Damned! De verborgen kosten van megadammen

Energie uit waterkracht, het lijkt een even geniaal als milieubewust idee. Nochtans zijn zowel de economische, sociale als ecologische kosten van grote dammen meestal veel hoger dan de opbrengsten. Arundhati Roy beschrijft het schrijnende einde van Harshud, een Indiaas stadje dat verdwijnt als gevolg van de Narmada Sagar dam. Karen Janssens bericht vanuit Laos over de Nam Theun dam.
Vier jaar geleden bracht de World Commission on Dams (WCD) een lijvig rapport uit: Dammen en ontwikkeling: een beslissingskader. De commissie van twaalf politici, bedrijfsleiders, academici en activisten werd gesponsord door de Wereldbank en de World Conservation Union, maar werkte wel volledig onafhankelijk. Op basis van concrete gevalstudies en wars van dogma’s stelden de commissieleden richtlijnen op om “goede” (ecologisch en sociaal verantwoorde) van “slechte” dammen te onderscheiden.
De WCD kwam tot de conclusie dat grote dammen - hoger dan 15 meter- veel problematischer zijn dan kleinschalige dammen. Bij grote dammen zijn de kosten meestal groter dan de baten. De sociale en ecologische kosten zijn bovendien vaak verborgen en, omdat ze moeilijk meetbaar zijn, worden ze vaak onderschat. De baten worden dan weer bijna altijd overschat. Bij het verschijnen van het rapport van de WCD zei de Wereldbank dat ze de tekst zou gebruiken ‘als een waardevolle leidraad in het beslissingsproces rond leningaanvragen voor dammen’. Vier jaar later lijkt de realiteit een ander verhaal te vertellen.
De twee verhalen die volgen, uit India en uit Laos, tonen aan dat regeringen nog steeds meer geven om prestige en snel gewin dan om duurzame ontwikkeling. Hoewel de verhalen erg verschillend zijn, vertonen ze toch ook opvallend veel gelijkenissen, vooral in het overtreden van de richtlijnen. De Narmada dam in India negeert flagrant alle richtlijnen en toch zwaait de Wereldbank met het wierookvat. Ook de Nam Theun 2 in Laos gaat vaker tegen de richtlijnen in dan ze toe te passen, maar dat blijkt geen reden voor de Wereldbank om zich terug te trekken. Hoewel de WCD duidelijk stelt dat het vaak voordeliger is bestaande dammen te repareren dan nieuwe te bouwen, heeft men in India noch in Laos daarvoor geopteerd, al bestond de mogelijkheid. In geen van beide landen werd een degelijk onderzoek naar alternatieven uitgevoerd. In plaats van te vertrekken van concrete noden, laten regeringen zich op sleeptouw nemen door de megalomane dromen van projectontwikkelaars. In India wordt de compensatie van de getroffen bevolking helemaal niet ernstig genomen en in Laos worden wel beloftes gedaan, maar of die afdwingbaar zijn, is zeer de vraag.
Arundhati Roy

Voor de zondvloed


Harsud is een zevenhonderd jaar oud stadje in de Indische deelstaat Madhya Pradesh, dat moet verdwijnen omdat een grootschalig waterkrachtproject de hele streek onder water zet. De Indiase schrijfster Arundhati Roy, die al langer betrokken is bij de strijd tegen dammenprojecten op de Narmada, bezocht Harsud en hoorde de hartverscheurende kreet van een stervende gemeenschap. ‘Dorpen sterven stil, ‘s nachts. Steden gaan met een schreeuw, in volle daglicht’, schrijft ze.
Als straks het reservoir van de Narmada Sagar Dam volloopt, zal Harsud onder water verdwijnen. Het zal niet alleen zijn: 249 dorpen en 91.000 hectaren zullen mee verzuipen -om elders 123.000 hectaren te irrigeren. De National Hydro Power Corporation (NHPC), die onder andere de Narmada Sagar exploiteert, maakt zich sterk dat de dam uiteindelijk ook in de energiebehoeften van de staat zal voorzien. Er is weinig kans dat die claim ook gerealiseerd zal worden. Wat we wel zeker weten, is dat Madhya Pradesh vandaag 44,2 procent van zijn elektriciteit verliest in transmissie en distributie. Als de overheid nog maar de helft van de huidige verliezen zou voorkomen, dan wonnen we drie Narmada Sagars met maar een derde van de kosten, en zonder de sociale en ecologische vernieling.

De ingewanden van Harsud


Aan de rand van Harsud passeer je rijen en rijen tinnen golfplaten. Tinnen daken, tinnen muren, tinnen deuren, tinnen ramen. De huisjes zijn aan de buitenkant even verblindend als ze binnenin duister zijn. Een bord zegt: Overstroming Hulp Centrum. Het centrum is grotendeels leeg, op de bulldozers, jeeps, ambtenaren en politie na. En dan, onder de lage donderlucht, Harsud… als een scène uit een roman van Marquez.
Nog voordat we de stad binnenrijden, horen we uit luidsprekers telkens dezelfde aankondiging: ‘Bindt uw beesten vast. Laat hen niet loslopen. De overheid maakt de nodige schikkingen om hen te vervoeren.’ Mensen die niet weten waar ze naartoe kunnen, vertrekken. Ze hebben hun vee losgelaten in de verwoeste straten van Harsud. Maar de regering wil niet opgescheept worden met verdrinkend vee.
Tegen de horizon tekent zich het silhouet af van een gebroken stad. Een stad die binnenstebuiten gekeerd werd, haar privacy geschonden, haar ingewanden zichtbaar. Persoonlijke spullen, bedden, kasten, kleren, foto’s, potten en pannen liggen op straat. Het is een vreemd gezicht, hoe een gebleekte en kleurloze stad zo zinderend kleurrijk kan zijn aan haar binnenkant, met binnenmuren in elke schakering van turkoois, smaragd, lavendel en fuchsia. In verschillende huizen hangen gekooide parkieten aan gebroken balken. In de deuropening van een alleenstaande muur wiegt een kind langzaam in een sari-wieg en slaapt onverstoord. Elektrische kabels die van nergens naar nergens lopen, hangen naar beneden als gevaarlijke luchtwortels.
de betonnen geraamtes van de verwoeste gebouwen zitten mannen gehurkt, als vogels die niet kunnen vliegen. Ze hameren, zagen, roken, praten. De mensen van Harsud slaan hun stad tegen de grond. Dat doen ze zelf. De heel ouden en heel jongen zitten op hopen kapotte steen. De fitten en gezonden zijn druk in de weer. Ze halen hun huizen uit elkaar, hun levens, hun verleden, hun verhalen. Het puin wordt afgevoerd in vrachtwagens, tractoren en ossenkarren.
Harsud is hectisch. Het afbreken van een stad is een winstgevende zaak. Vanuit naburige steden arriveerden oud-ijzer-marchanten, houthandelaars en plastic-recycleerders. Ze onderhandelen hard, duwen de prijzen naar beneden, maken ongenadig misbruik van de soldes in tegenslag. Migrantenarbeiders kamperen in haastig opgetrokken kampen aan de rand van de stad. Zij zijn de armsten van de armen. Ze komen uit Jhabua en de dorpen rond Omkareshwar, waar ze door andere grote dammen op de Narmada verdreven werden. De welstellenden uit Harsud huren hen in voor handenarbeid. Een zwaar ondervoede verwoestingsmilitie. En zo sluit de cirkel van onbarmhartige verarming zich.
Er zit geen methode in de afbraak. En geen veiligheidsmaatregelen. Alleen maar dwaas gehamer. Een huis stort in op vier arbeiders. Als ze bevrijd worden uit het puin is een van hen bewusteloos. Een stalen staaf steekt in zijn voorhoofd. Maar het zijn slechts adivasi’s. Zij tellen niet. The show must go on.

Kroniek van een aangekondigde dood


Er zijn geen betrouwbare schattingen van het aantal dorpen dat door het Narmada Sardar Reservoir zal onderlopen. De Narmada Control Authority website baseert zich op cijfers van de volkstelling uit 1981 en gaat er van uit dat 30.000 families moeten verhuizen, waarvan 5600 -zo’n 22.000 mensen- uit Harsud. Toen de eerste dam op de Narmada gesloten werd in 1989, overstroomde er driemaal meer land dan berekend was door de ingenieurs van de overheid. In plaats van de voorziene 101 dorpen, verdwenen er 162 onder water. En er was geen compensatie. Tienduizenden mensen kwamen in ontbering en barre armoede terecht. Vandaag, vijftien jaar nadat die Bargi Dam in werking trad, zijn er nog steeds geen irrigatiekanalen gegraven. De dam irrigeert slechts zes procent van het land dat de overheid beloofd had, en dat is minder dan wat hij onder water zette. Alle indicatoren geven aan dat de Narmada Sagar een nog grotere ramp kan worden.
Is het echt mogelijk dat er 30.000 families zijn die nergens naartoe kunnen? Ministers en regeringsvertegenwoordigers verzekeren de pers dat een hele nieuwe nederzetting -New Harsud- opgetrokken werd nabij Chhanera, twaalf kilometer verderop. Op 12 juli verklaarde de minister van Financiën van Madhya Pradesh, Shri Raghavji: ‘De hervestiging van Harsud heeft gedurende jaren aangesleept, maar werd nu in zes maanden gerealiseerd.’

Leugens.


New Harsud is niets anders dan kilometer na kilometer braakland vol stenen. Een paar honderd van de armste families van Harsud zijn hier naartoe verhuisd en wonen nu onder zeildoek en tinnen platen. In New Harsud is geen water, geen riolering, geen beschutting, geen school, geen ziekenhuis. Bouwgronden zijn aangeduid als cellen in een gevangenis, met modderwegen die elkaar in rechte hoeken kruisen. Mensen krijgen water uit tankwagens. Soms. Er zijn geen toiletten en er is geen boom of struik in de buurt waarachter mensen kunnen pissen of kakken. Als de wind opsteekt, neemt hij de tinnen platen mee. Als het regent, kruipen de schorpioenen uit de natte aarde. En vooral, er is geen werk in New Harsud. Geen manier om in je levensonderhoud te voorzien. Als de media-aandacht verdwijnt, zullen ook de watertankwagens wegblijven. De mensen zullen achterblijven in een steenwoestijn met maar één optie: vluchten. Opnieuw.

Breek de mensen


Letterlijk iedereen waarmee we spraken, elke boer, elke arbeider, elke dorpeling, elke inwoner van Harsud, rijk en arm, man en vrouw, iedereen vertelde hetzelfde verhaal over de compensatieregelingen. Dorpsklerken en belastinginspecteurs streken neer in de regio en onderwaardeerden zowat alles. Geïrrigeerd land werd genoteerd als niet-geïrrigeerd. Cementen huizen werden opgeschreven als lemen hutten. Een boerderij van vijf hectaren werd er een van vier hectaren. Enzovoort. De enige oplossing was de ambtenaren om te kopen. De armen hadden daarvoor uiteraard niet voldoende cash in huis, maar de rijken slaagden er zelfs in hun koeienstallen te registreren als residentiële woningen. Maar zelfs deze absurde en onrechtvaardige compensatie werd niet volledig uitbetaald. Dus weigerden duizenden mensen in de dorpen en in Harsud hun huizen te verlaten.
De deelstaatregering wist dat ze Harsud moest breken om wanhoop en aanvaarding te verspreiden in de dorpen. Om paniek te zaaien, werd een overstroming gesimuleerd door de sluizen van de Bargi dam open te zetten. Op 23 juni steeg het water in de Kalimachak zijrivier met anderhalve meter. Niemand vertrok. Op 27 juni marcheerden meer dan 300 politiemensen en militairen door de verschrikte stad. Op 30 juni kwam het Hooggerechtshof met een halfslachtige verordening. De moraal in Harsud kelderde. De ochtend van 1 juli toerden auto’s met luidsprekers door de straten met de boodschap dat een beloofde gift van 25.000 roepies voor wie vertrok alleen uitgekeerd zou worden aan degenen die hun eigen huis afbraken. Die nacht. Harsud brak.
De hele nacht klopten mensen hun eigen huizen kapot met koevoeten, hamers en ijzeren staven. De volgende ochtend zag Harsud eruit als een wijk van het hedendaagse Bagdad.
De paniek verspreidde zich naar de dorpen. Daar waren geen nieuwsgierige blikken van de media en er werd dan ook niet gezwaaid met 25.000 roepies. In de plaats daarvan deed men een beroep op ouderwetse repressie. In dorp na dorp kregen we pijnlijk gedetailleerde verhalen te horen over hoe politiemannen de pompen demonteerden en de elektriciteit afkoppelden. Wie zich verzette, kreeg slaag. In elk dorp dat we bezochtten, was de school afgebroken of bezet door de politie.

Het been van Kallu Driver


We verlieten Harsud bij valavond. Onderweg stopten we bij het Overstroming Hulp Centrum. Er was nauwelijks iemand te vinden, al waren er wel enkele families in de tinnen barakken ingetrokken. Op een van de tinnen deuren hing een sticker: Export Quality. Binnen zat een man op de grond, maar door de duisternis was hij moeilijk te zien. Zijn naam was Kallu Driver, zei hij. Hij had zijn houten been losgegespt. Voeger was hij chauffeur, maar vijftien jaar geleden verloor hij zijn been bij een ongeval. Hij leefde alleen in Harsud. In ruil voor het afbreken van zijn lemen huis had hij een cheque ter waarde van 25.000 roepies gekregen. Driemaal was hij al naar Chhanera geweest om die cheque te innen.
Tevergeefs. Omdat hij geen geld meer had om de bus te betalen, was hij de vierde keer te voet gegaan. Weer was hij weggestuurd door de bank, met het verzoek over een dag of drie nog eens terug te komen. Hij nam zijn houten been en toonde hoe het afgesleten en versplinterd was. Hij vertelde ons dat elke ambtenaar hem bedreigde en probeerde te dwingen naar New Harsud te verhuizen. Kallu was onsamenhangend van woede. ‘Wat moet ik in die woestijn?’, vroeg hij. ‘Waarvan moet ik leven? Daar is niets.’ Een groepje mensen verzamelde zich aan zijn deur. Zijn woede voedde de hunne. Telkens iemand de regeringsambtenaren vernoemde, of de NHPC, vloekte hij. Zonder onderscheid van geslacht noemde hij ze allemaal maaderchod. Motherfuckers.
Weet hij veel dat feministen bezwaar maken tegen vernederende verwijzingen naar het lichaam van vrouwen.
De Wereldbank is het niet eens met Kallu Driver. In haar Draft Country Assistance Strategy (CAS 2004) schrijft de Bank: ‘De waterkrachtindustrie heeft jarenlang een slechte reputatie gehad, maar sommige grote spelers -waaronder de NHPC- hebben nu een begin gemaakt met het verbeteren van hun ecologische en sociale praktijk. Daarom zal de Bank uitzoeken hoe er opnieuw op beperkte schaal steun gegeven kan worden aan het ontwikkelen van waterkracht.’ Dat was al de derde keer dit jaar dat de Wereldbank expliciet haar waardering uitsprak voor de NHPC.
Het enthousiasme van de Wereldbank hoeft niet te verbazen. De strijd voor de water- en energiemarkten van de derdewereldlanden is de eenentwintigste-eeuwse versie van de vroegere koloniale rivaliteiten. En de NHPC zit nog met een heleboel dammenplannen en wil de komende dertien jaar zo’n 32.000 megawatt extra installeren. Dat is zoveel als 32 Narmada Sagars. De Wereldbank is niet de enige haai in het water. Een heleboel internationale banken financierden projecten van de NHPC: ABN Amro, ANZ, Barclays, Emirates, Natwest, Standard Chartered, Sumitomo. En officiële financieringsorganisaties of exportkredietverzekeraars uit Frankrijk, Canada, Japan, Groot-Brittannië en Zweden verleenden hun steun. Dat er een paar mensenrechten geschonden worden, kan hen niet deren. De belangen zijn te groot.
Het is donker op de terugweg naar Khandwa. We passeren de ene na de andere vrachtwagen met niet gemarkeerd, illegaal gekapt hout. Vrachtwagens voeren het woud weg. Tractors voeren de stad weg. De nacht voert de dromen van honderdduizenden mensen weg.
Ik ben het wel eens met Kallu Driver.
Al heb ik een probleem met vernederende verwijzingen naar het lichaam van vrouwen.
Karen Janssens

Een dam voor de armen


Hoe geraakt een land als Laos, nauwelijks industrieel ontwikkeld en met een kleine en slecht opgeleide bevolking, uit de armoede? De Laotiaanse overheid heeft alvast een plan: een grote dam bouwen, de elektriciteit verkopen aan Thailand en de winst investeren in armoedebestrijding en natuurbescherming. Lokale en internationale milieuorganisaties geloven de mooie praatjes niet.
de Wereldbank heeft Laos twee grote troeven om zijn economische ontwikkeling te lanceren: een grote voorraad tropisch hout en een enorm potentieel aan hernieuwbare energie.
Het voorstel om een dam te bouwen op de Nam Theun sluit daar perfect bij aan. De idee ontstond eind jaren tachtig en het gelegenheidsconsortium NT2PC (Nam Theun 2 Power Company) verklaarde zich bereid het reuzenproject realiseren. Het consortium bestaat uit een mix van Europese en Aziatische bedrijven: een Italiaans-Thais bedrijf, ITD, bezit 15 procent van de aandelen, de Electricity Generating Authority of Thailand (EGAT) heeft 25 procent, Electricité de France 35 procent en de Laotiaanse overheid de overige 25 procent.
De dam zal 979 miljard euro kosten en moet jaarlijks 1070 MW elektriciteit opleveren. Ludovic Delplanque, woordvoerder van NT2PC, zegt dat de dam Laos over een termijn van 20 jaar ongeveer 1,63 biljoen euro zal opbrengen. Meer dan een aardige bijverdienste voor een straatarm land.
Wie een kritische kanttekening durft te plaatsen bij de plannen voor de Nam Theun dam, krijgt al snel het verwijt “ecokolonialist” naar het hoofd geslingerd. Toch is het niet moeilijk om op ecologische of sociale gronden bezwaar aan te tekenen. De dam wordt gebouwd in een van de grootste en meest waardevolle natuurreservaten van Laos. Als het 450 km² grote reservoir volloopt, verdwijnen zeventien dorpen onder water en moeten zo’n 5700 mensen verhuizen.

Nong Bua, een van de bedreigde dorpen, is al verhuisd. Het nieuwe Nong Bua doet nu dienst als pilootdorp. De huizen staan netjes in rijen gerangschikt en zien er stevig en kraaknet uit, maar bomen en planten zijn nauwelijks te bespeuren. Mr Ho, een Laotiaanse overheidsambtenaar belast met de herhuisvesting, vertelt dat de plek voor het nieuwe dorp in samenspraak met de dorpelingen uitgekozen werd. ‘Dit gebied ligt in dezelfde spirituele zone als het oorspronkelijke dorp. Zo worden de geesten van de voorouders niet verstoord.’
James Chamberlain, een antropoloog die al dertig jaar in Laos woont en als onafhankelijk adviseur werkt voor de Wereldbank, bevestigt dat de getroffen bevolking sterk betrokken wordt. ‘Ik ben zeer onder de indruk van de publieksconsultatie die, onder druk van de Wereldbank, opgezet wordt. De mensen krijgen de kans open en diepgaand te discussiëren en compensatie te eisen. De Wereldbank moet nu al haar onderhandelingskracht gebruiken om die compensaties ook daadwerkelijk af te dwingen.’

Lucratieve verhuis


Uit het verhaal van mijnheer Ho blijkt hoe ver dat nu al gaat. ‘Alle gezinnen hebben mogen kiezen hoe hun huis eruit zou zien. NT2PC heeft voor elektriciteit en stromend water voor elk huis gezorgd en alle benodigde materiaal gekocht. De dorpelingen hebben zelf hun huizen gebouwd. De keukens wil niemand gebruiken omdat ze die veel te mooi vinden om in te koken.’ De inwoners bevestigen dat zij nu veel luxueuzer en comfortabeler leven dan voordien. Stromend water, elektriciteit, een hospitaal en een school in je dorp: daar kunnen veel Laotianen alleen maar van dromen.
‘Dit is de eerste keer in mijn leven dat ik in een echt huis woon,’ zegt Somsad, die voordien met zijn gezin in tijdelijke onderkomens in het bos leefde. Hij is erg blij met “het cadeau” van NT2PC en vertelt dat heel wat families uit de regio nu snel naar de andere dorpen in het overstromingsgebied verhuizen omdat ze hopen ook aanspraak te kunnen maken op zo’n mooi huis.

Aan de oevers van de Xe Bang Fai


De hervestiging ziet er voorlopig dus beloftevol uit. Maar daarmee is nog lang niet iedereen geholpen die getroffen wordt door de megadam. ‘De Nam Theun dam is wat ongewoon van opzet’, legt Ludovic Delplanque uit. ‘We zullen een tunnel uithakken in de rots om het water van de Nam Theun rivier naar de lager gelegen Xe Bang Fai rivier te leiden. Zo maken we optimaal gebruik van de unieke geografische locatie en kunnen we met relatief weinig investeringen heel veel energie opwekken.’
Wat Delplanque niet vermeldt, is dat de minstens 120.000 Laotianen die langs de Xe Bang Fai wonen daardoor te maken krijgen met de indirecte gevolgen van de dam. De verhoogde rivierstand zal het onmogelijk maken in het droogseizoen groente te kweken in de rivierbedding. En door de verwachte drastische daling van het visbestand verliezen duizenden mensen hun inkomen en nog veel meer hun voornaamste bron van eiwitten. NT2PC doet hoogstens vage beloftes van compensaties onder de vorm van irrigatiemogelijkheden en alternatieve teelten, maar zelfs een accurate schatting maken van het aantal indirect getroffen mensen blijkt al een erg moeilijke oefening.
Tussen de verdedigers van de Nam Theun Dam - de ontwikkelaars en de Laotiaanse overheid- en de critici -een heel aantal ngo’s- staat een aarzelende Wereldbank. Haar positie is nochtans cruciaal. De investeerders willen een garantie van de Wereldbank omdat de Laotiaanse overheid in hun ogen weinig geloofwaardig, want corrupt is. De Wereldbank moet uiterlijk tegen mei 2005 beslissen of ze de plannen voor de dam steunt. Is de beslissing negatief dan is de kans reëel dat de bouw van de dam niet doorgaat.
Mejia, medewerkster van de Wereldbank, zegt dat de Bank drie belangrijke eisen stelt: ‘Allereerst moet de bouw van de dam leiden tot een betere bescherming van het leefmilieu en tot vermindering van armoede. Ten tweede moet het project voldoen aan onze technische, economische en financiële eisen. Ten slotte willen we dat er zowel op lokaal als globaal niveau voldoende maatschappelijk draagvlak is voor de bouw van de dam.’ Wat de bescherming van het milieu betreft, is Mejia optimistisch: ‘Een deel van de winst zal geïnvesteerd worden in de bescherming van het natuurreservaat rond de dam. Dit is de beste manier om het woud van houtkap en illegale jachtactiviteiten te vrijwaren.’ Haar optimisme is niet helemaal gerechtvaardigd. De Wereldbank had bijvoorbeeld gevraagd geen hout meer te kappen in het hervestigingsgebied, toch gebeurde dat. Zoals er vandaag overal in Laos volop tropisch hout gekapt wordt.
Robert Mather, directeur van World Wildlife Fund (WWF) Thailand, kan zeggen wat zijn collega’s in buurland Laos moeten verzwijgen. Hij veegt het argument van milieubescherming meteen van tafel: ‘De dam word gebouwd in een beschermd natuurgebied, dat alleen al vinden we problematisch. Bovendien zal de dam het evenwicht in twee rivieren verstoren en vispopulaties zullen uitsterven of op zijn minst grote veranderingen ondergaan.
Is het niet een beetje absurd om de natuur hier kapot te maken om dan, met de winst die dat voortbrengt, elders de natuur te gaan beschermen?’ Mather is niet alleen bekommerd om de milieurisico’s, ook op sociaal vlak vreest hij onomkeerbare gevolgen: ‘De Thaise economie was sterk genoeg om de sociale kosten van de -vergelijkbare- Pak Mun dam min of meer te dragen en de getroffen dorpelingen konden werk vinden in Bangkok. Maar in Vientiane, de hoofdstad van Laos, zijn er geen alternatieve jobs en de Laotiaanse overheid is niet in staat om de kosten van sociale onlusten te dragen.’
In Dammen en ontwikkeling: een beslissingskader formuleerde de World Commission on Dams zeven richtlijnen waaraan iedere dam zou moeten voldoen om het label “duurzaam ” te verdienen. In Laos zijn er genoeg sites die in aanmerking komen om dergelijke duurzame dammen te bouwen, maar blijkbaar is dat niet de hoofdbekommernis van de Laotiaanse regering of van NT2PC. Delplanque’s antwoord op de kritiek dat NT2PC de richtlijnen van WCD niet naleeft, is even kort als duidelijk: ‘Het is onmogelijk die richtlijnen te volgen, want dan zouden we de dam niet kunnen bouwen.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 3181   proMO*’s steunen ons vandaag al. 

Word proMO* of Doe een gift