Congo in het oog van een regionale storm

De oorlog die Laurent Kabila en zijn Alliance des Forces Démocratiques pour la Libération du Congo-Zaïre (AFDL) in mei 1997 aan de macht bracht, kan niet geïsoleerd worden bekeken. De gebeurtenissen van 1996-1997 waren ingebed in de bredere context van drie conflicten, die -hoewel intrinsiek niet met elkaar verbonden- gedurende de laatste jaren steeds meer naar elkaar toegroeiden: het conflict van de grote meren en de Sudanese en Angolese burgeroorlogen.
De geografische nabijheid van deze haarden van instabiliteit en het spel van objectieve allianties (alle actoren redeneren in de logica van ‘de vijand van mijn vijand is mijn vriend’) hebben zo het perspectief geopend van een enorme oorlogszone, die zich uitstrekt van Luanda tot Asmara. Zaïre, zoals het land toen nog heette, was om twee redenen de band tussen deze zones van geweld. Enerzijds was de Zaïrese staat virtueel verdwenen, hetgeen in het centrum van het continent een ‘zwart gat’ liet, met poreuze grenzen, praktisch geen nationaal leger of administratie, zwakke communicatie tussen centrum en periferie en tussen de periferieën, en een in essentie geïnformaliseerde en gecriminaliseerde economie. Anderzijds was het regime Mobutu betrokken bij de burgeroorlogen in buurlanden: het steunde de regering van Khartoem in haar strijd tegen de Zuid-Sudanese rebellies, die op hun beurt werden gesteund door de Verenigde Staten en Uganda; het Zaïrese grondgebied werd gebruikt als uitvals- en terugplooibasis voor aanvallen van gewapende groepen tegen Uganda, Rwanda en Burundi; en aan de steun van Mobutu voor de Angolese rebellenbeweging UNITA was geen eind gekomen met het Lusaka vredesakkoord van 1994.

De regimewissel in Congo-Kinshasa was derhalve het resultaat van twee factoren: enerzijds de extreme zwakte van de Forces Armées Zaïroises (FAZ), de spiegel van een onbestaande staat; anderzijds, de operatie van een formidabele regionale coalitie ter ondersteuning van Kabila’s rebellie. Vijf van de negen onmiddellijke buren van Zaïre werkten actief mee aan de omverwerping van het Mobutu-regime. Natuurlijk was dit een conjuncturele en dus fragiele alliantie, die van bij het begin het risico liep haar cement te verliezen, eens het gemeenschappelijk doel was bereikt. Dat is precies hetgeen is gebeurd.

In tegenstelling tot wat Kabila’s Oostelijke sponsors hadden gehoopt, bleven de twee problemen die de onmiddellijke aanleiding waren geweest voor de oorlog van 1996-1997 bestaan. Congo, en de Kivu-streek in het bijzonder, bleef een haard van instabiliteit voor Uganda, Rwanda en Burundi en het werd al snel duidelijk dat het nieuwe regime van Kinshasa noch de middelen noch de wil had de veiligheid van de buren te garanderen. Ook het statuut van de Rwandeestaligen, en met name de Tutsi in Noord- en Zuid-Kivu, raakte niet opgehelderd. Integendeel, het anti-Rwandese gevoel in de streek was nog erger geworden, o.m. als gevolg van het brutale optreden van het Rwandese leger en het gevoel van de lokale bevolkingen dat zij onder een bezettingsregime leefden.

Inmiddels werd Kabila geconfronteerd met een groot dilemma. Reeds gedurende de rebellie was het duidelijk dat zijn eigen militaire en politieke basis smal was en dat externe krachten -vooral Rwanda en Uganda in de eerste fase van de oorlog, Angola (gedeeltelijk via de Katangese gendarmes) in de tweede fase- hem aan de macht hadden gebracht. Hoewel Kabila initieel goed werd ontvangen, al was het maar omdat hij Mobutu had omvergeworpen en een eind had gesteld aan de misbruiken van de FAZ, werd deze afhankelijkheid al snel een handicap in termen van interne politieke legitimiteit. De voortdurende zichtbare aanwezigheid van buitenlandse militairen, vooral van het Rwandees Patriottisch Leger (RPA), gaf aanleiding to beschuldigingen dat Kabila maar een ‘marionet’ was van Rwanda en, in mindere mate, van Uganda. In het kader van hetgeen Colette Braeckman een ‘plicht van ondankbaarheid’ heeft genoemd, poogde het nieuwe regime zich vanaf de herfst van 1997 te ‘bevrijden’ van hetgeen de Congolezen steeds meer gingen percipiëren als een Rwandees protectoraat. Verbale incidenten met Uganda en Rwanda werden frequenter en bitsiger en in mei 1998 weigerden Kampala en Kigali deel te nemen aan een conferentie over regionale veiligheid die Kabila wilde organiseren om de eerste verjaardag van zijn machtsovername te vieren. Op 11 juli werd de Rwandese officier James Kabari als stafchef van het Congolese leger vervangen door Célestin Kifwa, een schoonbroer van Kabila. De spreekwoordelijke druppel viel op 26 juli, toen Kabila de Rwandese en andere buitenlandse troepen bedankte voor hun bewezen diensten en hen verzocht het land te verlaten. Een nieuwe oorlog, die reeds een tijd in de sterren stond geschreven, was onvermijdelijk geworden.

Schuivende allianties


Gedurende de dagen die volgden op de beslissing van Kabila werden intense Rwandese en Ugandese troepenbewegingen gesignaleerd in het grensgebied. Op 2 augustus begonnen ongeveer gelijktijdig gevechten in Goma, Bukavu en Uvira. Net zoals in 1996 dook pas een tiental dagen na het begin van de ‘opstand’ een Congolese rebellenbeweging op, die op 12 augustus een naam (Rassemblement Congolais pour la Démocratie- RCD) en een voorlopige leiding kreeg. In het Oosten nam de ‘rebellie’ zeer snel terrein in, met Ugandese, Rwandese en Burundese troepen in de eerste lijn. Op 4 augustus werd ook een zeer gewaagde door de lucht vervoerde operatie ingezet in Beneden-Congo, ten Westen van Kinshasa. Onder het bevel van James Kabari namen Rwandese en Ugandese troepen snel de militaire basis van Kitona in en veroverden van daar uit een ruime zone, waaronder de haven van Matadi en de electriciteitscentrale van Inga. Het potentiële dividend van deze raid was enorm, niet alleen omdat Kinshasa direct werd bedreigd, maar ook omdat de reserves van de Forces Armées Congolaises (FAC) op het westelijk front werden gebonden en niet ter versterking konden worden aangevoerd naar het Oosten.

Maar hier bleek ook dat de nieuwe oorlog niet zo maar een herhaling was van de rebellie van 1996-1997. Hoewel deze ongeveer unanieme steun had genoten in en buiten Congo, was de alliantie -die, zoals ik al zegde, de omverwerping van Mobutu beoogde- conjunctureel en daarom ook fragiel. In augustus 1998 bleek deze broosheid onmiddellijk, toen de allianties op een spectaculaire manier gingen schuiven. Opnieuw redenerend in termen van ‘de vijand van mijn vijand is mijn vriend’ werden de bondgenoten van gisteren de tegenstanders van vandaag. Op het Westers front werd Kabila gered door een interventie van een Angolees expeditiekorps, dat werd gestuurd in uitvoering van een beslissing die op 19 augustus werd genomen in Harare, toen Zimbabwe, Namibië en Angola ingingen op een verzoek tot militaire steun in het raam van de Ontwikkelingsgemeenschap van Zuidelijk Afrika (SADC), waarvan Congo recent lid was geworden. Angola en Zimbabwe stuurden duizenden soldaten; Namibië hield het bij enkele honderden. Tegen eind september waren ook Tsjaad, Libië en Sudan rechtstreeks of onrechtstreeks in het conflict betrokken. In de woorden van de Amerikaanse onder-staatssecretaris voor Afrikaanse Zaken, Susan Rice, werd het Congolese conflict al gauw de ‘eerste Afrikaanse wereldoorlog’.

Hier ontbreekt de plaats om het verdere verloop van het conflict te beschrijven. Vermelden wij slechts dat, begin 1999, de frontlijn in het Oosten zich min of meer stabiliseerde op de lijn Ikela-Lodja-Kabinda-Pweto; dat in het Noorden een nieuwe, door Uganda gesteunde rebellenbeweging, de Mouvement de Libération du Congo (MLC), een belangrijk stuk grondgebied wist te bezetten; dat de RCD uiteen viel in twee fracties, één die initieel gevestigd was in Kisangani en later in Bunia, gesteund door Uganda, terwijl de andere, gesteund door Rwanda, haar hoofdkwartier behield in Goma; dat de reeds eerder zichtbare meningsverschillen tussen Uganda en Rwanda zich midden augustus 1999 dramatisch uitten toen beide legers een regelrechte veldslag leverden in Kisangani (het Ugandees-Rwandees conflict, dat zowel politieke als economische facetten heeft, is niet opgelost); en dat de bevolkingen van de bezette gebieden in het Oosten passief en actief (cf. de mayi-mayi, elders in dit nummer besproken) weerstand boden tegen hetgeen zij ondergingen als een Rwandese bezetting (in die zin zit de RCD-Goma opgescheept met hetzelfde probleem als Kabila bij zijn machtsovername). Intussen teerde het regime van Kinshasa, dat militair slechts in leven wordt gehouden door Zimbabwe en Angola, op een élan van nationalisme en poogde het zijn greep op (de helft van) het land te versterken door autoritaire maatregelen en de oprichting van de comités du pouvoir populaire (CPP), die de herinnering oproepen van de Corps des volontaires de la République (CVR) van de begindagen van het Mobututijdperk. Economisch verslechterde de situatie dramatisch, deels als gevolg van de oorlog, maar deels ook door het incoherente en incompetente overheidsbeleid.

De akkoorden van Lusaka, de regionale actoren en de rol van de ‘internationale gemeenschap’


Toen bleek dat de nieuwe oorlog geen versnelde ‘replay’ zou worden van de vorige en dat Kabila, die zich op amper één jaar tijd in de regio en daarbuiten zeer veel vijanden had gemaakt, niet spoedig zou worden opzij geschoven, werd duidelijk welke continentale gevolgen het conflict kon hebben. De eerste initiatieven kwamen vooral van Afrikaanse kant, en moesten in het begin de tussenkomst van Kabila’s bondgenoten rechtvaardigen: reeds in augustus 1998 vonden twee bijeenkomsten plaats in Victoria Falls op Zimbabwaans initiatief. Op 22 augustus poogde Zuid-Afrika zijn voet in de deur te zetten en organiseerde een bijeenkomst in Pretoria. Midden september werd in Addis-Abeba een eerste voorstel van staakt-het-vuren besproken onder de auspiciën van de Organisatie van Afrikaanse Eenheid (OAE). Op 14 september, ter gelegenheid van de SADC top in Mauritius, begon het initiatief van de Zambiaanse president Chiluba, die verschillende bijeenkomsten belegde in Lusaka (28 oktober, 8 december, 28 december 1998, 16 januari 1999). Ondertussen stond Congo op de agenda van een groot aantal vergaderingen: de top van de ‘Francophonie’ in Parijs (20 november 1998), een OAE-top in Burkina Faso (18 december 1998), een informele top in Windhoek (18 januari 1999), een poging van Mandela om een oplossing te forceren vooraleer hij zou aftreden (Pretoria 6 maart 1999), een nieuwe OAE-top in Addis-Abeba (23 maart 1999), een VN-initiatief in New York (9 april 1999), het spectaculaire initiatief van president Khadafi in Sirte (19 april 1999 en opnieuw op 15 mei), gesprekken in Dodoma, Tanzania (5 mei 1999), een Congolees-Ugandese bilaterale top in Kampala (28-30 mei 1999), een minitop in Pretoria naar aanleiding van de eedaflegging van president Thabo Mbeki (17 juni 1999) en tenslotte de top waarop uiteindelijk het akkoord van Lusaka werd ondertekend (10 juli 1999). Dit overzicht geeft aan dat er wel degelijk heel wat is ondernomen sedert het begin van de oorlog; deze drukke diplomatieke activiteit geeft aan hoezeer de Afrikaanse staten bezorgd waren over de situatie in Midden-Afrika. Het is ook opvallend dat het initiatief steeds in Afrikaanse handen is gebleven, hoewel een aantal externe actoren -en met name de VS- in de coulissen zeer actief aanwezig waren, maar blijkbaar sterk vasthielden aan ‘African ownership’. Doorheen dit proces dat ongeveer een jaar heeft geduurd, werden af en toe significante stappen gezet, die uiteindelijk uitmondden in het akkoord van Lusaka. Zo is de in september 1998 in Addis-Abeba voorgestelde tekst van een staakt-het-vuren de basis gebleven van de finaal goedgekeurde overeenkomst; de informele top in Windhoek was een doorbraak omdat de strijdende partijen (maar nog niet de Congolese rebellen) het eens werden over de modaliteiten van een bestand; tijdens de Sirte-vergadering ondertekenden Kabila en Museveni een akkoord, dat tevens de ontplooiing van een internationale troepenmacht voorzag; tijdens de vergadering van maart 1999 in Addis-Abeba aanvaardde Kabila voor het eerst dat alle betrokken partijen, dus ook de rebellen, moesten worden betrokken bij een vredesakkoord. Deze toegeving bereidde de weg voor de uiteindelijke top in Lusaka. Omwille van onenigheid tussen de drie rebellenbewegingen zou het nog duren tot 31 augustus 1999 vooraleer ook zij hun handtekening onder het akkoord plaatsten.

Het akkoord is ondertekend door Congo, zijn bondgenoten Angola, Namibië en Zimbabwe, de drie rebellenbewegingen en hun sponsors Rwanda en Uganda. Als ‘getuigen’ tekenden de Zambiaanse president Chiluba en vertegenwoordigers van de OAE, de VN en SADC. In grote lijnen bevat het akkoord twee luiken. Het eerste is militair: een staakt-het-vuren, de ontplooiing van een gemengde militaire commissie (Joint Military Commission - JMC) eerst, en nadien een internationale vredesmacht onder hoofdstuk VII van het VN-Handvest, en tenslotte de neutralisering van ‘negatieve krachten’ (cf. verder) en de terugtrekking van buitenlandse troepen. Het tweede is politiek en omvat de organisatie van een Congolese politieke dialoog en het herstel van het staatsgezag over het geheel van het nationale grondgebied. Terwijl het politieke luik essentieel nationaal is, omvat het militaire luik structureel ook niet-Congolese actoren, nl. zowel de ‘uitgenodigde’ (Angola, Namibië, Zimbabwe) als de ‘niet-uitgenodigde’ (Uganda, Rwanda) buitenlandse troepen; daarbij mag worden aangemerkt dat Burundi, dat nochtans troepen handhaaft tussen Uvira en Kalemie, geen mede-ondertekenaar is. Eén van de zwakten van het akkoord was dat geen centraal uitvoeringsorgaan werd voorzien; de aanstelling, eind 1999, van de voormalige Botswaanse president Masire als facilitator zou het vredesproces de ‘locomotief’ moeten verschaffen die het tot dan miste.

Ik kom dadelijk nog terug op het politieke luik, maar zeg eerst iets over het militaire/buitenlandse aspect, omdat het evident is dat er in Congo geen oorlog van deze omvang zou zijn zonder buitenlandse militaire aanwezigheid, ‘faute de combattants’. De regionale spelers wegen derhalve zwaar op het proces van de effectieve uitvoering van het akkoord van Lusaka, en wel op diverse manieren. Ten eerste op het strikt militaire vlak. De meeste schendingen van het bestand komen van de rebellen en hun respectieve ‘peetvaders’: vooral de MLC, gesteund door Uganda, heeft sedert Lusaka aanzienlijk terrein veroverd in het noordwesten; ook de recente incidenten in Ikela waren een gevolg van de schending van het bestand door de RCD-Goma en het RPA, het geregeld Rwandese Leger. Elders houdt het front behoorlijk stand, hetgeen echter eerder een gevolg lijkt van een militaire patstelling dan van de wil de bestandslijn te respecteren.

Vervolgens het politieke vlak. Vooral in de RCD-Goma heerst onenigheid, onder meer over de positionering tegenover de Rwandese sponsor en diens rol; dit bijzonder delicaat punt, dat al eerder bijdroeg tot de afsplitsing van de RCD-Wamba, zou tot nieuwe fragmentering kunnen leiden. Een ander moeilijk politiek punt, nauw verbonden met het voorgaande, is de perceptie -en in feite de realiteit- van de vestiging van protectoraten in Oost-Congo (een Rwandees gebied in Zuid-Kivu, het Zuiden van Noord-Kivu, Maniema en delen van Noord-Katanga en Kasaï; een Ugandese zone in het Noorden van Noord-Kivu, de Oostprovincie en -in mindere mate- de Evenaarsprovincie). Zoals reeds aangegeven, wordt deze bezetting, vooral die van het Rwandese leger, bijzonder negatief ervaren door de lokale bevolkingen, hetgeen aanleiding geeft tot acties van de zgn. mayi-mayi (zie hierover elders in dit nummer). De staalharde repressie van dat leger en zijn bondgenoten van de RCD resulteert in zeer grove mensenrechtenschendingen en heeft ook substantieel bijgedragen tot de etnogenese die de laatste jaren ‘Bantu’ en ‘Hamieten’ tegenover elkaar plaatst (zie verder). Op een meer geopolitiek vlak moet worden gewezen op een aantal andere factoren die zwaar doorwegen: het Rwandees-Ugandees contentieux (dat erg zichtbaar tot uiting is gekomen in de ‘slag om Kisangani’ van augustus 1999, maar dat veel dieper zit en niet is opgelost), de herpositionering van de UNITA en de Angolese reactie daarop, de verplaatsing van niet-statelijke strijdkrachten, o.m. naar Tanzania, en de dreiging die zij inhoudt voor Burundi dat dikwijls wordt beschouwd als de ‘zwakke schakel van het Tutsi-front’ en, in het algemeen, de fenomenen van de steeds verder schuivende allianties en van de extraterritoriale oorlogsvoering. Daarbij mag niet worden vergeten dat de essentiële motivering voor de diverse actoren de gepercipieerde belangen zijn van nationale, factionele of persoonlijke aard.

Tenslotte op het economisch vlak: ‘ondernemers van onveiligheid’ op het lokale, regionale en internationale vlak hebben er alle belang bij dat situaties van conflict en afwezigheid van staat voortduren. Slechts in die gecriminaliseerde en geprivatiseerde omgeving zijn activiteiten van plundering, informele fiscaliteit en illegale uitvoer mogelijk. De oorlogvoerende partijen aan beide kanten maken zich hieraan schuldig, en het paradoxale gevolg is dat de Congolezen, of zij dat willen of niet, hun eigen destabilisering financieren. Ook hierop kom ik later nog even terug.

De Democratisch Republiek Congo, zoals Zaïre voordien, is weliswaar een factor van instabiliteit voor de regio, maar tegelijkertijd wordt het land ook bedreigd door de instabiliteit van de buurlanden. Ondanks het recente akkoord met Sudan blijven diverse rebellenbewegingen grote delen van Uganda onveilig maken en is het regime van Museveni veel minder stevig dan dikwijls wordt verondersteld. Rwanda, waar elke politieke dialoog afwezig blijft, het regime zich steeds verder terugplooit op een smalle basis, de rebellie van het Armée de Libération du Rwanda een factor blijft, en -in tegenstelling tot wat de ‘internationale gemeenschap’ lijkt te denken- de neutralisering van de zogenaamde ‘negatieve krachten’ (ex-FAR, Forces Armées Rwandaises, en Hutumilites van de voormalige Interahamwe) weinig zal oplossen, blijft een haard van conflict. In Burundi, waar de politieke actoren doen alsof zij dialogeren en de ‘internationale gemeenschap’ doet alsof zij het gelooft, is een oplossing ver weg, en de aanstelling van Nelson Mandela tot bemiddelaar in opvolging van Julius Nyerere is geen garantie voor succes. In Angola wordt de burgeroorlog steeds meer extraterritoriaal uitgevochten en infecteert hij niet alleen de beide Congo’s, maar ook Zambia en Namibië. Congo-Brazzaville, de Centraalafrikaanse Republiek en Sudan zijn allesbehalve gestabiliseerd. Vermits al deze politiek-militaire actoren hun conflicten grensoverschrijdend uitvechten, zijn die onopgeloste nationale problemen tevens problemen voor de buurlanden en voor de gehele Midden-Afrikaanse regio.

Hoewel, zoals gezegd, de ‘internationale gemeenschap’ bezorgd is over deze situatie, ontbeert zij de wil en de middelen om effectief een rol te spelen. Het valt nog te bezien of de door de Amerikaanse VN-ambassadeur gesponsorde ‘Maand van Afrika’ (januari 2000) die ene maand zal overleven. Het is ook niet zeker dat Sir Ketumile Masire de noodzakelijke hefbomen zal krijgen om zijn uitzonderlijk complexe opdracht tot een goed einde te brengen.

Perspectieven


Sedert 1996 is Congo het slagveld geworden waar militaire actoren -zowel regeringslegers als niet-statelijke gewapende groepen- hun oorlogen extraterritoriaal uitvechten en waar economische operatoren, dikwijls van het maffieuze type, korte termijnbelangen nastreven in hetgeen meer weg heeft van plundering dan van ondernemersschap. De complexiteit van de situatie wordt nog versterkt door het grote aantal actoren: in het gebied van de grote meren alleen al zijn vier regeringslegers, twee voormalige regeringslegers en een dozijn rebellengroepen en etnische milities verwikkeld in gewelddadige confrontaties. Deze conflicten vinden plaats in een regio met poreuze grenzen, onstabiele staten en aanzienlijke ongecontroleerde wapentrafieken. In zulke context is de groeiende invloed van krijgsheren (die zowel statelijk als niet-statelijk zijn) niet verwonderlijk, temeer omdat -zoals wij reeds zagen- vele van deze actoren er alle belang bij hebben dat de instabiliteit en de afwezigheid van de staat in Congo voortduurt. Het doel van de buitenlandse actoren is derhalve niet een (quasi-) statelijke controle te vestigen, territoria te veroveren of bevolkingen te onderwerpen, maar de toegang te forceren of te beveiligen tot middelen van verrijking, die zich bij voorkeur bevinden in enclaves zonder staatsgezag. Congo levert zo een sterke, zij het historisch niet unieke, illustratie van de verwante fenomenen van de privatisering en criminalisering van publieke ruimten, waaraan de literatuur (Bayart, Ellis, Hibou, Reno, Mbembe) de laatste jaren veel aandacht is gaan besteden.

Zonder te willen suggereren dat veiligheidsoverwegingen onbestaande zouden zijn, spelen economische motieven een belangrijke rol in de grensoverschrijdende activiteiten van de buren uit het Oosten. Rwanda beschouwt de Kivu-streek als een ‘natuurlijke’ zone van economische expansie; voor de elite van Kigali, die ver boven de stand leeft van hetgeen de Rwandese economie kan opbrengen, is de toegang tot de Congolese rijkdom steeds meer noodzakelijk. Met betrekking tot Uganda zegt Barnes dat de concessie van de goudmijnen van Kilo-Moto ten gunste van Museveni’s halfbroer Salim Saleh een van Kabila verkregen tegenprestatie was voor de steun aan diens AFDL; de niet-uitvoering van deze belofte zou één van oorzaken zijn van de ontgoocheling van Kampala over het nieuwe regime van Kinshasa. Zowel Ugandese als Rwandese officieren zijn actief in extractieve en commerciële activiteiten die onmogelijk zouden zijn in een stabiele omgeving; Rwanda voert diamanten uit, terwijl het niet één karaat produceert. Hetgeen Achille Mbembe de ‘satellisering’ noemt van provincies door buurlanden is dus bijzonder zichtbaar in het oostelijke deel van Congo, maar de logica is niet anders bij hen die Kabila steunen. De Congolese activiteiten van het Angolese Sonangol in de oliesector en van het Zimbabwaanse Ridgepointe in de mijnbouw situeren zich in dezelfde dynamiek van de rente die gepuurd wordt uit oorlog en afwezigheid van staat.

De fenomenen die hier aan de orde zijn - ontstatelijking, criminalisering, het actief zijn buiten het eigen grondgebied - zijn in feite slechts uitingen van het einde van de postkoloniale orde. Structuren en ruimten geërfd van de koloniale periode, bescherming geboden door voormalige koloniale mogendheden aan cliënt-regimes in ruil voor de uitoefening van een soort voogdij, principe (zij het niet steeds praktijk) van de primauteit van publiek over het privé-belang, continuïteit van economische exploitatie door gevestigde bedrijven van het voormalige moederland: dat alles verdwijnt onder de gecombineerde druk van de globalisering en de strategieën van lokale, regionale en internationale actoren voor wie de snelle winst gerealiseerd in enclaves belangrijker is dan overwegingen van formele soevereiniteit.

Een andere consequentie op langere termijn van de twee successieve oorlogen werd al vermeld, maar moet worden benadrukt. De regionale uitbreiding van een bipolair etnisch antagonisme - van Hutu versus Tutsi naar ‘Bantu’ versus ‘Hamieten’ - zou een belangrijke hinderpaal kunnen worden voor vrede in de toekomst. Deze etnogenese heeft nu grote delen van Afrika geïnfecteerd, in die mate zelfs dat president Mugabe ooit de Zimbabwaanse betrokkenheid in de Congolese oorlog rechtvaardigde door te zeggen dat de wedergeboorte van een ‘19de eeuws Tutsi-Hima rijk’ (dat nota bene nooit heeft bestaan) moest worden bestreden. Overigens zijn de operaties van het Rwandese leger in het grote merengebied eerder een bedreiging dan een beveiliging gebleken voor de Congolese Tutsi, die te laat hebben gemerkt dat de instrumentalisering van hun lot door Kigali een hinderpaal is geworden voor hun goede nabuurschap met de niet-Tutsi en derhalve voor hun overleving op langere termijn. Verklaringen gedurende het laatste jaar afgelegd door vertegenwoordigers van de Banyamulenge, de Tutsi in Zuid-Kivu, wijzen er op dat zij zich hiervan goed bewust zijn. De Congolese Tutsi beseffen steeds meer dat zij een nationale en lokale loyaliteit moeten affirmeren boven een etnische en grensoverschrijdende identiteit.

Een laatste conclusie betreft de relatieve afwezigheid en machteloosheid van de zogenaamde ‘internationale gemeenschap’. Niet alleen in Midden-Afrika valt dit op, amper tien jaar na uitingen van sterk geloof in een ‘nieuwe wereldorde’, politieke conditionaliteit, preventieve diplomatie en conflictbeheer. Terwijl het hart van Afrika implodeert en zich een enorme frontlijn ontwikkelt, is de stilte van de ‘internationale gemeenschap’ oorverdovend en haar inertie opvallend tegenover een conflict dat niet enkel dramatische humanitaire gevolgen heeft, maar ook een potentieel continentaal impact. Het is niet zeker dat de ‘maand van Afrika’, georganiseerd door de Amerikaanse VN-Ambassadeur Holbrooke, daarop meer is dan een semantische reactie, bestemd voor Amerikaanse consumptie. Gebrek aan belangstelling en ideeën, en plaatsgebrek op de internationale agenda zijn hiervoor wellicht redenen, maar een andere oorzaak is ongetwijfeld dat externe hefbomen om te wegen op lokale en regionale situaties eerder zwak blijken. Lokale, nationale en regionale actoren bepalen de agenda en zij doen dat door de behartiging van hetgeen zij zien als hun belangen, die meestal van korte termijn zijn. Na de rebellie van 1996-1997 noemde de toenmalige Europese commissaris Emma Bonino de interventie van de buurlanden van Congo ‘the ugly face of African assertiveness’. De vraag moet inderdaad worden gesteld of de ‘Afrikanisering’ van interventies in de interne aangelegenheden van staten wel een stap vooruit is tegenover vroegere praktijken van Franse, Belgische of Amerikaanse interventies op het continent. Zoals hun voorgangers uit het Noorden, worden de landen van de Midden-Afrikaanse regio gedreven door overwegingen van Realpolitik en de bevordering van hetgeen zij zien als het nationaal belang of, erger nog, persoonlijke of groepsbelangen. Overwegingen van goed bestuur, democratie en mensenrechten zijn daarbij uiteraard volstrekt afwezig.

Filip Reyntjens is hoogleraar aan de Universiteit Antwerpen, College voor de Ontwikkelingslanden.

Bibliografie


W. BARNES, ‘Kivu: l’enlisement dans la violence’, Politique Africaine, nr. 73, maart 1999, p. 123-136.

J.-F. BAYART, S. ELLIS, B. HIBOU, La criminalisation de l’Etat en Afrique, Brussel, Editions Complexe, 1997.

C. BRAECKMAN, ‘La quadrature du cercle, ou l’ingratitude obligée’, in: Kabila prend le pouvoir, Brussel, GRIP-Editions Complexe, 1998, p. 175-180.

International Crisis Group, The agreement on a cease-fire in the Democratic Republic of Congo: An analysis of the agreement and prospects for peace, 20 augustus 1999.

S. MARYSSE, F. REYNTJENS (Eds.), L’Afrique des grands lacs. Annuaire 1998-1999, Parijs, L’Harmattan, 1999.

A. MBEMBE, ‘Du gouvernement privé indirect’, Politique Africaine, nr. 73, maart 1999, p. 103-121.

A. OULD ABDALLAH, La diplomatie pyromane, Parijs, Calmann-Lévy, 1996.

J. PRENDERGAST en D. SMOCK, Putting Humpty Dumpty Together: Reconstructing Peace in the Congo, Washington, U.S. Institute for Peace, 31 augustus 1999.

W. RENO, Warlord Politics and African States, Boulder-Londen, Lynne Riener, 1998.

F. REYNTJENS, La guerre des grands lacs. Alliances mouvantes et conflits extraterritoriaux en Afrique centrale, Parijs, L’Harmattan, 1999.

J.-C. WILLAME, L’odyssée Kabila. Trajectoire pour un Congo nouveau?, Parijs, Karthala, 1999.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2563   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift