China krijgt een standje van het Globaal Fonds

Eind vorige week meldde de New York Times dat het Globaal Fonds ter bestrijding van aids, Tuberculose en Malaria de uitbetaling van een paar honderd miljoen dollar voor aids-projecten in China heeft opgeschort. De beslissing om fondsen tijdelijk te bevriezen dateert al van november, maar krijgt pas nu wereldwijde aandacht.

Het Globaal Fonds zou problemen hebben met de manier waarop de Chinese overheid de subsidies beheert, en dan vooral met de frisse tegenzin waarmee die overheid een beroep doet op grassroots organisaties. In casu gaat het om de manier waarop de voornaamste recipiënt, het Chinese ‘Centre for Disease Control and Prevention’, de fondsen beheert. Het lijkt grassrootsorganisaties daarbij nogal stiefmoederlijk te behandelen.

Chinese controle

Het Globaal Fonds pleit er overal in de wereld voor om het maatschappelijk middenveld te betrekken bij de strijd tegen aids. Zo worden op nationaal niveau bijvoorbeeld ngo’s, patïenten-groepen en andere civil society groepen betrokken bij de “governance” van het Globaal Fonds, via zogenaamde “country coordination mechanisms” (CCMs). Die zijn bedoeld om een brede, inclusieve groep van stakeholders te betrekken bij het indienen van projecten. (Het moet gezegd, dat is de theorie. In nogal wat landen laat de inclusiviteit van het proces in werkelijkheid nogal te wensen over.) Daarnaast bestaat ook de mogelijkheid om de civil society direct te financieren, via “dual track” financiering: niet alleen de overheid is dan een ‘principal recipient’ van fondsen, maar ook een of meerdere organisaties uit de samenleving komen in aanmerking.

Audits wezen eind vorig jaar uit dat China de overeenkomst niet nakomt om 35 % van een aids-grant van 283 miljoen dollar uit te keren aan grassroots-organisaties, in weerwil van eerdere beloftes. Volgens de ngo Global Fund Watch zou China er sowieso niet bijster happig op zijn om geld uit te keren aan NGO’s die niet onder haar controle staan. De Chinese overheid staat er voor bekend “quango’s” te prefereren – quasi-autonome ngo’s die gecreëerd en gecontroleerd worden door de staat. Dergelijke ngo’s zijn te onderscheiden van bottom-up ngo’s en patiëntengroepen die doorgaans een meer activistische inslag hebben, en directe confrontatie met de overheid niet uit de weg gaan, indien ze dat opportuun achten.

Dat de Chinese overheid niet tuk is op sociale groeperingen die niet onder haar controle staan, zeker in tijden met een jasmijngeurtje, wekt weinig verwondering. Alleen, alle toegenomen paranoia ten spijt, je kunt bezwaarlijk stellen dat die attitude nieuw is. Al van in het begin – het Globaal Fonds keert subsidies uit sinds 2003 – bewijst de Chinese overheid vooral lippendienst aan de doelstelling van het creëren van een zo breed mogelijk draagvlak voor projecten gefinancierd door het Fonds, en het daarbij betrekken van autonome ngo’s. Eén van de auteurs van dit stuk, die actief was voor Artsen Zonder Grenzen in Beijing tot een paar jaar terug, kan daarvan meespreken.

Besparingen

Dat het Globaal Fonds nu pas moeilijk begint te doen, lijkt dan ook deels te wijten aan het bredere plaatje. En dat is er een van toegenomen financiële krapte voor het Fonds, en de gewijzigde perceptie onder de traditionele donoren ten aanzien van BRICs landen zoals China, die lijken te zwemmen in het geld. In de laatste “aanvullings”-conferentieronde (oktober 2010) kreeg het Globaal Fonds een stuk minder toegezegd dan het minimale scenario (13 miljard dollar) dat men had vooropgesteld, laat staan het maximale scenario (20 miljard dollar) waar men op gerekend had. Een en ander houdt niet alleen in dat voor bestaande projecten nog meer dan vroeger kosten-efficiëntie moet nagestreefd worden (men heeft het in dat verband over “efficiency cuts”), het betekent ook dat de roll-out van nieuwe projecten de komende jaren in het gedrang komt. Aanvragen voor toekomstige grants zullen dus met een vergrootglas bekeken worden, en dat lijkt bij uitstek te zullen gelden voor projecten voor de “emerging countries”. Meer selectiviteit dus, het aanscherpen van “verkiesbaarheidscriteria” om voorstellen te mogen indienen, een betere “targeting” van beschikbare fondsen, zowel qua landen, doelgroepen als interventies…

Volgens de website van het Fonds ontving China al 539 miljoen dollar van het Fonds sinds 2003 (op een totaal bedrag van 21, 7 miljard uitgekeerd door het Fonds aan in totaal 150 landen). 295 Miljoen dollar zou daar binnen afzienbare tijd nog bijkomen. Traditionele donoren zoals de VS — die over veel invloed beschikken in de Raad van bestuur van het Fonds – en de EU hebben het er in een internationale context van financiële stagnatie en crisis almaar moeilijker mee dat het Fonds substantiële bedragen uitkeert aan landen als China. Volgens hen gaat dit vaak ten koste van landen in Sub-Sahara Afrika die het geld misschien beter kunnen gebruiken. China beschikt anno 2011 immers over meer dan genoeg financiële reserves om de eigen gezondheidsprogramma’s te financieren , toch als je de bedragen waarvan sprake vergelijkt met de enorme deviezenreserves van de Chinezen. Bovendien komt China wel bijzonder krenterig uit de hoek, als in haar richting gekeken wordt om als donor te fungeren voor het Fonds. China zegde een luttele 16 miljoen dollar toe bij de laatste “aanvullings” ronde, eind vorig jaar. Peanuts dus.

Discussie

Eigenlijk zou over dit alles een open discussie gevoerd moeten worden. Vorig jaar gaf Jack Chow, één van de medeoprichters van het Globaal Fonds, daar al de aanzet toe in Foreign Policy, maar zijn voorbeeld krijgt vooralsnog weinig navolging. Het Globaal Fonds wekt nog altijd een beetje de indruk dat het de meer politieke aspecten van de discussie liever verstopt achter een vrij technische discussie over de herziening van bepaalde criteria, zeker in de Raad van bestuur.

Het radicaal stopzetten van de financiering van aidsprojecten in een land als China is niet direct een optie: dan dreigen gemarginaliseerde doelgroepen zoals druggebruikers, migrantenarbeiders, homo’s, prostituees, … het kind van de rekening te worden. Maar het is ongetwijfeld een moeilijke afweging, in tijden waarin zelfs in een traditioneel “high profile” donorland” als het Verenigd Koninkrijk de kritiek aanzwelt op de beslissing om 0.7 % van het BNP te blijven besteden aan ontwikkelingshulp, nu er gesnoeid wordt door de regering Cameron in tal van sociale voorzieningen in eigen land. Geld “geven” aan China (of India) steekt dan al snel de ogen uit, en dreigt bijkomende munitie te geven aan populisten.

Overigens leidt de Chinese top-down aanpak niet noodzakelijk tot slechtere resultaten, zoals recent onderzoek in de Lancet Infectious Diseases nog aangaf. Onder impuls van het “China National Free Antiretroviral Treatment Programme” dat toegang tot aidsbehandeling voorziet voor iedereen in China, daalde de aids-gerelateerde mortaliteit tussen 2003 en 2009 met 60 %. Het stigma rond de ziekte blijft echter groot. Vorige week wees bijvoorbeeld de Internationale Arbeidsorganisatie nog op wijdverspreide discriminatie van aidspatiënten als die een beroep proberen te doen op gezondheidszorg in Chinese hospitalen.

Er is dus vooruitgang, maar het mag duidelijk zijn, er blijft zeker een rol weggelegd voor advocacy en monitoring, en dus voor ngo’s van het meer assertieve soort. China heeft alvast beloofd om de kritiek van het Globaal Fonds ter harte te nemen, en haar beleid aan te passen. Als het die engagementen respecteert, worden de fondsen binnenkort gewoon uitgekeerd.

Kristof Decoster, Mit Philips en Luc Van Leemput zijn verbonden aan het Tropisch instituut, departement Volksgezondheid. Zij schrijven dit artikel in eigen naam.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3195   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift