Cultuur en conflict: een doos van Pandora?

De factoren ‘cultuur’ en ‘identiteit’ zijn wezenlijk in elk conflict. Een overbeklemtoning van deze factoren bij de analyse en evaluatie van conflicten opent ‘een doos van Pandora’ die tot extreem geweld aanleiding kan geven. In dit artikel waarschuwen we om het werk van Huntington niet te lezen los van de ideologie die eraan verbonden is. Wij willen een meer relativerend beeld geven van de rol die ‘cultuur’ en ‘identiteit’ spelen in conflicten. Wij analyseren hiertoe vijf componenten van conflict en staan stil bij ‘handelbare’ en ‘onhandelbare’ conflicten.
1. ‘Cultuur’ en het gevaar voor ideologisering

Conflicten analyseren met de schijnwerper op ‘cultuur’ en ‘identiteit’ is een noodzakelijke maar delicate aangelegenheid. Enerzijds maken ‘processen-die-betekenis-produceren’ (cultuur) een wezenlijk onderdeel uit van de dynamiek van elk conflict, maar anderzijds bestaat het gevaar dat dit aspect in die mate overbeklemtoond wordt dat een buitensporige vertekening optreedt. ‘Cultuur’ en ‘identiteit’ vormen in het laatste geval de basis van een gevaarlijk politiek discours [Verstraete, 1995 ], ze worden opgeblazen tot een omvang die de realiteit niet meer dekt. We moeten hierbij voor ogen houden dat het discours van uitsluiting op basis van ‘rassen’, klassiek racisme dus, tijdens de jongste jaren zo evolueerde dat ‘cultuur’ en ‘(nationale) identiteit’ vaak de term ras hebben verdrongen.

‘Nieuw-rechts’ bewerkstelligde namelijk een nieuw politiek discours van uitsluiting waarbij:

- de term ‘rassen’ werd vervangen door ‘culturen’ of ‘etnieën’

- er niet langer sprake is van ‘ongelijkheid’ of ‘hiërarchie’ maar van onoverbrugbare ‘verscheidenheid’

- heterofobie (angst voor het andere) werd vervangen door heterofilie (lofzang van het andere), maar dan wel elk op zijn territorium.

Het discours is hiermee veranderd maar daarom niet de boodschap!

‘Cultuur’ en ‘identiteit’ staan hiermee reeds een gehele tijd vooraan op de politieke agenda. Twee kampen laten zich hierbij duidelijk onderscheiden:

a) Een eerste niet onbelangrijk kamp vindt het hoogst nodig dat wij onze eigen ‘cultuur’ en ‘identiteit’ gaan beschermen want zij worden bedreigd door ‘Anderen’. Die ‘Anderen’ zijn dan in hoofdzaak migranten, veelal gefocust op ‘islamieten’.

b) Een tweede kamp ziet multiculturaliteit en interculturaliteit als een positieve en verfrissende uitdaging en dringt erop aan dat we dringend de nodige competentie verwerven en aangepaste (institutionele) kaders creëren om er op een positieve manier mee om te gaan.

Wat beide kampen gemeenschappelijk hebben is dat ze ‘cultuur’ naar voren schuiven als (de)belangrijk(st)e factor in het maatschappelijk samenleven en dat ze de huidige toestand als conflictueus evalueren.

Het nieuwe boek van Samuel Huntington [Huntington, 1996] , ‘The clash of civilizations and the remaking of world order’, vertaald als, ‘Botsende Beschavingen’, kreeg als ondertitel ‘Cultuur en conflict in de 21ste eeuw’[Huntington,1997]. Huntington maakt in dit boek cultuur, beschaving en identiteit tot de belangrijkste inzet van conflicten in de 21ste eeuw. Als cultuurwetenschapper kan ik mij erover verheugen dat het item grote belangstelling krijgt, maar de schrijver kiest voor een ideologie die ik niet genegen ben. Huntington neemt duidelijk stelling tegen de ‘multiculturalisten’ en voor de ‘cultuur-beschermers’. Hij stelt dit kordaat:

‘Amerikanen kunnen niet om de vraag heen of ze een westers volk zijn of iets anders. De toekomst van zowel de Verenigde Staten als van het hele Westen hangt af van de vraag of de Amerikanen hun verbintenis met de westerse beschaving zullen herbevestigen. Binnen de Verenigde Staten zelf houdt dat in dat weerstand wordt geboden aan de verdeeldheid zaaiende sirenenzang van het multiculturalisme.’ [Huntington, 1997, p. 337]

Ongemakkelijk word ik wanneer bij nadere analyse blijkt dat nogal wat van zijn stellingen en uitgangspunten gelijklopend zijn met wat men vaak het nationaal-populistisch discours noemt. Drie basisstellingen [Michel Winoch ] vormen de ruggengraat van dit discours. Elk van deze stellingen vertaalt zich in een slogan: ‘wij leven in decadentie’, ‘de schuldigen zijn ons bekend’, ‘zie hier de redder!’. Bij het lezen van Huntington bekruipt mij het gevoel dat hij dezelfde stellingen in zijn betoog verankert maar dan niet op het niveau van een natie maar op het niveau van zijn vaag omschreven begrip beschaving. Laten we deze stellingen eens overlopen op basis van de slogans waarin ze zich uitdrukken.

‘Wij leven in decadentie’

Decadentie is een stopwoord en een basisthema in het nationaal-populisme. Criminaliteit, corruptie, verloedering van de zeden vormen concrete aanwijzingen voor de decadentie.

De basisoorzaak zou te vinden zijn in de verloedering van de ‘cultuur’ en het verlies van een duidelijke en eenvormige ‘identiteit’.

Bij Huntington wordt dit:

‘Uitingen van moreel verval waarop vaak gewezen wordt zijn onder andere:

1. uitbreiding van het asociaal gedrag zoals misdaad, drugsgebruik en geweld in het algemeen;

2. toename in het aantal echtscheidingen, onwettige kinderen, tienerzwangerschappen en eenoudergezinnen;

3. met name in de Verenigde Staten een afname van het ‘sociaal kapitaal’, dat wil zeggen van de deelname aan vrijwilligerswerk en van het persoonlijke vertrouwen dat daarmee samenhangt;

4. een algemene verzwakking van het arbeidsethos en de opkomst van een cultus van de persoonlijke uitspattingen;

5. een verminderde toewijding aan het onderwijs en aan intellectuele activiteiten, die zich in de Verenigde Staten uitdrukt in mindere prestaties op scholen.’ [Huntington, 1997, p. 334]

Dit moreel verval moet volgens Huntington dringend gestopt worden. De uitweg is minder pluralisme en geen multiculturaliteit.

‘De schuldigen zijn ons bekend’

Uiteraard moet voor de decadentie een schuldige worden aangewezen. In het nationaal populisme zijn dit de migranten, de intellectuelen, de politiekers en bureaucraten.

Bij Huntington:

‘De toekomstige levenskracht van het Westen en zijn invloed op andere samenlevingen hangt in belangrijke mate af van het succes bij het bekampen van deze trends [het beschreven moreel verval, sic] , die uiteraard de claims van morele superioriteit van moslims en Aziaten hebben uitgelokt.

De Westerse cultuur wordt op de proef gesteld door groepen binnen Westerse samenlevingen. Eén van die uitdagingen komt van immigranten uit andere wereldbeschavingen die de assimilatie verwerpen en de waarden, gebruiken en cultuur van hun landen van oorsprong trouw blijven en uitdragen.’ [Huntington, 1997, p. 334]

En ook intellectuelen worden met de vinger gewezen:

‘Aan het einde van de twintigste eeuw zijn beide componenten van de Amerikaanse identiteit fel onder vuur genomen door een kleine maar invloedrijke groep intellectuelen en publicisten.’

[Huntington, 1997, p. 335]

‘Ziehier de redder’

Een leider zal het volk leiden zoals Mozes zijn volk uit Egypte leidde.

Voor Huntington is deze rol weggelegd voor Amerika.

‘De overlevingskansen van het Westen hangen af van een herbevestiging van de Westerse identiteit door de Amerikanen en van de acceptatie door Westerlingen dat hun beschaving uniek en dus niet universeel is. Zij moeten zich verenigen om deze beschaving te vernieuwen en te behoeden voor de uitdagingen van niet-westerse samenlevingen.’ [Huntington, 1997, p. 16]

Maak ik met dit alles de boude bewering dat Huntington alléén een nieuw-rechtse ideologie in een wetenschappelijk (ogend) kleedje steekt? Nee, maar de gelijkenissen moeten ons minimaal tot een zeer kritische lezing van zijn werk aanzetten. Huntington heeft de verdienste dat hij ‘cultuur’ en ‘identiteit’ grondig laat meespelen in zijn analyse, maar hij tilt deze aspecten op het belangrijkste niveau en maakt van de bescherming van de eigen ‘cultuur’ een daad van wettige zelfverdediging. Als men hiermee niet oplettend omgaat, opent men de doos van Pandora die de ‘clash’ nabijer brengt!

2. De dynamiek van conflicten

Tegen deze achtergrond is een degelijke maar voorzichtige analyse van de factoren ‘cultuur’ en ‘identiteit’ in een conflict van het grootste belang.

In wat volgt zullen we ze relativeren en hun juiste en meer bescheiden plaats toewijzen. Conflicten zijn namelijk bijzonder dynamisch en complex. Een veelheid van factoren, met zowel objectieve als subjectieve aspecten, evolueert en interageert in de loop van een conflict en is steeds verbonden met machtsposities die de partijen, of groepen binnen één partij, nastreven. Hierbij treden constant veranderingen op in de manier waarop partijen met elkaar communiceren, de beeldvorming en perceptie van elkaar, het ‘openbaar’ benoemd thema (de inzet) van het conflict, de potentiële oplossingen die naar voren worden geschoven, de strategieën die worden aangewend.

Ons uitgangspunt is dat conflicten pas ontstaan wanneer zich een aantal basiscondities voordoen. Louis Kriesberg [Kriesberg, 1994] geeft er vier aan:

a) De potentiële partijen in een conflict dienen zichzelf te zien als aparte entiteiten die zich van ‘de Andere’ onderscheiden.

b) Eén of meer partijen moeten grieven of dringende verlangens hebben.

c) Eén of meer van de partijen formuleren het doel om verandering teweeg te brengen zodanig dat hun noden of verlangens ingelost kunnen worden.

d) De gegriefde partij moet erin geloven dat de gewenste verandering tot stand kan worden gebracht.

Pas indien aan al deze voorwaarden minimaal is voldaan, bestaat de mogelijkheid dat een potentieel conflict zich verder ontwikkelt.

In wat volgt bekijken we vijf componenten die een analyse van conflicten vorm geven en tonen we aan hoe deze bovenvermelde basiscondities verder evolueren.

2.1 .Conflicten zijn multifactorieel

Conflicten zijn in elke context en op elk moment in hun evolutie multifactorieel. ‘Cultuur’ en ‘identiteit’ zijn slechts twee factoren naast vele andere.

We wezen erop dat grieven of dringende verlangens minimaal door één partij geformuleerd moeten worden om een conflict te doen ontstaan (b). Hiermee wordt een zeer ruim veld bestreken waarin volgende elementen een rol kunnen spelen: er kan sprake zijn van materiële deprivatie of een diepe kloof tussen rijk (de elite) en arm (het volk); er kunnen ongelijke rechten toegekend worden (cf. burgerschap) en/ of een gebrek aan erkenning worden ervaren; de legitimiteit van regimes en staten kan in vraag gesteld worden; territoriale geschillen kunnen geformuleerd worden; overbevolking kan schaarste veroorzaken; etnisch-religieuze spanning kan de kop opsteken, enzovoort.

Het zijn vooral veranderingen in de globale context die mensen ontevreden stemmen en grieven of verwachtingen genereren: veranderingen in de globale economie, veranderingen in investerings- en handelspatronen, tewerkstellingsmogelijkheden, stijging van de ongelijkheid zowel binnen de eigen gemeenschap als tussen gemeenschappen.

Partijen in een conflict kunnen geneigd zijn, of er alle belang bij hebben, om hun grieven alléén in culturele of identiteitstermen te stellen. Deze categorisering blijkt namelijk in verschillende contexten belangrijke voordelen op te leveren. Eerst en vooral zijn het sterk strategische elementen om intern te mobiliseren. Mensen blijken in sommige situaties en onder invloed van bepaalde narratieven bereid om, ook voor de symbolen van identiteit zoals een vlag, tot het uiterste te strijden. Ten tweede kunnen ‘identiteit’ en ‘de bescherming van de eigen cultuur’ dienstig zijn om derde partijen in een conflict te betrekken of nieuwe coalities te sluiten. Leiders spelen hier, als organisatoren, een belangrijke rol. Zij zijn drager van de symbolen van autoriteit binnen de groep of communauteit en diepen de groepsidentiteit uit. Zij zullen in conflictsituaties proberen de zelfaffirmatie (de eigen narratieven) in een bepaalde richting te duwen. Ook zullen ze ‘de Andere’ etiketteren en dit beeld als waarheid verkopen. Ook Huntington wijst in die richting maar zet een stap te ver:

‘In breuklijnoorlogen heeft iedere partij niet alleen een motief om haar eigen culturele identiteit te benadrukken, maar ook die van de ander. In hun lokale oorlog vechten de partijen dan ook niet alleen maar tegen een andere etnische groepering, maar tegen een andere beschaving in haar geheel. De bedreiging wordt op die manier uitvergroot en wordt ondersteund middels de hulpbronnen van een hele wereldbeschaving. Het verliezen van het conflict heeft niet alleen consequenties voor de strijdende groep zelf, maar voor de totale wereldbeschaving waarvan die groep deel uitmaakt.’ [Huntington, 1997, p. 295]

Het is vaak een strategische zet om ‘cultuur’ en ‘identiteit’ ten tonele te brengen met als doel de machtspositie in een conflict te versterken. Ze kunnen echter onmogelijk de enige factor in een conflict zijn. De categorisering ‘identiteitsconflict’ verraadt vaak een gevaarlijke en reductionistische zienswijze. Wat benoemd wordt als inzet van een conflict is niet steeds rechtstreeks gecorreleerd met het eigenlijke doel dat wordt nagestreefd. ‘Identiteitsconflict’ verdoezelt vaak een verborgen agenda. Wij gaan dus niet akkoord met het tweede deel van de bewering van Huntington.

‘Identiteiten die aanvankelijk meervoudig en informeel waren, worden ineens aangescherpt en verhard; dat oorlogen tussen gemeenschappen identiteitsoorlogen worden genoemd , is terecht.’ [Huntington, 1997, p. 291]

Conflicten dienen steeds gesitueerd te worden binnen hun specifieke context, gebruik makend van verschillende verklarende factoren. Dit alles belet evenwel niet dat ‘identiteit’ een wezenlijke factor in het ontstaan en de evolutie van een conflict vormt. Voor een beter begrip van conflicten is het daarom noodzakelijk verder te onderzoeken welke wijzigingen in de identiteitsprocessen mobilisering en coalitievorming genereren. Meer hierover in ‘Cultuur en macht. Over identiteit en conflict in een multiculturele wereld. ‘ [Pinxten & Verstraete, 1998]

2.2. Conflicten hebben objectieve en subjectieve aspecten

De meeste componenten van een conflict hebben zowel een objectief als een subjectief aspect. Het relatief belang hiervan kan in iedere context verschillen.

Aangezien de objectieve realiteit van de wereld zich niet direct aan mensen voordoet, interpreteren ze gebeurtenissen en geven er betekenis aan. Hier zijn meerdere ‘rationaliteiten’ en consistente manieren om de werkelijkheid te interpreteren. Culturen zijn daarbij processen die betekenis creëren. Elk individu, elke groep, elke communauteit zal conflict dus wel enigszins anders aanvoelen, benaderen, evalueren of beheersen.

Meer concreet zouden we ten aanzien van conflictsituaties volgende vragen kunnen stellen: welk beeld hebben partijen in het algemeen van een conflict? Welke wegen ziet men als legitiem om een conflict op te lossen? Hoe weten en zien partijen dat een conflict ontstaat? Welke acties of gebeurtenissen worden als bedreigend beschouwd? Welke betekenis geven zij aan conflict? Wie zijn legitieme partners om een conflict op te lossen? Wat denken conflictparticipanten, op verschillende niveaus, dat van hen verwacht wordt wanneer een conflict rijst? Welke andere meningen of afwijkende meningen zijn er over conflict? Wat wordt als agressie beschouwd? Wat ziet men als een toestand van vrede? Welk belang hecht een gemeenschap aan vrede? Avruch [Avruch, 1991] noemt dergelijke vragen ‘ethnoconflict theory’.

Aangezien de antwoorden op deze vragen kunnen veranderen al naargelang van de situatie, moet men hier alert blijven om niet te vervallen in tijd- en contextloze (essentialistische) antwoorden: ‘Indianen zijn altijd vredevol’, ‘Maghrebijnen aanvaarden steeds het gezag van de vader’, ‘Europeanen maken rationele analyses van de situatie’.

Huntington gaat min of meer deze weg op wanneer hij stelt:

‘De gevaarlijkste botsingen in de toekomst zullen waarschijnlijk het gevolg zijn van confrontaties tussen westerse arrogantie, islamitische intolerantie en Chinees zelfbewustzijn.’ [Huntington, 1997, p. 197]

We kunnen onmogelijk de zaak beperken tot deze ‘subjectieve’ variabelen. Ruddy Doom en Koen Vlassenroot [Doom & Vlassenroot, 1994] bijvoorbeeld werken aan een theorie en onderzoeksmodel dat, preventief, escalatie van conflicten zou kunnen opsporen. Zij definiëren hun ‘early warning’ of knipperlichtsysteem als:

‘…het verzamelen van informatie die ons in staat stelt tijdig potentiële conflicten te detecteren en een eventuele ‘early response’ mogelijk maakt’.

Zij ontwikkelen hiertoe een eigen indicatorensysteem om vroegtijdig conflicten op te sporen. Zij houden rekening met structurele spanning en sociale ongelijkheid, met grootte en samenstelling en verdeling van de populatie, met de graad van economische ontwikkeling en wijzigingen hierin, met verandering in voedselvoorziening (nutritional security), condities van het leefmilieu, legitimiteit van het regime, repressie en schendingen van de mensenrechten, militaire uitgaven, externe factoren en historische gegevens. Ook zij leggen voornamelijk het accent op processen die verandering teweegbrengen maar beklemtonen de structurele componenten. Hun indicatoren liggen echter vooral in objectieve gegevens die kwantificeerbaar zijn.

Het gevaar bestaat dat men hierbij vastkleeft aan wat het ‘realisme paradigma’ genoemd wordt. Een goede indruk van dit paradigma krijgen we bij Paul Debakker en Dirk Van Maele die, in de inleiding op ‘Early warning, preventie of pretentie?’, het volgende stellen:

‘De botsing tussen enerzijds de wens om te komen tot een wereld die draait volgens de wetten van duurzame ontwikkeling en anderzijds het besef dat dit niet voor morgen is, mag geen aanleiding geven tot hoogdravende klaagzangen en inertie. Beleidsmakers vragen concrete modellen op basis waarvan constructief kan worden gewerkt. Deze oproep tot Realpolitiek kunnen we beantwoorden door het aanreiken van het concept ‘Early Warning’ …

De combinatie van ‘Realpolitik’ en ‘beleidsmakers’ neigt ertoe de subjectieve componenten, onder andere dynamieken van ‘cultuur’ en ‘identiteit’, onzichtbaar te maken. Black & Avruch [Avruch, 1991] wijzen erop dat het ‘realisme paradigma’ het internationaal systeem ziet in termen van een samenspel van staten. Deze staten vormen hierin monolithische, intern ongedifferentieerde actoren die vanuit rationele berekening macht aanwenden om hun veiligheid te maximaliseren. Staten verschillen van elkaar alléén vanuit het oogpunt van hun relatieve macht. Er is hierbij een vooronderstelling van rationeel (berekend) gedrag van staten, wat elke analyse van andere motivaties voor besluitvorming op voorhand aan de kant schuift.

De studie van het conflict moet daarom multidisciplinair gebeuren, waarbij zowel objectieve als subjectieve aspecten in rekening worden gebracht. Vergelijkende cultuurwetenschap is hierbij een volwaardige partner.

2.3. Conflicten ontplooien zich in een tijdsperspectief

Vanuit een dynamisch perspectief zien we een conflict als een cyclus waarin verschillende stadia onderscheiden kunnen worden. Rudimentair geschetst behelst de ‘normale’ cyclus van een conflict een zestal stadia.

De eerste stap in de ontwikkeling is een pre-escalatie fase. Door zowel interne als externe factoren zullen de basisvoorwaarden voor het ontstaan van het conflict zich verder ontwikkelen en vorm krijgen. Zij kunnen groeien van een minieme intensiteit tot een maximale. Wanneer we bijvoorbeeld de vierde voorwaarde (d) bekijken, het geloof dat de gegriefde partij de andere en de situatie in een gewenste richting kan doen veranderen, dan is het volgende scenario mogelijk. Een gedifferentieerde meerderheid van de bevolking wordt in een land onderdrukt door een economisch machtige minderheid. Door een internationaal economisch embargo (externe factor), en/of door het opstaan van een leidersfiguur die erin slaagt de homogeniteit van de meerderheidsgroep te versterken omdat hij/zij een symbolische functie gaat vervullen die tegenstellingen vervaagt en bijkomend een embryonaal plan voor verandering weet te formuleren (interne factor), groeit het geloof in de mogelijkheid om verandering tot stand te brengen. Hiermee evolueren de basisvoorwaarden voor het conflict in een richting die escalatie mogelijk maakt. Diverse combinaties tussen deze voorwaarden zijn mogelijk en zullen elkaar beïnvloeden. Dus wie we zijn, de grieven die we te berde brengen, wie we als verantwoordelijke aanduiden voor de moeilijkheden, of de verwachtingen voor de toekomst, al deze factoren zullen elk afzonderlijk de andere voorwaarden beïnvloeden. Identiteitsdynamieken zullen mede de grieven, doelstellingen en verwachtingen bepalen. Ook omgekeerd zullen grieven, verwachtingen en doelstellingen invloed uitoefenen op de identiteitsontwikkelingen. Duidelijk wordt hiermee dat deze interactiviteit en dit samenspel tot zeer complexe resultaten kunnen leiden.

Een dergelijk schema vinden we terug bij Louis Kriesberg (zie bijlage: figuur 1). Hij accentueert binnen deze cyclus het feit dat het eindpunt (bv. de-escalatie) kan tot stand komen door vele elementen: één partij behaalt een militaire overwinning, onderhandelingen leiden tot een akkoord, een internationale organisatie bemiddelt, … Het conflict zal beëindigd worden en resulteren in een nieuw evenwicht. Dit evenwicht heeft voor elk van de partijen consequenties die opnieuw tot conflict kunnen aanzetten.

Het tweede schema is van Ruddy Doom en Koen Vlassenroot (zie bijlage: figuur 2). Zij geven slechts een deel van de fasering maar bouwen via een boven- en een ondergrens de probabiliteit in dat onder bepaalde voorwaarden zich ook andere gevolgen gaan voordoen.

We zien dat in de eerste fase de grenzen duidelijk bepaald zijn en vrij dicht bij elkaar liggen en dat de probabiliteit dat p1 tot gevolg zal hebben p1’ groot is. In de tweede fase beginnen boven- en ondergrens verder uit elkaar te liggen en wordt het steeds moeilijker deze te definiëren. Het wordt ingewikkeld om aan te geven of p2 als gevolg zal hebben p2’ of p2’’, de wegen kunnen zich splitsen. In de derde fase wordt de toestand bijzonder complex. Boven- en ondergrenzen zijn volledig vervaagd. Er kan niet meer worden bepaald welke gevolgen zich onder welke voorwaarden zullen voordoen, zowel verdere escalatie als de-escalatie zijn mogelijk: p3 kan tot gevolg hebben p3’ maar ook p3’’ …. p3n. Zij concluderen hieruit dat hoe vroeger in de cyclus van een conflict kan worden ingegrepen, hoe hanteerbaarder de situatie is en hoe groter de kans op succes.

Een conflict is dus een dynamisch proces in de tijd, waarbij elke voorwaarde evolueert in samenhang met de andere. Gedurende een conflict zal het identiteitsproces dus veranderen onder invloed van de andere factoren in de totale context. Identiteit is hierbij slechts één variabele en is op zich een onvoldoende voorwaarde om een conflict te laten ontstaan en evolueren. Het is dan ook een gevaarlijke en onaanvaardbare reductie om conflicten als identiteitsconflicten te categoriseren.


2.4. Conflicten hebben een gelaagde realiteit

Om een conflict mogelijk te maken moeten de partijen zichzelf zien als entiteiten die zich onderscheiden van de ‘Andere’. Welke elementen zullen nu daartoe bijdragen? Vier elkaar beïnvloedende factoren spelen een rol: homogeniteit van de leden, communicatie, grenzen en organisatie.

Wanneer de leden van een groep of communauteit gelijke kenmerken, of een zekere homogeniteit vertonen, stijgt de kans aanzienlijk dat ze een gemeenschappelijke ‘identiteit’ gaan ontwikkelen. Gemeenschappelijke taal of ruimtelijke nabijheid zijn elementen.

Verschillende elementen kunnen het proces versterken: homogeniteit vergemakkelijkt de communicatie en bevordert de solidariteit maar ook andersom zullen goede communicatie en solidariteit de homogeniteit verder bevorderen: de homogeniteit en solidariteit zullen grenzen bepalen die op hun beurt versterkend werken. Hoe meer de leden van de groep geïntegreerd zijn en wederzijds afhankelijk, hoe meer ze zich als collectiviteit met gezamenlijke belangen zullen organiseren en manifesteren.

Deze gang van zaken is niet altijd zo.

De partijen in een conflict zijn namelijk entiteiten die intern sterk gedifferentieerd kunnen zijn. Individuen vormen heel verscheiden groepen die via complexe relaties communauteiten vormen. Ook die communauteiten zijn gevarieerd. Naties, kerken, geslacht, arbeidersbeweging,… zijn alle op het communautaire vlak te situeren. De verbondenheid echter met communauteiten is een fluctuerend en contextueel bepaald gegeven. Aranowitz [Aranowitz, 1992] duidde sterk op (bijna modegebonden) afwisseling in communautaire identificaties en sprak in dit verband van ‘displacement’.

Binnen communauteiten hebben individuen en groepen vaak verschillende en veranderende belangen, noden, perspectieven. Indicatoren zullen zowel rekening moeten houden met de identiteitsdynamieken op de niveaus van ‘vertegenwoordigers’ van de communauteit, als met deze van groepen en van individuen. Ook strategieën van negotiatie en bemiddeling zullen best op verschillende niveaus gericht worden. Laten we voorlopig, en sterk vereenvoudigd, het onderscheid tussen de drie niveaus uitbreiden tot conflict. Zo kunnen we over conflictoplossing spreken via top-down strategieën (de vertegenwoordigers van de communauteit), strategieën vanuit het middenveld (groepen) en bottom-up strategieën.

Te veel heterogeniteit werkt identiteitsvorming tegen. De kans dat heterogeen samengestelde groepen (met weinig convergerende dynamieken) nieuwe conflicten gaan ontwikkelen, op andere lijnen, is namelijk vrij groot. Deze conflicten verbrokkelen het ontstane gemeenschappelijke identiteitsgevoel.

In conflictsituaties moeten we tevens rekening houden met twee bijkomende componenten.

Ten eerste zullen er vele complexe relaties tussen verschillende segmenten en niveaus uit het tegengestelde kamp bestaan: sommige segmenten zullen handelsrelaties hebben, individuen zullen vrienden of familieleden hebben bij de tegenpartij, andere segmenten zullen elkaar bekampen in sportwedstrijden, regeringen ontmoeten elkaar in internationale instellingen. Deze ruimere context biedt een repertoire aan mogelijke elementen voor zowel het eigen narratief van identiteit als voor etikettering.

Ten tweede zal de keuze medebepaald worden door de keuze van identiteitskenmerken van de partij die de eerste stappen zet in de explicitering van het conflict. Er is dus een samenspel met ‘de Andere’ dat zowel invloed heeft op het eigen narratief als op de etikettering. Door zichzelf als groep of communauteit te definiëren, wordt ook ‘de Andere’ gedefinieerd; en door de andere te definiëren, definieert men ook zichzelf. Deze definitie kan zowel positieve als negatieve aspecten inhouden:

- we kunnen opkijken naar de andere en hem bepaalde kwaliteiten of bezittingen benijden

- we kunnen ook neerkijken op de andere en zijn gebreken accentueren.

Identiteit komt dus ook in conflictsituaties tot stand in contrast met ‘de Andere’.

In ons model van identiteitsprocessen hielden we daarom rekening met verschillende niveaus waarin telkens de identiteitsdynamieken door drie dimensies worden bepaald.

2.5. Conflicten zijn verbonden met macht

Macht speelt reeds een rol bij het ontstaan van conflicten.

Eén van de vier basisvoorwaarden is duidelijk gelieerd aan macht. Tenminste één partij moet geloven dat ze ‘bij machte’ is om de gewenste verandering bij de andere partij tot stand te brengen. Macht verschijnt in vele vormen: ze kan haar basis vinden in geweld of geweldloos zijn; ze kan zich politiek in instituties vertalen of economisch of moreel van karakter zijn; ze kan steunen op een meerderheid of op een elitaire minderheid.

Ook heeft de verdeling van macht tussen partijen een belangrijke impact op het verloop van het conflict.

Tijdens het verloop van een conflict kan het relatief belang van een bepaalde vorm van macht verschuiven: geweld kan het afleggen tegen geweldloos verzet, politieke macht kan wegkwijnen onder druk van de publieke opinie.

Dominantie is meestal slechts tijdelijk en moet als relatief gezien worden:

- Militaire machtsontplooiing houdt haar eigen beperkingen in: menselijk en materieel verlies vormen op termijn een probleem. Sinds kort is tevens een nieuw probleem opgedoken. De hoogtechnologische oorlogvoering, zoals de Golfoorlog, is dermate duur dat ze tot snelle resultaten moet leiden om betaalbaar te blijven. Zo blijken de VS na de Golfoorlog de coalitiepartners in onderhandelingen te moeten betrekken om de rekeningen van de oorlog te betalen. Zowel burgers als politieke verantwoordelijken (in casu, het Congress) twijfelen aan de houdbaarheid van dergelijke militaire operaties en verzetten zich;

-Tijdsdruk wordt een punt: geweld blijkt slechts op korte termijn stabiliserend te werken. Op langere termijn wordt het meer en meer de gistingsbodem voor nieuwe conflicten, met een escalatie waarin identiteitsdynamieken een belangrijke rol spelen. Soms wordt geweld zodanig contraproductief dat een conflict ‘onhandelbaar’ wordt en dat elke interactie tussen de partijen slechts tot escalatie van geweld kan leiden (bv. de represaillegeschiedenis tussen Israël en Palestijnen leidt tot scherpere identiteitscrises aan beide kanten).

3. Over ‘handelbare’ en ‘onhandelbare’ conflicten

In de literatuur wordt een bruikbaar onderscheid gemaakt tussen ‘tractabel’ (handelbare) en ‘intratabel’ (onhandelbare of weerspannige) conflicten. Huntington legt duidelijk het accent op de ‘onhandelbare’ conflicten.

‘Breuklijnoorlogen vertonen veel, maar niet alle, symptomen van conflicten tussen gemeenschappen in het algemeen. Het zijn langdurige conflicten. Als ze zich binnen de grenzen van een staat afspelen, duren ze gemiddeld zesmaal zo lang als oorlogen tussen staten onderling. Omdat er fundamentele kwesties van identiteit en macht van een bevolkingsgroep aan ten grondslag liggen, zijn ze moeilijk op te lossen door te onderhandelen en door compromissen te zoeken. […] De dynamiek van gemeenschapsidentiteit en haat komt zelden geheel tot rust, tenzij er genocide wordt gepleegd.’ [Huntington, 1997, p. 276]

Ook hier willen we de dynamiek van dergelijke conflicten verduidelijken, om een meer genuanceerde stelling in te nemen. Wij hebben het namelijk moeilijk met de stelling dat in dergelijke conflicten ‘identiteit’ aan de grondslag ligt.

Centraal in ‘onhandelbare conflicten’ is het feit dat ten minste één partij zich geschaad voelt door de tegenpartij op een manier die bedreigend is voor die domeinen die vitaal zijn voor hun kernconcepten (core-constructs). Die kernconcepten zijn de ruggengraat van de manier waarop ze de werkelijkheid en hun omgeving structureren, minder chaotisch maken.

Deze conflicten zijn vaak zeer langdurig en hebben drie kenmerken:

a) zij zijn bijzonder moeilijk op te lossen,

b) er groeien conflictversterkende elementen die slechts onrechtstreeks gebonden zijn aan de oorspronkelijke conflictsituatie,

c) op zijn minst een van de partijen poogt en/of slaagt erin de andere schade te berokkenen.

In tegenstelling tot voorgaande zijn ‘handelbare conflicten’ meestal gemakkelijker op te lossen. Dit soort conflict kan beschouwd worden als een normaal proces tussen partijen die ontdekken dat ze op bepaalde vlakken tegengestelde doelstellingen en/of belangen hebben. Kenmerken van dit soort conflicten zijn:

a) wederkerige pogingen om het conflict op te lossen,

b) de elementen van het conflict zijn (en blijven) rechtstreeks verbonden met de oorspronkelijke conflictuitlokkende feiten,

c) de intenties om de andere partij schade toe te brengen zijn uitzonderlijk.

Terill Northrup [Northrup, 1992] onderzocht dergelijke ‘onhandelbare’ conflicten. Zij bestudeerde o.a. de situatie in Noord-Ierland waar ‘Katholieken’ en ‘Protestanten’ sinds decennia een bijzonder conflictueuze relatie hebben en waar de oplossingen, ondanks alle mogelijke bemiddeling, niet voor de hand liggen. Uit haar onderzoek leiden we af dat in de loop van een escalerend conflict vier stappen (bewegingen) worden gezet die de ‘clash’ onvermijdelijk maken. ‘Onhandelbare conflicten’ komen dus pas tot stand na verschillende stappen, na een specifieke dynamiek van het conflict, en zijn niet zomaar gegeven. Het zou dus mogelijk moeten zijn om preventief op te treden zodanig dat de kans dat conflicten ‘onhandelbaar’ worden, kleiner wordt.

Conflicten worden ‘onhandelbaar’ in vier stappen

Stap 1: bedreiging

Bedreiging ontstaat als reactie op informatie en gebeurtenissen die tegengesteld zijn aan de kernconcepten (core-constructs). Dit kan rechtstreeks te maken hebben met de ‘identiteit’ of ‘culturaliteit’ (processen die betekenis creëren).

Het kan ook minder rechtstreeks.

Dreiging van het verlies aan vruchtbare grond, bijvoorbeeld door ecologische onevenwichten of explosieve groei van de bevolking, gaat vaak veel verder dan het verlies van een stuk territorium. Ook dit kan als een bedreiging van de identiteit aangevoeld worden. Volgens de analyse van Michael Renner in zijn rapport Fighting for Survival (Worldwatch Institute) zijn het deze ecologische en economische problemen die in de streek van de Grote Meren de strijd tussen Hutu’s en Tutsi’s op gang hebben gebracht. De mobilisatie van de bevolking gebeurt echter op basis van identiteitslijnen. Hutu-extremisten krijgen de kans een politiek van etnische tegenstellingen door te drukken. Deze politiek vindt gehoor bij een ontgoochelde jonge generatie die zich laat recruteren voor milities.

Stap 2: vervorming

Bedreiging zet aan tot vervorming van informatie en feiten. Ontkenning van stukken realiteit en herdefiniëring van de conflictsituatie in nieuwe termen zijn er twee van. Er wordt betekenis gegeven aan een situatie om die draaglijk te maken. Een nieuw narratief wordt naar voren geschoven. Het is een poging om ‘de’ identiteit in stand te houden.

Stap 3: verstarring

Hoe sterker het conflict escaleert, hoe meer vervorming gaat optreden. Kernconcepten worden hierdoor rigider en ondoordringbaarder. Nieuwe informatie wordt niet meer opgenomen, meer en meer aspecten van de ander worden negatief geïnterpreteerd. De grenzen worden meer afgelijnd en scherper. Hinderpalen/slagbomen worden opgesteld op verschillende gebieden: psychologisch (dweepzucht), ruimtelijk (getto’s), economisch (handelsembargo), fysisch (afsluitingen, muren, versterkte grenzen …)

Hierdoor ontstaat een verdere polarisatie tussen groepen of communauteiten. De externe verschillen worden aangedikt terwijl de interne verschillen geminimaliseerd worden. Individuen en groepen worden onder druk gezet om zich te conformeren en afwijkend gedrag wordt vaker en strenger bestraft. In dit stadium begint dehumanisering van ‘de Andere’ gekoppeld aan overwaardering van het eigene. Hierdoor wordt het gebruik van geweld acceptabeler of zelfs gewenst. Nieuwe narratieven en mythevorming gaan dit verder versterken. Extreme groepen zullen intern meer en meer getolereerd worden.

Stap 4: botsing

Ten slotte gaan partijen zich zo gedragen dat ze het conflict eerder in stand houden dan het te verminderen. Verschillen worden geïnstitutionaliseerd! Elke gemeenschap ontwikkelt hierbij rituelen die de strijd versterken, ze bejubelen hun eigen goedheid en heldenmoed, en vereren historische overwinningen t.o.v. de vijandige partij. Elke interactie tussen de partijen is vijandig, en bevestigt ‘de Andere’ als inhumaan: beide kampen vertonen deviant gedrag, agressie en geweld. De andere partij wordt hierdoor telkens bevestigd in haar evaluatie van de tegenstander. In zekere zin werken de twee partijen samen om de condities te creëren die het conflict verder voeden. Ook in de opvoeding van de kinderen gaat het vijandbeeld verscherpt doorgegeven worden.

Het is dus niet zo eenvoudig om, zoals Huntington, te stellen dat ‘fundamentele kwesties van identiteit en macht van een bevolkingsgroep aan de grondslag liggen, …’ van de conflicten en oorlogen die zich in de wereld afspelen. Wel is het acceptabel te stellen dat conflicten evolueren in een richting van ‘onhandelbaarheid’ wanneer door één partij stappen worden gezet die leiden tot verstarring en vervorming in de identiteitsdynamiek. Kwesties van identiteit evolueren dus in de loop van een conflict, wat toelaat dat, na grondige analyse, gewaarschuwd kan worden en liefst vroegtijdig ingegrepen. ‘Breuklijnconflicten’ zijn niet onoverkoombaar.

4. Besluit

Het is onhoudbaar om de analyse van conflicten enkel binnen de context van identiteitsprocessen te situeren, of, nog enger, enkel in termen van cultuurverschillen te duiden. Economische en politieke tegenstellingen zijn echter niet steeds een voldoende grond voor conflict en identiteitsdynamieken kunnen in de machtsprocessen een medebepalende rol spelen. Daarom lijkt het ook aangewezen ze nauwkeurig te bestuderen en in onderhandelingsprocessen te betrekken.

Het gevaar van het analysemodel van Huntington bestaat hierin dat regeerders en bredere populaties gaan geloven dat ieder conflict een ‘breuklijnoorlog’ of ‘breuklijnconflict’ vormt. Wanneer dit zou gebeuren, bestaat het risico dat men die conflicten telkens aanvoelt als een bedreiging van de kernconcepten en dat bijgevolg de stappen worden gezet die tot ‘onhandelbare’ conflicten leiden. Dan pas komen we dicht bij een ‘clash’, dan staat de doos van Pandora open!

Bibliografie

ALLPORT, Gordon W.

1954 The Nature of Prejudice. Cambridge/Massachussets: Adison-Wesley Publishing Compagny

Aranowitz, Stanley

1992 The Politics of Identity, Class, Culture, Social Movements. New York: Routledge

AVRUCH, (ed) Kevin, Peter W. BLACK, and Joseph A. SCIMECCA

1991 Conflict Resolution, Cross-Cultural Perspectives. Westport,Connecticut/London: Greenwood Press

DOOM, Ruddy, Paul DEBAKKER, en Dirk VAN MAELE

1994 Early Warning preventie of pretentie? Gent: Rijksuniversiteit Gent, Vakgroep Derde Wereld.

DOOM, Ruddy, en Koen VLASSENROOT

1995 Early Warning and Conflict Prevention, Minerva’s Wisdom ? Brussel: Algemeen Bestuur voor ontwikkelingssamenwerking

HUNTINGTON, Samuel

1996 The clash of civilizations and the remaking of the world order. New York: Simon& Shuster

Huntington, Samuel

1997 Botsende Beschavingen. Cultuur en conflict in de 21ste eeuw. Antwerpen/Baarn: Standaard/Anthos

KRIESBERG, Louis (ed.)

1994 Conflict Resolution. London: Lynne Rienner Publishers. (Peace & World Security Studies, A curriculum Guide)

NORTHRUP, Terrell A.

1992 The Collusion of Enemies: Identity and Conflict in Northern Ireland. The nonviolent sanctions seminar of the program on nonviolent sanctions and defense, Center for International Affairs, Harvard University, 1992.

PINXTEN, Rik

1994 Culturen sterven langzaam, over interculturele communicatie. Antwerpen/Baarn: Hadewijch

PINXTEN, Rik, en Ghislain VERSTRAETE (eds.)

1998 Cultuur en macht. Over identiteit en conflict in een multiculturele wereld. Antwerpen/Baarn: Hadewijch (ter perse)

VERSTRAETE, Ghislain

1995 Zijn de Goden wel anti-racisten ? Een analyse van de schemerzones in een politieke realiteit. Cultuurstudie 2 .

WINOCH, Michel

1990 Nationalisme, anti-sémitisme et fascisme en France. Paris: Editions du Seuil

De auteur is licentiaat in vergelijkende cultuurwetenschap en was geruime tijd directeur van het Jongeren Advies Centrum te Menen. Sinds twee jaar is hij werkzaam bij het Steunpunt Intercultureel Onderwijs van de Universiteit Gent. Hij werkt aan een doctoraat over solidariteit en identiteit in een multicultureel Europa. In Pretoria, Zuid-Afrika en aan PARC, Syracuse University, N.Y. leidde hij een trainingscursus over conflictbeheer.

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift

Word proMO* of Doe een gift