Conflict en stabilisatie in de rest van Oost-Congo

Een snelle stabilisatie van Noord- en in minder mate Zuid-Kivu is vooralsnog veraf. De situatie van gewapend conflict is het gevolg van een veelheid aan geschilpunten tussen evenveel partijen. Nergens anders in Congo zijn bijvoorbeeld de etnische breuklijnen zo scherp als in de relatief dichtbevolkte regio’s van Rutshuru en Masisi.

  • CC United Nations Photo Mensen op de vlucht in Bunia, Ituri, mei 2004. Na een extreem gewelddadige periode van etnisch geweld tussen 1999 en 2003 gaat Ituri al vele jaren gebukt onder een sluimerend conflict. CC United Nations Photo

Die breuklijnen brengen vaak conflicten over grond en grondstoffen met zich mee. Bovendien zijn enkele van de meest zichtbare conflicten niet Congolees van aard, maar geëxporteerd vanuit de buurlanden. Zo is er bijvoorbeeld de blijvende erfenis van de Rwandese genocide, met de aanwezigheid van de FDLR, maar er zijn ook Oegandese en Burundese rebellen die opereren vanop Congolees grondgebied. Diezelfde buurlanden, Rwanda op kop, hebben ook strategische belangen in de regio en deinzen er niet voor terug om in Congo tussen te komen om die belangen te beschermen. Het resultaat van dat alles is een kluwen van belangen en van geschillen tussen lokale groepen, de machthebbers in Kinshasa en enkele buurlanden. Die complexiteit maakt een oplossing niet onmogelijk, maar vereist wel een grondige, langdurige en internationaal gecoördineerde aanpak.

Het oosten van Congo is evenwel veel groter dan de twee kleine Kivu-provincies. In de Province Orientale en Katanga en Maniema vinden we ook een aantal brandhaarden van conflict. Sommige zijn actief, andere eerder sluimerend. Die conflicten zijn over het algemeen niet erg complex. Mits een doortastend nationaal beleid lijkt een snelle oplossing mogelijk. Dat kan de huidige crisis herleiden tot een vrij beperkt gebied en kan ook de mogelijkheid bieden om meer tijd en middelen te investeren in een oplossing voor de Kivu-provincies.

Georganiseerde misdaad in Bafwasende en Mambasa

Zo kunnen we bijvoorbeeld lessen trekken uit de aanslepende situatie van onveiligheid in de uitgestrekte territoires Bafwasende en Mambasa, in het zuidoosten van Province Orientale en grenzend aan Noord-Kivu. In Bafwasende opereert de gewapende Mai-Mai-groep van Luc Yabili. De oorsprong van de verschillende Mai-Mai-groepen in Bafwasende gaat terug tot de Simba-rebellie van 1964.

Yabili beschikt over een erg beperkt aantal manschappen. De VN schat hun aantal op minder dan honderd strijders, sommigen zonder vuurwapens. Bovendien heeft Yabili in 2012 enkele keren geprobeerd om zich over te geven. Het Congolese regeringsleger (FARDC), in hoofde van de lokale bevelhebber Generaal Jean-Claude Kifwa, heeft echter geen gevolg gegeven aan die demarches. Integendeel: sinds mei 2008 heeft het leger Bafwasende ononderbroken tot operationele zone verklaard en er de hele tijd minstens twee bataljons – het equivalent van 1600 soldaten – ontplooid. Lokale politici beweren dat er de laatste twee jaar geen enkele confrontatie tussen de Mai-Mai en de FARDC is geweest, terwijl het geweld tegen de bevolking voortgaat. Deskundigen van de VN verklaren die blokkage door het voordeel dat hoge FARDC-militairen hebben bij deze situatie. Bafwasende herbergt aanzienlijke natuurlijke rijkdommen zoals ivoor, tropisch hout en groot wild, maar ook mineralen als goud en diamant. De FARDC is vaak rechtstreeks betrokken bij de illegale handel in die rijkdommen: de militairen organiseren de ontginning en de verkoop.

Hetzelfde criminele netwerk ondersteunt ook de activiteiten van een andere gewapende groep in het aangrenzende ‘territoire’ Mambasa. De beruchte Mai-Mai Morgan-groep heeft er in 2012 een aantal keer lelijk huisgehouden. Het meest opvallend was hun aanval op Epulu, de basis van de parkwachters van het Okapireservaat. Epulu was tot dan toe een van de weinige plekken die tijdens de Congo-oorlogen nog nooit was aangevallen of geplunderd. Voormalige strijders van Morgan hebben verklaard dat ze wapens en uitrusting hebben ontvangen van FARDC-militairen aan wie ze ivoor verkochten.

De georganiseerde misdaad die hier bedreven wordt door enkele FARDC-officieren, is waarschijnlijk het belangrijkste obstakel om de conflicten in Mambasa en Bafwasende te beëindigen. Een krachtige interventie vanuit Kinshasa kan paal en perk stellen aan de praktijken van die vredesbedervers en zo het pad effenen voor een onderhandelde oplossing. Een dergelijke interventie leek in de maak toen de Congolese regering op 23 november 2012 besliste de toenmalige stafchef van de landmacht, Gabriel Amisi, te schorsen in verband met deze zaak. Van de aangekondigde onderzoeken naar andere betrokkenen lijkt voorlopig echter nog niets in huis te komen.

Verwaarlozing van de periferie in Ituri

Een andere operationele zone voor de FARDC in de Province Orientale is het Ituri-district met commandocentrum in Bunia. Na een extreem gewelddadige periode van etnisch geweld tussen 1999 en 2003 gaat Ituri al vele jaren gebukt onder een sluimerend conflict. Van de toenmalige milities blijft alleen een kleine groep van een paar honderd strijders van het FRPI (Front de Résistance Patriotique de l’Ituri) actief. In februari 2012 kondigde FRPI-leider Cobra Matata aan dat hij onder bepaalde voorwaarden bereid was om met zijn troepen op te gaan in de FARDC. Matata eiste vooral bepaalde garanties en voordelen voor zichzelf en zijn medestanders. Meer dan een jaar later zijn de onderhandelingen nog altijd niet afgerond en klaagt de plaatselijke bevolking over de onveiligheid die het FRPI veroorzaakt.

Nog in 2012 heeft M23 herhaaldelijk geprobeerd om de (ex-)milities uit Ituri, inclusief het FRPI, voor zijn zaak te winnen. Als gevolg van die pogingen ontstond een periode van verhoogde instabiliteit met enkele opmerkelijke deserties uit de FARDC en de oprichting van enkele nieuwe gewapende groepen en allianties. M23 is er echter nooit in geslaagd een nieuwe opstand in Ituri op de been te brengen en de nieuwe groepen zijn een stille dood gestorven.

Nochtans heerst er in Ituri ontevredenheid over het huidige bewind en daardoor bestaat er een zekere voedingsbodem voor verdere militievorming en rebellie. Net als in andere regio’s in Congo heerst in Ituri een gevoel van verwaarlozing en zelfs verraad door Kinshasa. In Ituri is dat gevoel bijzonder opvallend. Dat komt door een aantal factoren. Ten eerste heerst er een duidelijke verontwaardiging dat – met uitzondering van Jean-Pierre Bemba – alleen hun voormalige militieleiders voor het Internationaal Strafhof in Den Haag (ICC) moeten verschijnen.

Het was zeker niet bevorderlijk dat in juli 2012 Thomas Lubanga, een etnische Hema uit Ituri, meteen als eerste beschuldigde ooit door het ICC werd veroordeeld. De mensen van Ituri houden de Congolese regering hiervoor mee verantwoordelijk, want zij heeft de verdachten uitgeleverd aan het ICC. Ten tweede menen de ex-miliciens, vooral leden van de Lendu-etnie, dat ze ondervertegenwoordigd zijn in de hogere echelons van de FARDC, ondanks hun historische steun aan Joseph Kabila. En ten derde is de Congolese staat nauwelijks aanwezig in Ituri. De overheidsinvesteringen zijn minimaal, ook al zijn er in het district enorme rijkdommen. In Ituri hebben de Cinq Chantiers van President Kabila zelfs niet voor een symbolische verandering gezorgd. De toevoer van elektriciteit en water is nog even problematisch als in 2006. Een poging om nog net voor de verkiezingen van 2011 de hoofdstraat in Bunia opnieuw aan te leggen, heeft de weg veeleer vernield dan verbeterd. De laatste keer dat President Kabila Ituri bezocht, was in september 2010. Dat staat uiteraard in schril contrast met de vaststelling dat Ituri beschikt over aanzienlijke voorraden goud en tropisch hout, maar vooral olie.

Een ernstige poging vanuit Kinshasa om het lokale potentieel te gebruiken voor de ontwikkeling van de regio zou een groot deel van de ontevredenheid kunnen wegnemen. Indien dat niet gebeurt, loopt Ituri en bij uitbreiding heel Congo het risico af te glijden naar een permanente militaire betwisting van het centrale gezag door de periferie: een situatie die vergelijkbaar is met de toestand in Soedan en de Centraal-Afrikaanse Republiek.

Nood aan middelen voor lokaal bestuur in Katanga

Het rommelt ook al een tijdje in de provincie Katanga, die samen met Maniema nochtans een van de twee zogenaamde ‘presidentiële provincies’ is. De onrust in Katanga wordt veroorzaakt door een vreemdsoortige coalitie tussen de erfgenamen van de Katangese Gendarmes van Moïse Tshombe en de restanten van een aantal Mai-Mai-milities. Tussen 2007 en 2010, bijna de hele eerste ambtstermijn van President Kabila, was de koperprovincie nochtans vrij van gewapend conflict. Maar in februari 2011 veroverde een commando van Katangese separatisten voor enkele uren de controle over de luchthaven van Lubumbashi. Die aanval werd gevolgd door een reeks symbolische operaties die uitmondden in de bevrijding van de beruchte Mai-Mai-chef Gédéon uit de gevangenis van Kasapa (Lubumbahsi). In de loop van 2012 werd duidelijk dat de Mai-Mai-groepen in Centraal Katanga opnieuw gemobiliseerd werden onder leiding van onder andere de separatisten en Gédéon. Sindsdien heeft de coalitie de controle verworven over grote delen van het onherbergzame centrum van de provincie. Het conflict bleef grotendeels buiten de media, tot in maart 2013 plotseling 250 strijders en sympathisanten, sommigen met vuurwapens, in het centrum van Lubumbashi de Katangese vlag hesen vóór ze door de ordetroepen naar de plaatselijke basis van MONUSCO (de VN-blauwhelmen in Congo) werden gedreven. Het incident kostte het leven aan minstens 23 personen.

Kinshasa heeft intussen een onderzoek aangekondigd naar de medeplichtigen van het bovenstaande incident. Het is namelijk verwonderlijk dat deze vrij grote groep zonder problemen tot in het centrum van de grootstad kon komen. Ook bij de bevrijding van Gédéon konden de aanvallers touwens opvallend gemakkelijk tot hun doelwit doordringen. De rebellencoalitie geniet zonder twijfel steun op hoog politiek niveau. Die steun is cruciaal voor het succes van hun acties. We moeten echter ook beseffen dat de onafhankelijkheidsgedachte op sympathie kan rekenen bij brede lagen van de bevolking. Veel Katangezen stellen zich vragen over de bijdrage die ze leveren aan de Congolese staatskas en wat ze daarvoor in ruil krijgen.

De sleutel hiervoor ligt bij de zogenaamde ‘decentralisatie’, een heikel punt dat is vastgelegd in de grondwet van februari 2006. De twee belangrijkste aspecten van die staatshervorming zijn de opdeling van Congo in 26 provincies en een gedeeltelijke fiscale autonomie voor die lagere bestuurseenheden. De opdeling in nieuwe provincies kan op zich ook weer leiden tot conflict en moet daarom voorzichtig worden aangepakt. Maar er zullen in die regio’s daarentegen weinig tegenstanders zijn van de fiscale autonomie. Die betekent concreet dat 40% van de belastingen die de provincies innen, rechtstreeks in de eigen middelen terechtkomt. Een grotere controle over de eigen inkomsten zou in Katanga alvast een deel van de voedingsbodem wegnemen waarin het separatisme op dit moment gedijt.

Terug naar de Kivu-provincies

De hierboven beschreven problemen zijn ook allemaal in mindere of meerdere mate aanwezig in de Kivu-provincies. Het zijn zaken die men vanuit Kinshasa zonder uitstel kan trachten aan te pakken, zonder steun van de internationale gemeenschap en buiten de invloedssfeer van de buurlanden. De namen van de meest corrupte officieren – Kolonel Bindu om er één te noemen – zijn bekend, de prioriteiten voor lokale investeringen ook. De aanpak van die problemen, zowel buiten als binnen Kivu, kan de juiste randvoorwaarden scheppen om te komen tot een duurzame oplossing voor het ingewikkelde kluwen van conflicten en belangen in Rutshuru en Masisi. Dat zal op zijn minst leiden tot een belangrijke beperking van het geweld in de rest van het oosten van Congo.

Steven Spittaels studeerde internationale politiek en Advanced Master of Arts in Conflict and Sustainable Peace aan de KU Leuven. Hij deed terreinervaring op in de Balkan en Centraal-Afrika waar hij actief was als onderzoeker, projectmedewerker en projectevaluator. Bij IPIS startte hij in 2006 het mappingproject op. Van 2010 tot 2012 was hij directeur van IPIS.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift