale politiek, plaatst de MO*enquête in een internationale context: ‘Uit internationaal opinie-onderzoek blijkt dat de VS China vooral als een militaire bedreiging zien, terwijl de Europeanen zich eerder economisch bedreigd voelen. Dit onderzoek bevestigt dat.’ Coolsaet verwacht dat China zeker een regionale grootmacht wordt. ‘Eigenlijk is het nu al het epicentrum van de Aziatische politiek. Het is voor mij evenwel geen uitgemaakte zaak dat het land ook een supermacht wordt. Voorwaarde is dat China voldoende interne stabiliteit weet te behouden om die rol op zich te nemen.’ Coolsaet ziet na het relatieve afglijden van de VS eerder een multipolaire wereld ontstaan met vier grootmachten: de VS, de EU, Rusland en China.
‘Dat wordt geen kopie van het 19de eeuwse machtsdenken omdat anderhalve grootmacht -de EU en China- sterke internationale instellingen willen met regels die voor alle landen gelden. We moeten de Chinezen zoveel mogelijk op hun woord nemen en er een bondgenoot van maken in onze strijd voor een multilaterale wereld.’

HET GROTE GEWICHT VAN VIJF PROCENT

Het relatief kleine aandeel van China in de wereldeconomie belet niet dat het ons leven meer en meer beïnvloedt. Als de inflatie erg laag is gebleven ondanks de sterk oplopende olieprijzen, heeft dat te maken met de groeiende invoer van goedkope producten uit China (en andere opkomende landen) die de hogere olieprijzen compenseert. Dat China ondanks zijn bescheiden aandeel in de wereldproductie dergelijke impact heeft, ligt aan het feit dat het een zeer groot deel van zijn productie uitvoert.

Volgens Gust Geeraerts, professor internationale economie aan de VUB, exporteert het land 70 procent van zijn industriële productie. De blijvend lage inflatie verklaart dan weer ten dele waarom onze centrale banken de rente zo laag houden. Ze vrezen immers dat een hogere rente de vraag zou afremmen, waardoor de prijzen zouden beginnen dalen. De negatieve ervaringen met deflatie in de jaren dertig zorgen ervoor dat men dit ten allen prijze wil voorkomen, met name door het geld en het krediet heel goedkoop te houden en zo de vraag aan te wakkeren. Dat goedkope krediet veroorzaakt op zijn beurt een stijging van de woningprijzen op allerlei plaatsen in de wereld.

Het krediet bleef ook goedkoop omdat een aantal opkomende landen, weer in de eerste plaats China, bereid zijn hun reserves te lenen aan de rijke landen, in de eerste plaats de VS. Die bereidheid om de kooplust van de Amerikanen te financieren heeft volgens studies de rente in de VS tot 2 procent lager gemaakt. China beïnvloedt dus de prijzen die we betalen voor consumptiegoederen, woningen en geld. De impact op de prijs van onze arbeid, de lonen, gaat de andere richting uit.


LAGE LONEN ONDER DRUK

De mondialisering verdubbelde, door de integratie van China en India, het aantal werkers in de wereldeconomie van 1.6 miljard naar meer dan 3 miljard. De hoeveelheid kapitaal is absoluut niet in die mate gestegen. Daardoor is kapitaal relatief schaarser geworden, en arbeid -zeker lager geschoolde arbeid- relatief overvloedig. Meer mensen moeten dus met elkaar wedijveren voor dezelfde investeringen. Wat relatief schaars is, kapitaal en mensen met bijzondere vaardigheden, wordt dan beter vergoed; laaggeschoolde arbeid zal de komende dertig jaar onder druk staan. Zelfs het liberale blad The Economist pleit voor meer belastingen die de rijkdom herverdelen en voor betere sociale zekerheid die de slachtoffers van globalisering opvangt: ‘Als reële lonen blijven stagneren, en er wordt daarvoor geen compensatie geboden, kan de politieke steun voor globalisering verdwijnen.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3190   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur