The clash of civilizations

Een problematische dubbelzinnigheid sluipt binnen in Huntingtons boek via volgende intentieverklaring: ‘Dit boek is niet bedoeld als een sociaal-wetenschappelijk werk maar als een interpretatie van de evolutie van de mondiale politiek sinds de Koude Oorlog. Het wil een raamwerk presenteren voor de beschouwingen van de mondiale politiek, een paradigma dat betekenis heeft voor geleerden en dat bruikbaar is voor beleidsmakers.’ (1)
Huntington stelt verder dat we ‘de waarde van zijn theorie niet mogen afmeten aan de volledigheid van zijn werk, wel aan de bruikbaarheid van het door hem geboden paradigma.’

Huntington verwijst expliciet naar Thomas Kuhn bij het hanteren van het begrip ‘paradigma’. (2) .

Bij Kuhn leren we dat een paradigma een geheel van opvattingen is dat wordt aangehangen door een bepaalde gemeenschap van wetenschapsmensen. Tot dit geheel behoren ontologische opvattingen, fundamentele wetmatigheden, methodologische richtlijnen en waarden en als voorbeeld gestelde probleemoplossingen. Een wetenschappelijk paradigma vormt als het ware een soort maxi-theorie, vormt een onderdeel van het wereldbeeld of anders gezegd ‘een paradigma bepaalt hoe men de wereld interpreteert en hoe men de wereld bestudeert.’

(Laudan noemt dit een research tradition, wat ons een duidelijkere term lijkt.)

Indien Huntington wil dat we zijn theorie als een paradigma aannemen dan zal hij tevens moeten aanvaarden dat we zijn boek als een ‘sociaal-wetenschappelijke’ verhandeling lezen (en niet als een of ander willekeurig verhaal van een of andere willekeurige schrijver). Dit houdt ook in dat we op zoek gaan naar de explicitering van de kenmerken van het paradigma. Deze kenmerken blijven echter verontrustend ‘onderbelicht’ en de enige overeenkomst met een paradigma die we overhouden is dat Huntington ons wil aantonen ‘hoe wij de wereld moeten interpreteren.’

Zelfs indien we Huntingtons boek niet als paradigma, maar als hypothetische theorie zouden aanvaarden, dan nog blijft er de verwachting naar ‘verantwoording’ van de theorie en de basisassumpties binnen de theorie.

Wanneer Huntington het relativisme ten aanzien van culturen afwijst, dan veronderstellen we dat hij ook het relativisme ten aanzien van theorieën (of het ‘elke theorie is even goed’ principe) afwijst en dan verwachten we minstens een contextuele verantwoording van zijn theorie.

Laudan formuleert als opdracht voor de sociologische studie van het wetenschappelijk denken, dat het:’[ …] must be an assumption that beliefs are to be explained in terms of the social situations of the believers. So we can say that an essential task of any cognitive sociologist must be that of exhibiting, for any belief he wishes to explain, its social roots and origins.(3)’

Wat wij suggereren is - de misschien streng geformuleerde eis - dat theorieën dit ook voor zichzelf zouden realiseren en de sociale ‘roots’ en origine van hun basisveronderstellingen zouden expliciteren.

Het is binnen deze ‘verantwoorde’ theorievorming minstens even belangrijk om voor ogen te houden dat begrippen geen exclusieven van de wetenschap zijn. De relatie tussen het wetenschappelijk jargon en het algemene discours ligt in een veel bredere context van wisselwerking tussen wetenschap en ‘public understanding’. Net die wisselwerking legt verantwoordelijkheid bij de wetenschapper voor de betekenisgeving van de door hem vertelde verhalen.

‘I think of ideas as ‘takes’ on the phenomena of this world and as instructions about how to combine these takes to ascertain their connections or, contrariwise, to hold them apart, to beware of aserting linkages that are false. [ …] In studies of culture we need to take much greater account of heterogeneity and contradictions in cultural systems and to explore the ways in which this differentiation produces a politics of meaning and cultural construction and not merely automatic repetition of inherited forms.’ (4)

Dit uitgangspunt wordt wel bijzonder interessant als vraagstelling binnen Huntingtons boek.

Wolf parafraserend zijn we voor deze bijdrage vooral geïnteresseerd in ‘what the concepts of violence and agression allow us to think.’

We stellen ons de vraag welke verklaringsmodellen Huntington hanteert om te besluiten tot een ‘clash of civilizations’, waarin gevreesd moet worden voor agressieve en gewelddadige aanvaringen.. Welke zijn de basisassumpties die ten grondslag liggen aan de begrippen agressie en geweld in de context van die ‘botsende beschavingen’?

In een eerste stap citeren we bondig een aantal geponeerde uitspraken uit ‘the clash of civilizations’, vervolgens geven we een kort overzicht van de gangbare westerse verklarende theorieën over agressie en geweld. Tot slot plaatsen we deze verklaringen binnen een ruimere cultuurgelieerde wetenschappelijke context.

Huntington over geweld en agressie

We citeren ter introductie illustratief en bondig een aantal denkbeelden zoals ze doorheen ‘clash of civilizations’ naar voren geschoven worden. Bij elk van deze uitspraken kan men zich de vraag stellen op welke vaststellingen ze geënt zijn. Een terechte vraag waar we later op terug komen.

‘Vijanden zijn van wezenlijk belang voor volkeren die op zoek zijn naar een identiteit en die hun etniciteit opnieuw uitvinden (p.16). We weten alleen wie we zijn als we weten wie we niet zijn en vaak alleen als we weten tegen wie we zijn (p.17)..Er is de natuurlijke tendens naar wij en zij, naar wij en de barbaren (p.29)

Macht is de mogelijkheid van een persoon of groep om het gedrag van een andere persoon of groep te veranderen: via aansporing, dwang, terechtwijzing (p.87). Cultuur loopt achter de macht aan: de macht van een beschaving gaat samen met de opbloei van haar cultuur en macht wordt gebruikt om waarden, gebruiken en instituties op te leggen aan anderen (p.96) De grote aantallen jongeren zullen de islamitische heropleving blijven aandrijven en de strijdbaarheid, het militarisme en de migratie van moslims bevorderen (p.129). Diepe verdeeldheid binnen een land kan tot massaal geweld leiden en het voortbestaan van het land bedreigen. Als cultuur en geografie niet samenvallen dan wordt dit vaak afgedwongen via genocide of gedwongen migratie (p.146). Relaties tussen beschavingen worden in de toekomst wellicht beschreven als koude vrede, koude oorlog, handelsoorlog, quasi oorlog, angstige vrede, moeizame betrekkingen, intense rivaliteit, concurrerende coëxistentie, wapenwedlopen (p.225). De bebloede grenzen van de islam (p.278). Als moslimstaten naar de wapens grepen, ging het vaak om intensief geweld. De islamitische neiging om conflicten met geweld op te lossen. (p.282) De zes mogelijke oorzaken van het huidige groepsgeweld van moslims: islam als religie met een krijgersethos, islamverspreiding via verovering en van daaruit een naast elkaar leven van moslims en niet-moslims, de ‘onverteerbaarheid’ van moslims of hun radicaliteit en sterke wij - zij indeling, geweld door de afwezigheid van een of meerdere kernstaten in de islambeschaving, de bevolkingsexplosie in de moslimlanden, en tot slot een argument van de moslimwereld zelf: moslims zijn slachtoffer van westers imperialisme en worden vanuit die vernederde en verzwakte positie gemakkelijk gezien als doelwit voor aanvallen.(Dit argument wordt echter door Huntington afgewezen als ‘te weinig verklarend’.) (p.287 e.v.)

Agressie en geweld binnen de westerse theoretische verklarende modellen

Wanneer we nu een klaarder inzicht wensen in de achterliggende denkbeelden van bovenstaande uitspraken, dan is een mogelijke weg om deze uitspraken te toetsen aan de gangbare theoretische modellen die de fenomenen agressie en geweld verklaren. Een rudimentair overzicht van deze modellen biedt ons een eerste verduidelijking.

Het ethologisch-biologisch kader omschrijft agressie en geweld primair als een biologisch gewortelde adaptieve eigenschap van dier en mens.(5) Agressie en geweld worden in de ethologie behandeld als gedrag gericht op soortgenoten. Agressie tussen soortgenoten is gematigd en gecontroleerd, doden en zelfs verwonden zijn eerder zeldzaam. Het zwakke dier heeft geen voordeel bij een gevecht op leven en dood, het sterke dier evenmin. (Bij een ernstig gevecht loopt het sterke dier kans op ernstige verwondingen.). De toegang tot levensnoodzakelijke bronnen en een regeling van het sociale verkeer of plaats in de hiërarchie zijn de inzet van strijd, resultaat wordt geboekt bij terugtrekking of onderwerping van de concurrent. Bij dieren vormt dit gedragspatroon op zich een positieve eigenschap die gericht is op selectie en overleving van individu en soort.

Inhoudelijk zijn er aantal variaties in de verklaringen voor geweld en agressie.

De variatie loopt van een hydraulisch instincten-reactie-systeem, over een door prikkels geactiveerd instinctmatig-reactiepatroon en een frustratie-geactiveerd reactiepatroon tot een biologisch geworteld, complex en vrij onbekend, door prikkels (die frustraties kunnen zijn) geactiveerd reactiepatroon. Dieren hebben ingebouwde genetische codes die de agressie regelen en die het ritueel van onderwerping regelen.

Biologische experimenten met dieren zoeken een antwoord op vragen naar de erfelijkheid van het agressieve gedrag en de mate waarin men via selectieve voortplanting deze eigenschap kan reduceren of stimuleren. Er zijn vragen in verband met hersenen en agressief gedrag, neuro-transmitters en agressief gedrag, de hypothalamus, de hormonen, de androgenen en agressief gedrag. Vaststellingen uit dierenexperimenten tonen aan dat ze alle op een complex-interagerende wijze ‘betrokken’ zijn bij agressief gedrag. We weten echter te weinig om verantwoorde uitspraken te doen en in transfer naar de mens blijft de vraag, hoe dit alles geactiveerd wordt en welke externe en interne factoren cruciaal beïnvloedend zijn.

De mens, als bijzondere diersoort, heeft namelijk diezelfde mechanismen, doch net vanuit zijn superioriteit aan de andere diersoorten, zijn denkvermogen en zijn technisch handelen, is hij in staat de natuurlijke mechanismen te overstijgen.

Uitgangspunt bij alle auteurs is dat agressie en geweld als eigenschap bij de mens eerder ‘problematisch’ geworden is. Kern lijkt de discrepantie tussen onze biologische wortels en de te snel evoluerende samenleving en culturele eisen. Het uitgangspunt hierbij wordt gevormd door een typisch menselijk verschijnsel dat we ‘pseudo-speciatie’ noemen. Culturen komen doorheen de evolutie tot ontwikkeling en isoleren zich op grond van hun specifieke cultuurpatronen van anderen. Deze verschillende culturen gaan zich gedragen als biologische soorten. De positieve kant van deze schijnsoortenvorming is de mogelijkheid tot interne groepsbinding en groepsstructuur. De schaduwzijde is dat de ‘ander’ dan ook een ‘andere soort’, een vreemde wordt en gemakkelijk als vijand aangezien wordt. Oorspronkelijk - zo luidt het uitgangspunt - leefden deze pseudo-speciën in een rivaliserende, op natuurlijke wijze vrij vreedzaam geregelde, relatie tot elkaar. In onze huidige expansieve en overbevolkte samenleving zijn ze echter blootgesteld aan de invloed van demagogen die ‘de ander’ de rol van ‘afzichtelijke vijand’ toebedelen. Er is dan ook de algemene vraag naar aanpak van het overbevolkingsprobleem op wereldvlak (schaarste van de ruimte en de bronnen), een verwijzing naar het belang van warme opvoeding die een hechte band schept (sociaal leren) en naar cultuur-overdragende opvoeding (normen ter vervanging van bewapening) en een verwijzing naar het belang van een gestructureerde samenlevingsvorm (een plaats in de hiërarchie).

De psychologie omschrijft agressie als een onvermijdelijke, menselijke gedragsuiting. Agressie en geweld worden - afhankelijk van de onderzoekstraditie (psychodynamisch of behavioristisch) impliciet of expliciet - beperkt tot alle gedrag van mensen ‘dat gesteld wordt met de intentie om schade of leed te berokkenen aan een object (meestal een soortgenoot)’.(6)

De mens, als denkend wezen, ontdekt al snel dat agressie een weg naar en een instrument voor een verder gelegen doel kan zijn. Vandaar de differentiëring tussen instrumentele agressie (vooral door de behavioristen bestudeerd) en vijandige agressie (meer door de psychodynamici bestudeerd).(7)

De verklaringen tussen beide onderzoekstradities verschillen aanvankelijk zeer fundamenteel, gaande van een inherente doodsdrift tot een geconditioneerd aangeleerd proces. In de evolutie en ontwikkeling van zowel de psychodynamische als de behavioristische verklaring ligt een ‘toenaderende nuancering’ besloten. Een minder polaire aangeboren-aangeleerde verklaring is vanuit beide onderzoekstradities het eindresultaat.

Binnen de psychodynamica zijn ‘leerprocessen’ in relatie tot de sociale en culturele omgeving essentieel en agressie en geweld worden vooral gezien als reactie op frustratie en deprivatie.

In de behavioristische traditie werden het eenvoudige stimulus-respons schema en het conditioneringsleren reeds lang verlaten en accepteert men veel complexere leerprocessen met ‘minder meetbare en minder eenduidig verklaarbare’ essentiële factoren als emoties, cognities, persoonlijkheidskenmerken, geheugen- en aandachtsprocessen… Ook worden elementen als zelfwaardegevoel, zelfbeeld, objectieve en subjectieve menselijke behoeften geïntegreerd.

Beide onderzoekstradities signaleren problemen met menselijk agressief en gewelddadig gedrag en beide onderschrijven het belang van een vroegtijdig sociaal leerproces tot ‘hantering en inperking van agressieve impulsen’ (weliswaar via anders omschreven leerprocessen), waarbij in beide onderzoekstradities een warme en affectievolle omgeving als aangewezen ‘leeromgeving’ verwacht wordt.

Vanuit het sociologisch perspectief wordt de samenleving gekenmerkt door verstrengelde processen van integratie en desintegratie, opbouw en afbraak, stabiliteit en instabiliteit, harmonie en conflict, die haar onmisbare ‘dynamiek’ en ‘evolutie’ garanderen. De sociologie probeert binnen deze - vaak chaotisch lijkende - procesontwikkeling de grote evolutielijnen van de zich ontwikkelende samenleving te zien, te begrijpen en te verklaren.

De concepten ‘macht’ en ‘geweld’ worden sociologisch op het macroniveau van de samenleving gesitueerd. Structuren in de samenleving, instituties hanteren macht en geweld als instrumenten gericht op aanpassing, orde, stabiliteit enz…, maar veroorzaken ook geweld en tegengeweld wat dan naar conflict en instabiliteit leidt.

Agressie en geweld op het microniveau van de samenleving - voor zover als problematisch ervaren door de samenleving - horen thuis binnen de ruimere concepten ‘deviant’ en ‘crimineel’ gedrag.

Hoe dan ook worden deze concepten geduid als historisch, cultureel en contextueel evoluerend en thuishorend binnen het normatieve systeem van een samenleving.

Een samenleving heeft ‘functioneel’ een regulerend en normatief systeem nodig om zichzelf dynamisch-organisch in stand te houden en voor haar leden een geïntegreerd functioneren te bewerkstelligen. Waarden en normen, informele en formele sociale controle, macht en sancties en ook een gestructureerd rechtssysteem lijken hierbij noodzakelijke constituerende elementen van de samenleving.

Deviant gedrag en crimineel gedrag worden sociologisch en criminologisch als reactieve fenomenen beschreven en verklaard, een reactie op de bestaande structuur van de samenleving en op de discrepantie tussen de culturele en sociale structuur [ Merton e.a.] , op het gebrek aan mogelijkheden om een positieve identiteit, een status, prestige te ontwikkelen [ Cohen e.a.] , een reactie op de maatschappelijke kwetsbaarheid, op het gebrek aan positieve bindingen met de sociale geledingen in de samenleving: gezin, school, werk, vrije tijd…[ Hirchi e.a.] , een reactie op de ‘anomische’ vervreemdende samenleving die alle sociale bindingen en netwerken ondergraaft [ Durkheim e.a.] , een gevolg van een kapitalistische op sociale ongelijkheid gebaseerde samenleving die inherent in een constant cultuurconflict en conflict tussen sociale groepen in de samenleving leeft. Een samenleving die als het ware zelf het ‘geweld’ bij haar leden genereert en op haar beurt ‘geweld’ nodig heeft om de noodzakelijke stabiliteit van de bestaande verhoudingen te handhaven.

Ook al lijkt dit een pamflettistische samenvatting, toch is dit de kern van de verklarende sociologisch-criminologische theorieën. Agressie en geweld op het microniveau brengen ons via het mesoniveau (waartoe ondermeer de sociale institutie ‘recht’ behoort) terug naar het macroniveau en de op sociale ongelijkheid gebaseerde, sociaal gestratificeerde samenleving als grootste verklarende kracht.

Geweld en agressie in relatie tot cultuur

‘A brief scanning of the literature reveals numerous unquestioned assumptions and a high degree of confusion and contradiction in what is being talked about.’(8)

Het essentiële onderscheid ligt in de gekozen invalshoek voor de studie van de fenomenen. Focussen we op het individu (biologisch-ethologische en psychologische verklaringen) of focussen we op het structurele en culturele samenlevingskader waarbinnen individuen ageren (sociologisch-criminologische verklaringen)? Veronderstellen we innerlijke drijfveren (drijfveren, motivaties, succeservaringen,…) en focussen we ons op die drijfveren? Veronderstellen we reactieve drijfveren bij het individu en focussen we op de factoren die de reacties uitlokken? Veronderstellen we maatschappelijke strijdende machtsprocessen waarbij groepen andere groepen aanwijzen als agressief en gewelddadig?

Het is ook de keuze voor de invalshoek die bepaalt of we agressie en geweld al dan niet als een individueel, een groeps- of een cultureel verschijnsel duiden.

Het merkwaardige is dat Huntington hier een transfer maakt van de ethologische en biologische verklaringsmodellen naar het niveau van beschavingen. We denken dat de lezer zelf de oefening kan maken en dat de relatie tussen de uitspraken in ‘the clash of civilizations’ en het ethologische agressiemodel verhelderend werkt. Huntington hecht veel belang aan pseudo-speciatie. Hij beschouwt dit gegeven als een vaststaand gegeven in de identiteitsopbouw van een etnie, een volk, een cultuur, een beschaving, maar koppelt er vrijwel automatisch een vijandig beeld van ‘de ander’ aan vast.(9)

Macht krijgt in zijn context enkel een functie in een proces van controle, onderwerping of het terechtwijzen van een agressor. Ook bij hem zijn de toegang tot de (energie)bronnen en de plaats in de hiërarchie inzet van de strijd. Bij min of meer gelijkmachtige beschavingen resulteert de strijd in een soort terugtrekking op het eigen terrein en het etaleren van wat dreig- en blufgedrag. (Het Westen en China). De islamitische beschaving krijgt als het ware een ander statuut. Hier lijkt ‘geuite strijd’ een ‘voorspelbaar’ scenario. De oorzaken van moslimagressie moeten we zoeken in de bevolkingsexplosie, het te groot aandeel jongeren rond de 20 jaar (lees jongens), het gebrek aan hiërarchie in de moslimwereld (geen kernstaten) en in een ‘natuurlijke neiging’ om conflicten met geweld op te lossen.

Paradoxaal wijst Huntinton tegelijkertijd de pseudo-speciatie aan als mogelijk uitlokkende factor in de botsing tussen beschavingen maar tegelijkertijd lanceert hij een oproep voor verdere en duidelijkere pseudo-speciatie.(10) In een interview verklaart hij dat het Westen lijdt onder het verlies van de wereldordening naar Koude-Oorlogsprincipes. Als oplossing suggereert hij een westers-islamitische (warme) oorlog of een westers-Chinese (koude)oorlog. Een nieuw verbindend project voor ‘het Westen’ onder hegemonie van de VS, een nieuwe duidelijke en hiërarchische wereldordening die ons een ‘identiteit’ aanreikt.

Intern, binnenin de beschavingen bepleit hij homogeniteit van de cultuur en verwerpt hij het multicultureel coëxisteren.

Maar binnen dit verhaal lezen we nog een ander verhaal. Niet alleen schrijft Huntington als product van een westerse wereld, hij gebruikt die positie als westers wetenschapper evenzeer om een theoretische ordening te scheppen in de wereld, om alle beschavingen en culturen vanuit één perspectief – het westers perspectief - te ijken en vooral eigenschappen toe te dichten. Het reële gevaar is dat dit beeld geponeerd wordt als een ‘universalistisch’ verhaal, terwijl het onmiskenbaar een koloniaal verhaal is.(11) Een gevaarlijk project dat het resultaat vormt van de ambitie om tot een algemene en universele verklarende wereldtheorie te komen, waarbinnen fenomenen als agressie en geweld op een even universele manier geprojecteerd worden op alle beschavingen.

We bepleiten een andere positie en verkiezen als uitgangspunt ‘agressie en geweld als contextuele fenomenen’ te benaderen waarbij de theorieën in een eerste stap zoeken te verklaren ‘waarom’ een bepaald gedrag in een bepaalde samenleving zo gezien en gedefinieerd wordt.

‘[…], that aggression needs to be understood within the manifold of sets of meanings whereby aggression is constituted. Thus aggression can be seen not as an action or a state but as a set of interwoven textual identities, actions and descriptions. […] There is no simple or single entity which we can call aggression but a complex range of different actions which under the appropriate local circumstances will lead to aggression being used in explanation.’(12)

‘For my part, I doubt the feasibility of such attempts to disengage the meaning of the word ‘aggression’ from local systems of meaning. In this paper, I shall treat ‘aggression’ as a moral concept like that of ‘good’ or ‘evil’. […] Evil and aggression, in this sence, exist in every society, as a means of defining the good and peaceful (or cowardly) […]’(13)

Deze auteurs besluiten dan ook dat de verschillende bestaande en gehanteerde theorieën geen verschillende verklaringen geven over hetzelfde fenomeen maar wel theorieën zijn, gekaderd in verschillende betekenis-sets over nogal verschillende fenomenen. Een vaststelling die we onderschrijven. Geweld en agressie kunnen enkel begrepen worden binnen het complex van culturele betekenisgeving en de vraag - waarmee ook het sociologisch perspectief ons confronteert - blijft ‘wie aan wie gewelddadig gedrag toebedeelt?’.

Alan Campbell (14) stelt dan ook terecht een andere werkwijze en nieuw wetenschappelijk project voor. De te volgen werkwijze bestaat er vooreerst in te zoeken naar nieuwe en betere, beschrijvende criteria waarbinnen we over de woorden goed, slecht, agressie, geweld, identiteit, fierheid, vredevolheid enz… kunnen beschikken indien we ze relevant vinden voor het verhaal dat we willen vertellen. Het verhaal kunnen we het best opbouwen vanuit de vraag: hoe gaan deze of gene mensen, volkeren, naties, culturen (en hier dus ook beschavingen) om met de uitdagingen van bepaalde basis menselijke toestanden (basic human predicaments)? Bijkomende en onmisbare vragen worden dan aansluitend: wie vertelt het verhaal, wat is zijn relatie met…, wat is de historische toestand van de samenleving die beschreven wordt…? Hiermee verwijst Campbell duidelijk naar de contextuele kennisnotie: wie doet kennis op in welke context… als geëxpliciteerde gegevens. Het gaat er dus niet langer om, te zoeken naar een definitie van agressie of geweld, noch als eigenschap van mensen, noch als geattribueerde eigenschap van groepen of van een samenleving.

‘People are not ‘violent’ or ‘non-violent’ in any sense. People act aggresively or non-aggressively towards others - in other words, we are looking at relations between people. In certain circumstances these relationships will be characterized by certain forms of behaviour. These circumstances are changeable.’(15)

Deze omstandigheden worden inderdaad mee bepaald door tal van evoluerende, dynamische, historische, culturele, economische, politieke en sociale factoren die we als ‘betekenisgevende context’ mee in ons verhaal moeten betrekken.

‘Een onderwerp als de veranderende wereldverhoudingen, waarin andere regels voor vredevol samenleven kunnen of moeten worden gevonden, leent zich zeer gemakkelijk tot vlugge, soms pathetische, morele of ideologische stellingnamen. Dat is een kwalijke gewoonte die we moeten afleren. Deze bijdrage wil aantonen hoe een groot deel van de discussie over een multiculturele wereld vooreerst wetenschappelijk kan worden onderbouwd, en hoe we op een ernstige en niet vooringenomen wijze de culturele eigenheid van alle grote cultuursferen in de wereld kunnen onderzoeken. Vervolgens kunnen we deze cultuursferen op een wetenschappelijk verantwoorde wijze vergelijken. En ten slotte kunnen we op basis van dat wetenschappelijk werk tot een afbakening komen van mogelijke onderhandelingsruimten.’(16)

Met andere woorden: slechts de contextuele benadering en een vergelijkende studie van de onderzochte fenomenen kunnen ons wetenschappelijk mogelijkheden bieden op enig ‘begrijpen’ van de fenomenen.

‘However, attention to context does not advance the cause of those who want to draw arresting and simplistic contrasts between the aggressive and the peaceful. The more we attempt to remedy the defects of the definitional or yardstick approach by doing full justice to participant understanding, the more difficult it is to decide whether many acts are aggressive or non-aggressive. Such activities do not lend themselves to clear-cut typification.’(17)

En dit voorstel brengt ons onvermijdelijk bij de vaststelling dat onze wetenschappelijke basispremissen en criteria zeer bepalend zijn voor wat we willen, kunnen en durven onderzoeken en bevragen.

Het is dan ook vooral Huntingtons bedoeling om neutrale, waardevrije verklaringen te formuleren die we als problematisch ervaren. Het is net deze suggestie van waardevrijheid die tevens de suggestie van ‘contextvrije’ en ‘universele’ definities meebrengt. Waardevrije wetenschappen en waardevrije wetenschapsbeoefening zijn echter onmogelijk en het nastreven ervan leidt enkel tot een ‘verduistering’ van de basispremissen die onze omschrijvingen, onze verklaringen en ons handelen mee bepalen.

Huntington transfereert een biologische agressiedrift en een noodzakelijke biologische competitiviteit probleemloos naar het niveau van culturen en beschavingen. Tegenover deze transfer plaatsen wij de uitgangsvraag van ‘Societies At Peace’: ‘If aggression and violence are part of what it means to be human, then why is it that there exist societies where aggressive or violent behaviour is conspicuous by its absence?’(18)

En Sahlins stelt het beknopt als volgt: ‘culture is not ordered by the primitive emotions of the hypothalamus, it is the emotions which are organized by culture.’(19)

Het lijkt een onvermijdelijk en noodzakelijk besluit te pleiten voor nieuwe en andere vertrekpunten in de wetenschappelijke discussie over en de wetenschappelijke studie van de fenomenen agressie en geweld.

Rogers, e.a. die als uitgangspunt de ‘sociale constructie’ van theorieën aannemen, stellen voor om het debat tussen de wetenschappelijke tradities en/of de wetenschappen onderling te heropenen vanuit een zoektocht naar een minimumconsensus rond de afbakening van de te bestuderen fenomenen. Doorheen dit negotiatieproces zullen een aantal discours gevoerd worden die het mogelijk maken anders te denken over en ons anders te gedragen ten aanzien van de concepten agressie en geweld: communicatie en samenwerking als aangrijpingspunt dus.(20)

Een negotiatieproces dat wellicht evenzeer een intercultureel negotiatieproces vereist.

‘Vanuit de kennis van de ‘ander’ kunnen we op ernstige wijze gaan vergelijken teneinde de gemeenschappelijke inzichten en belangen alsook de duidelijke verschillen in te kunnen schatten. Die twee stappen moeten ons, westerlingen, helpen ons ‘mentaal kolonialisme’ te boven te komen en daardoor opnieuw een ernstige kans te maken om, zonder een beroep te doen op militaire of economische afdreiging, een rol te blijven spelen in het concert van de volkeren. Slechts dan zullen wij samen intercultureel kunnen onderhandelen op een nieuwe basis, namelijk met gelijkwaardige en tegelijk ‘andere’ partners. De dichter-ziener Borges parafraserend kan men enkel hopen dat de wereld dan misschien minder ‘vergeefs verscheiden’ zal zijn.’(21)

Een andere vraagstelling en een boeiend en confronterend uitgangspunt om daaraan de ‘clash of civilizations’ te toetsen en een aansporing om op een intercultureel ‘communicatie-proces’ over te stappen.

Noten:

1. Huntington, S. Botsende Beschavingen. Cultuur en conflict in de 21ste eeuw. Standaard Uitgeverij, Antwerpen, 1997, p. 9 e.v.

[ The clash of civilizations and the remaking of world order. Somon & Schuster, N.Y.]

2. Kuhn,T. The structure of Scientific Revolutions. Chicago, 1962.

3. Laudan, L. Progress and its problems. Toward a theory of scientific growth. London, University of California Press, 1977, p..196 e.v.

4. Wolf, E.R. Perilous Ideas. Race, Culture, People. Current Anthropology. Violume 35, nr.1, 1994.

5. We verwijzen hier exemplarisch naar auteurs als Lorenz, Eibesfeldt, Tinbergen, Russell & Russell, Wiepkema & Van Hooff.

6. De Laender, J. Het hart van de duisternis. Psychologie van de menselijke wreedheid. Davidsfonds, Leuven, 1996.

7. We verwijzen exemplarisch naar Freud, Adler, Fromm, Bowlby (psychodynamici) en naar Dollard & Miller, Berkowitz, Buss, Bandura & Walters (behavioristen).

8. Howell, S & Willis, R. Societies At Peace. Anthropological Perspectives. Routledge, London, 1989, p.4.

9. Voor een beeld op de relatie identiteit, cultuur en conflict verwijzen we naar de bijdrage van Drs. Verstraete.

10. Debat ‘Prof. Huntington en Prof. Pinxten’, Antwerpen, 1 november 1997.

11. We verwijzen voor het concept ‘koloniale houding’ naar het boek van Pinxten, R. Culturen sterven langzaam. Hadewijch, Antwerpen, 1994.

12. Rogers, R.S. e.a. Social Psychology. A Critical Agenda. Cambridge, Polity Press, 1995, p.169.

13. Gibson, T. in Howell & Willis (Red.) o.c. p.60-61.

14. Vrij naar: Campbell, A in Howell & Willis (Red.) o.c.

15. Campbell, A. o.c. p.224.

16. Pinxten, R. o.c. p.12

17. Heelas, P. in Howell & Willis. o.c. p.240.

18. Howell & Willis. o.c. p.vii.

We willen dit citaat van Howell & Willis echter niet laten staan zonder het aanvullende (en waarschuwende) citaat van Robarchek, in hetzelfde werk op p.32: ‘Both in popular accounts and in much social science literature, the image of a peaceful society seems to carry with a number of associated conceptions: cooperation, communalism, absence of self-interest, and so on. In short, when we hear of a peaceful society, we are likely to

envision a society that is somehow the antithesis of the self-absorbed individualism of the modern urban-industrial world.’ De werkelijkheid is dus veel complexer dan dat…

19. Sahlins, M. The Use and Abuse of Biology: an Anthropological Critique of Sociobiology. Tavistock publications, London, 1977, p.13.

20. Vrij naar: Rogers, R.S. e.a. o.c. p.169 e.v.

21. Pinxten, R. o.c. p.133. Dit werk biedt tevens een concreet en verantwoord model enerzijds voor cultuurvergelijking, anderzijds voor het proces van intercultureel negotiëren.

De auteur is licentiate vergelijkende cultuurwetenschap en docente aan IPSOC, Kortrijk. Zij publiceert vooral over agressie als cultureel fenomeen. Zij is ook actief in de organisatie van het sociale welzijnswerk in Vlaanderen.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift