China op zoek naar een “roodgroen” beleid

De Chinese leiders willen een ander soort economische ontwikkeling op gang brengen in hun land. Dat is makkelijker gezegd dan gedaan, stelt John Vandaele vast.
Onstabiel, onevenwichtig, ongecoördineerd, onhoudbaar… zo omschreef de Chinese premier Wen Jiabao de toestand van de Chinese economie op 15 maart van dit jaar. U leest het goed: de premier van het land dat de wereld al een paar decennia verbaast met zijn indrukwekkende economische groei, vindt dat het zo niet verder kan.
Een pose? Valse bescheidenheid op zijn Chinees? Mensen die zijn toespraak meegemaakt hebben, zijn overtuigd van niet. Stephen Roach, hoofdeconomist van de zakenbank Morgan Stanley, zei het onlangs zo in een getuigenis voor het Amerikaanse Congres: ‘Ik heb nog nergens een politicus gezien die de zaken zo scherp stelt en het zich daarna kan veroorloven om geen resultaten te boeken. Wen heeft hiermee zijn reputatie op het spel gezet.’
Bij nader inzien heeft Wen goede redenen om te stellen dat het zo niet verder kan. Ten eerste zal de buitenwereld het Chinese ontwikkelingsmodel, en dan vooral de ongebreidelde groei van de export, niet blijven aanvaarden. Ondanks eerdere pogingen om die exploderende uitvoer af te remmen, tonen de exportcijfers van dit jaar dat het allemaal weinig heeft uitgehaald.
Het Chinese handelsoverschot bedroeg in mei van dit jaar 22,5 miljard dollar, 73 procent meer dan in 2006. In de VS neemt de roep om protectionisme hand over hand toe en ook in de EU zou de houding wel eens snel kunnen omslaan, zo waarschuwde Europees commissaris voor Handel Peter Mandelson, nochtans een echte believer in vrijhandel.
Mandelson wees er in juni op dat het Europese handelstekort met China elk uur –jawel elk uur– met 15 miljoen euro toeneemt. Hij zei te vrezen dat de Chinese toegang tot de Europese markt onder toenemende druk zal komen als China zijn eigen markt blijft afsluiten voor Europese dienstenbedrijven en zolang het de intellectuele eigendomsrechten niet doet naleven. Wil China voorkomen dat de rijke landen hun markten echt gaan afschermen, dan moet het land minder op de export gaan steunen. Premier Wen weet dat.
Ten tweede is er de interne ongelijkheid die hand over hand toeneemt. China is een “drieklovenland” geworden inzake inkomensongelijkheid: tussen het oosten en het westen van China, tussen platteland en stad, en tussen kapitaal en arbeid. Het verschil tussen de 20 procent hoogste en de 20 procent laagste inkomens nam met 40 procent toe tussen 2004 en 2006.
Het is al langer duidelijk dat de allerarmsten niet profiteren van de boom: de Wereldbank stelde vast dat de armsten tussen 2001 en 2003, toen de economie nochtans elk jaar met 10 procent groeide, zelfs armer werden. Dat leidt tot toenemende spanningen.
Ten derde kreunt het milieu onder de Chinese boom. Volgens de Wereldbank kosten water- en luchtvervuiling 5,8 procent van het Bruto Nationaal Product (BNP). 99 procent van alle Chinezen in de steden ademen veel meer fijn stof dan andere landen veilig achten.
De EU vindt concentraties van meer 40 microgram fijnstofpartikels (van 10 micron groot) per kubieke meter lucht onveilig, Beijing zit gemiddeld op 141 microgram. Elk jaar zouden 750.000 Chinezen vroegtijdig sterven door de vervuiling, een cijfer dat de Wereldbank niet mocht bekendmaken in China zelf uit vrees voor sociale onrust.
De waterschaarste in Noord-China neemt dramatische proporties aan met een waterspiegel die elk jaar verder zakt: op sommige plaatsen moet al 800 meter diep worden geboord om water te vinden. In de toptien van ’s werelds meest vervuilde steden staan er steevast acht Chinese.
De CO2-uitstoot neemt elk jaar met 3,7 procent toe, meer dan tweemaal het wereldgemiddelde. Aan dat tempo steekt China tegen 2009 de VS voorbij als grootste CO2-producent. De vervuiling is in China zo erg dat maatregelen onontkoombaar zijn, niet omdat de wereld dat eist, maar om de vergiftiging van het eigen land en volk tegen te gaan.

Harmonie ?


Om al die redenen heeft de Chinese communistische partij een oude Confucianistische waarde van stal gehaald: harmonie. Harmonie op drie gebieden: harmonie tussen China en de rest van de wereld (andere landen niet verontrusten met je opgang), harmonie tussen de Chinezen (dus niet teveel ongelijkheid) en harmonie tussen de economie en de natuur.
Het klinkt mooi maar de vraag blijft hoe je zoiets in de praktijk brengt. Partijleider Hu Jintao spreekt al enkele jaren over die harmonie en de vernoemde problemen blijven maar groeien. De centrale overheid slaagt er kennelijk niet in haar wil op te leggen.
Het ziet er nu naar uit dat ze nog een tandje bij zal steken. Dat de centrale regering openlijk heeft erkend dat ze haar milieudoelen voor 2006 absoluut niet heeft gehaald, geeft dat al aan. Bovendien wordt nu openlijk gesproken over de overgang naar een ander ontwikkelingsmodel.
 Dat nieuwe ontwikkelingsmodel zal minder op de export en meer op de binnenlandse Chinese consumptie gebaseerd zijn, en minder op de industrie en meer op diensten, wat de vervuiling zal inperken. Bovendien moet het minder inkomensongelijkheid genereren.

Sociaal ook om buitenlandse redenen


Om een tanker als de Chinese economie in die richting te doen veranderen, is het geldbeleid één van de instrumenten. Om de groei in te perken werd de interest voor de derde keer in elf maanden opgetrokken en ook de banken moeten hogere reserves aanhouden. Beide maatregelen leiden ertoe dat er minder geleend en dus geïnvesteerd kan worden, maar dat grijpt niet diep genoeg in.
Aan de basis van het Chinese model ligt het feit dat de Chinezen erg veel sparen, bijna de helft van het BNP. Dat spaargeld wordt geïnvesteerd in fabrieken. Dat is de kern van de Chinese groeimachine tot nu toe. Het gevolg is een exportboom en een groeiende overcapaciteit: te veel machines en fabrieken die maar producten blijven spuien.
Om dat te veranderen, moeten de Chinezen minder sparen en meer consumeren. In China is de private consumptie maar goed voor 35 procent van het BNP, een van de allerlaagste cijfers ter wereld. In de VS is de consumptie goed voor liefst 70 procent van het BNP.
De vraag is hoe je ervoor zorgt dat de Chinezen minder sparen. De inkomens- en werkonzekerheid is er groot, onder meer door massaontslagen in de staatsbedrijven en de zwakke sociale zekerheid. Dat verklaart waarom liefst 65 procent van de gezinnen ondanks de enorme spaarquota nog altijd niet tevreden is over hun spaargeld.
Naast die spaardwang is er de grote inkomensongelijkheid, die eveneens de groei van de lokale consumptie beperkt. Als China een ontwikkelingsmodel wil dat meer aanvaardbaar is voor de buitenwereld moet het dus werken aan een betere sociale bescherming en een meer gelijke verdeling van de rijkdom.
Daar zien we nu al tekenen van: er gaat meer geld naar onderwijs en gezondheidszorg op het platteland en in juni werd een arbeidswet goedgekeurd die de positie van de arbeiders tegenover het kapitaal verbetert. De vennootschapsbelasting voor buitenlandse bedrijven wordt opgetrokken van 15 naar 25 procent, het Belgische niveau zeg maar.
Ook het milieuprobleem vergt ingrijpende bijsturing. In China is de industriële sector goed voor 52 procent van het BNP. In vergelijkbare ontwikkelingslanden is dat maar 37 procent, in de rijke landen nog slechts 32 procent. China is niet voor niets het atelier van de wereld.
Maar industrie leidt in verhouding tot meer vervuiling dan diensten. Bovendien gebruikt de Chinese industrie erg vervuilende technologie. Naast het gebruik van groene technologie kan China milieuwinst maken door het aandeel van de diensten in zijn economie op te drijven. Dat is compatibel met meer interne consumptie, want een economie die drijft op lokaal verbruik vergt meer dienstverlening dan een fabriekseconomie.
Dus zal de Chinese overheid minder vergunningen toekennen voor industriële bedrijven, ten minste als Beijing erin slaagt de lokale overheden in toom te houden. Die hebben er vaak persoonlijk belang bij om de groeimachine, koste wat het kost, verder op te jagen terwijl de bevolking vaak nog te bang is om hard genoeg en tijdig te protesteren tegen milieumiserie.
Sommigen geloven dat het gebrek aan democratie echte verandering bemoeilijkt: niemand kan echt beletten dat plaatselijke partijbonzen, onder één hoedje met de bedrijven, het milieu vertrappelen. Het doel is dus duidelijk. Maar of dat doel ook gehaald wordt, zullen we met zijn allen de komende jaren ondervinden.

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3196   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift

Over de auteur