Dagboekverslag van de aardbeving in Haïti

Jan Hoet, die sinds 1967 in het Haïtaanse Port-au-Prince woont en Mamosa, een opvanghuis voor wezen en dakloze kinderen en jongeren, uit de grond stampte, zag zijn levenswerk vernield door de aardbeving van vorige week.
  • Creative commons by by United Nations Development Programme Men spreekt van 45.000 tot 50.000 doden. Creative commons by by United Nations Development Programme

Dinsdag 12 januari


Het was even voor 5 uur in de namiddag. Ik zat aan de computer op mijn werkkamer in het appartement achterin toen plots de grond onder mijn voeten begon te trillen. Een aardbeving. Ik had in de drie en veertig jaar in Haïti al wel eens lichte aardschokken gevoeld, maar ditmaal was het duidelijk anders. Het appartement begon vervaarlijk te bewegen en ik probeerde buiten te geraken.
Amper drie stappen verder viel ik over de door de kamer rondvliegende voorwerpen en brokken stenen die uit de muren van het dansende gebouw loskwamen. Terwijl ik neersloeg en me daarbij licht kwetste keek ik door de open deur naar buiten en zag met ontsteltenis het grote huis vooraan, waarin de meeste kinderen wonen in elkaar zakken als een kaartenhuisje.
Het appartement waarin ikzelf op de grond lag was gedeeltelijk in elkaar gezakt en bleef gevaarlijk hellend vastzitten. De schok was voorbij en liet een hoop vernieling achter in een wolk van stof. Ik geraakte buiten en begon verdwaasd uit te kijken naar de kinderen en Melanie. Ik zag eerst Jasmin die bij de buitendeur vastzat onder neergevallen brokken van het huis. Dan kwamen ze allen een voor een naar buiten, behalve Anne-Michelle die op haar kamer was toen de aardschok zich voordeed.
We haalden Jasmin uit het puin en zijn voet was lelijk gekwetst en blijkbaar gebroken. Gelukkig was Helene thuis en probeerde een eerste verband aan te leggen. Terwijl ik en een deel van de kostgangers van Mamosa probeerden een teken van leven van Anne-Michelle te ontdekken, zochten Helene en enkele anderen betere zorg voor Jasmin te vinden. Beetje bij beetje begon de omvang van de ramp door te dringen. De meeste huizen van onze wijk lagen eveneens plat en dat was ook het geval voor de kliniek van de MSF.
Ondertussen was de duisternis ingetreden en stelden we vast dat er nergens op dit uur medische zorg te vinden was. Mijn minibus was sinds maandag in de garage, zodat ik over geen gepast vervoer beschikte. De grote autobus van onze volleybalclub (60 zitplaatsen) die ik van Dr Eric Desmet had gekregen en die ongeschonden voor het huis op straat stond geparkeerd, kon nu onmogelijk van dienst zijn. We ontdekten ook dat de telefoon voor locale gesprekken onbruikbaar was geworden. Mijn cellulaire lag ergens tussen het puin van mijn appartement.
De mensen uit de buurt trokken naar een open terrein vlak in de buurt met de bedoeling er samen de nacht door te brengen onder de blote hemel. We voegden ons bij hen. Jasmin leed enorm met zijn gebroken en verscheurde voet en de machteloosheid er niets te kunnen aan doen voor morgenvroeg en de vrees Anne-Michelle niet meer levend terug te zien deed enorm pijn. Ondertussen begon het door te dringen dat gans Port-au-Prince zwaar door deze aardbeving was getroffen.
Op de route de Delmas, de grote baan die op enkele stappen aan ons huis voorbij liep, was een ware volksverhuizing ontstaan in beide richtingen, mensen op zoek naar een verblijf voor de nacht. De paar honderd verzamelde mensen op het terrein begonnen te zingen en te bidden en deden dit de hele nacht door. Ik lag tussen mijn kostgangers van Mamosa op een stuk karton, met mijn kleren nog vuil en vol stof, maar kon de slaap niet vinden. Tijdens de nacht voelden we met regelmatige tussenpozen weer nieuwe lichtere aardschokken.

Woensdag 13 januari


Bij het krieken van de dag terug naar wat eens onze woning was, terug op zoek naar een spoor van Anne Michelle, terwijl Hélène probeerde medische hulp voor Jasmin te vinden. We lukten erin wat dichter bij de kamer van Anne-Michelle te geraken en meenden plots haar stem te horen. De jongens van huize Mamosa begonnen dan op het gevaar van hun leven een weg te banen via de buitenmuur naar haar kamer en een goed half uur later kon een van hen door het gemaakte gat in de muur in het huis kruipen.
Even later het verlossende signaal. Ja, Anne-Michelle lag daar levend, geklemd tussen puin en een neergevallen kast. Ik weende van geluk. Ze had haar leven te danken aan het feit dat ze haar hoofd bij het neervallen in een emmer had gestoken zodat een neervallend stuk puin haar niet doodde. Ze werd uit haar netelige positie bevrijd en naar buiten gewerkt door het gat in de zijmuur. Ze was duidelijk onder shock, klaagde van enorme pijn in het hoofd en had gezwollen ogen. Voor de rest geen open wonden en blijkbaar geen breuken.
God zij dank, alle 21 kostgangers die thuis waren hadden de ramp overleefd. De overburen hadden minder geluk en haalden twee dode kinderen vanonder het puin van hun huis. Bij een nevenbuur was er één dode. Later vernamen we dat er heel wat families uit de buurt meerdere doden telden. Ik reed in de voormiddag met een vriend mee naar het vormingshuis van Scheut in Tabarre (Cazeau). Daar was alles OK. Ik verneem er dat “Mon Reve” (provinciaal huis van scheut) eveneens in puin lag. Een confrater raakte licht gekwetst maar al de anderen waren gezond en wel.
Ondertussen was er in onze wijk een eerste hulpverlening tot stand gekomen met de MSF die een noodkliniek instelden op de binnenplaats van de Mormonenkerk in de buurt. Zo kregen Jasmin en Anne-Michelle eindelijk betere voorlopige verzorging. Later op de dag kwam Dirk Vermeyen hen samen met Hélène ophalen om een kliniek te vinden waar ze dan serieuze verzorging zouden krijgen. Ik wist pas de avond van de volgende dag waar ze effectief waren. Het feit van niet te kunnen telefoneren was een enorme handicap … Ondertussen begonnen we meer en meer de omvang van de ramp te beseffen.
Men spreekt al van 45.000 tot 50.000 doden. Mon Rêve werd met de grond gelijk gemaakt. Port-au-Prince ligt voor drie vierden plat. Ondertussen probeerden we enkele dingen die de schok hadden overleefd uit de puinhoop van ons huis te halen. We laadden alles in de autobus die voor de deur op straat stond, met de bedoeling die dingen dan naar het huis van Scheut in Tabarre te brengen.
Wachtend op nieuws van Helene en de twee kinderen, beslisten we dan toch nog maar de nacht mee door te brengen met de mensen uit de buurt op het open terrein. In de loop van de dag had ik al enkele van de kostgangers naar hun families in het binnenland doen vertrekken. Ik leed eronder geen nieuws te kunnen krijgen over de vele petekinderen en jongeren die meededen met onze jeugdactiviteiten. Doodmoe hoopte ik te kunnen slapen, maar lukte er weer niet in een oog dicht te krijgen. Om middernacht plots een algemene paniek.
“Iedereen te been, de bergen in, er is een Tsunami op komst!” Met duizenden trok ik samen met honderden angstige mensen de route de Delmas op in de richting van Petion-Ville. Onderweg ving ik beelden op van vernielde huizen en hier en daar dode lichamen onder een laken. Toen we bijna in PV waren vernamen we van een politie escorte dat deze paniek was gelanceerd door bendes die de mensen ver van hun huizen wilden krijgen om aldus te kunnen gaan plunderen.
 Moe van deze zinloze tocht installeerden we ons weer met de hulp van wat plastieken zakken en enkele lakens op een noodbed op het asfalt van de route de Delmas. Het devies was immers van niet te slapen in de buurt van muren of huizen. Geen kwestie weer van de slaap te vatten. Voor dag en dauw trokken we terug te voet naar beneden, naar de ruines van Huize Mamosa.

Donderdag 14 januari


Nog steeds geen middel om met Hélène in contact te komen. We probeerden in de voormiddag nog enkele dingen uit het huis te halen en ik reed met de grote bus naar Tabarre, waar de confraters uit Mon Rêve ondertussen ook onderdak hadden gevonden. Vier van onze haitiaanse seminaristen reden met me mee terug naar Mamosa om te helpen nog meer waardevolle dingen uit het puin te kunnen halen.
Zo slaagden we erin, de zonnepanelen, inverter, batterijen en Schotelantenne voor internetverbinding, die de schokken hadden overleefd, in veiligheid te brengen in de grote bus. Ook mijn computer bleek de schok te hebben overleefd, hoewel de monitor op de grond lag. Dank zij de (betaalde) hulp van een kerel die zich “specialist” verklaarde in inbraak in neergestorte gebouwen (de ene zijn dood is het andere zijn brood) konden Melanie en enkele van de kinderen kleding en enkele matrassen uit de middenkamer van het eerste verdiep halen.
In de namiddag reed ik dan met de rest van de kostgangers van Mamosa, die nog ter plaatse waren naar het huis van Scheut in Tabarre, waar allen onderdak vonden. Eindelijk de gelegenheid om wat op adem te komen, een stortbad te nemen en mijn vervuilde klederen te kunnen wisselen voor andere. Uit vrees voor nieuwe aardschokken sliepen we voor die nacht onder tenten opgesteld op het terrein achter het huis.
Ik vernam ondertussen dat Jasmin en Anne-Michelle verzorgd werden in het kamp van de Belgische dokters en dat er sprake was dat ze naar België zouden geëvacueerd worden voor medische bijstand. Hélène was bij hen en ik was gedwongen volledig op haar te vertrouwen, aangezien de omvang van de problemen waar ik me nu door moest werken. Het hinderde me niet te kunnen telefoneren en nog steeds geen internetverbinding te vinden.

Vrijdag 15 januari


Na het ontbijt trok ik terug naar wat eens het huis “Mamosa” was, nog eens met enkele seminaristen in de grote bus om nog meer dingen te kunnen redden uit wat er nog van het huis overschoot. Er was heel veel volk te voet op straat en het bleek dat ze in grote getale op weg zijn naar hun families in het binnenland, weg van de gruwel van de hoofdstad. We lukten erin nog heel wat dingen te redden, zoals de laptop van Wilnise die ongeschonden uit het puin kwam. Uit de buitenkeuken die niet getroffen was haalden we fornuis en butaanflessen. Verder konden we nog kleding van de kinderen en mezelf en enkele matrassen in de bus laden.
Over wat zich op de benedenverdieping bevond mogen we een kruis maken. We deden alles weer weg naar Tabarre. Bij mijn aankomst eindelijk internetverbinding waardoor het me lukte een eerste boodschap naar mijn familie te sturen. ’s Namiddags reed ik met mijn haitiaanse confrater Lesly Julien mee naar “Mon Rêve” om daar de wacht op te trekken voor de nacht (We doen het in beurtrol). Onderweg drong de grootte van de ramp nog meer door.
Overal langs de weg, ingestorte gebouwen, dode lichamen op straat en mensen op zoek naar zichzelf. We reden langs het gebouw waar het project “Bon Nouvel” is ondergebracht. Het betonnen dak lag als een laken geplooid over het tot op de grond afgebroken huis. In Mon Rêve aangekomen het zelfde desolate beeld. Hoe onze confraters en de Belgische coöperante die er waren op het moment van de aardbeving daar levend zijn uitgekomen is een mirakel. We slapen buiten op de verzakte parking voor het huis,”à la belle étoile”. Het werd weer een lange nacht want ik kon de slaap niet vatten.

Zaterdag 16 januari


Rond 8 uur kwam onze confrater, broeder Piet van Kampen in Mon Rêve aan samen met zijn leerjongens en degelijk materiaal, om aldus een weg te kunnen banen naar binnen om vooral belangrijke documenten terug te vinden, zoals de paspoorten van de confraters. Even later kreeg ik nog eens bericht dat Jasmin inderdaad in het kamp van de Belgische dokters was. Ik reed met pater Lesly mee terug naar Tabarre en kreeg zijn wagen te leen om hem op te zoeken.
Dit kamp was op Delmas 33 op het terrein van het staatshospitaal “La Paix” genaamd, waar deze Belgische delegatie een noodhospitaal in tenten had opgericht. Ik was blij Helene en Jasmin terug te zien. Anne-Michelle was ondertussen naar Hinche vertrokken. Mijn hart brak toen ik zag dat zijn voet inderdaad was geamputeerd. Ik liep wenend de tent uit en toen ik me terug onder controle had kwam ik terug bij hem. Hij had mijn emotie gezien en vroeg me waarom ik weende.
Toen ik hem eerlijkheidshalve zei dat dit was omwille van hem, repliceerde hij “Dan moeten we straks eens praten”. Jasmin toonde meer moed dan ik. Ik sprak met enkele van deze Belgische dokters en bewonderde hun inzet voor de slachtoffers. Ik nam Jasmin en Hélène mee naar Tabarre waar hij nu “voorlopig” thuis is. Vandaag eindelijk weer even internetverbinding …. Niet voor lang echter. Voor de nacht sliepen we weer onder de tent, ditmaal met Jasmin in ons midden. Rond vier uur in de morgen, weer een krachtige maar zeer korte aardschok ….

Zondag 17 januari


Ik ga plat onder al die spanning. Verschrikkelijk wat we hier meemaken. De lijst van vrienden en bekenden die de ramp niet overleefden wordt met de minuut langer. Nu het een eerder kalmere voormiddag werd nam ik even de tijd een voorlopige balans op te maken van deze enorme ramp.
Haiti is op sterven na dood. Niets en niemand werd door deze ramp gespaard. Schoolgebouwen, klinieken, kerken, supermarkten, winkels, regeringsgebouwen, het presidentiële paleis, en duizenden woningen werden met de grond gelijk gemaakt. Ze zijn verdwenen van de aardbodem of onbruikbaar geworden.
Tot nu toe zijn er nog honderden slachtoffers dood of levend onder het puin bedolven. Dank zij de internationale hulp kunnen medische zorgen worden gegeven, maar deze is onvoldoende. Het sociale leven ligt kompleet lam. De toekomst van MAMOSA is sterk gehypothekeerd. Het huis was weliswaar een huurhuis, maar het is helemaal niet aangewezen in Port-au-Prince nu een woonst te kunnen vinden die Mamosa kan herbergen. Wat zal de toekomst brengen?

Maak MO* mee mogelijk.

Word proMO* net als 3196   andere lezers en maak MO* mee mogelijk. Zo blijven al onze verhalen gratis online beschikbaar voor iédereen.

Ik word proMO*    Ik doe liever een gift