De Afrikaanse beurs houdt stand

1998 was niet alleen het jaar van de spoorwegellende, de wateroverlast en de wanprestaties van de Rode Duivels. De wereld huiverde in 1998 vooral door de financiële crisis die eerst Azië en nadien ook Rusland teisterde. Je kon maar beter in Afrika wonen waar men geen last heeft van beurscrashes of wanhopige aandeelhouders. Waar men alleen maar met bange ogen de bewegingen van de yens, euro’s en dollars volgt. Om te zien of de eigen schulden nog te overleven zijn.
Je zou voor minder chagrijnig worden. Op enkele maanden tijd verzamelde de financiële wereld honderd miljard dollar om de Aziatische crisis te bezweren, terwijl diezelfde wereld al jarenlang ruziet over de schuldverlichting van de armste Afrikaanse landen. De Wereldbank en het Internationaal Muntfonds discussiëren over het al dan niet toeschuiven van zeven miljard dollar naar die armste broertjes. Zeven miljard dollar: het bedrag waarmee in Parijs Eurodisney gebouwd werd.

Het is waar: de Afrikaanse economie stelt -op enkele mijnen en petroleumvelden na- op wereldvlak niet veel voor. Afrika beneden de Sahara produceert hooguit 5% van het mondiaal BNP en ontvangt nauwelijks 1% van alle buitenlandse investeringen. Het leeuwenaandeel van die investeringen belandt dan nog bij een beperkt kransje: Zuid-Afrika (80%), Nigeria, Angola, Kameroen en Gabon. De gezamenlijke schuldenlast van zwart Afrika, 235 miljard dollar, vertegenwoordigt slechts elf procent van de mondiale schuldenlast. Waarom dan niet gewoon de spons over de Afrikaanse schuldenlast? Al was het maar uit mededogen voor de miljoenen armen die er de menselijke prijs voor betalen? Maar over kwijtschelding durven zelfs de meest bevlogen utopisten niet meer spreken. De stoutmoedigste eis luidt vandaag: een verlichting van de schuld tot op een leefbaar niveau.


EIGEN SCHULD, DIKKE BULT?

De Afrikaanse schuldenberg ontstond een kwarteeuw geleden door de beruchte oliecrisis. Door de toevloed van petrodollars stonden banken goedkope leningen toe aan derdewereldlanden. Dat gemakkelijke geld kwam goed van pas voor de legers en de leiders van corrupte en megalomane regimes. Het was het tijdperk van de ‘witte olifanten’ en van de ‘vuile leningen’ zoals deze aan het Zuid-Afrikaanse apartheidsregime. Nu en dan betrof het ook goed bedoelde projecten. Ook in Afrika kan een investering door overmacht slecht aflopen. Met een beetje verbeelding en iets meer goede wil had de Inga-stuwdam in het voormalige Zaïre kunnen uitgroeien tot een industriële pool. Wanneer in 1979 de olieprijzen opnieuw stegen en tegelijk de intrestvoeten verhoogden, deden de schulden voor het eerst echt pijn. Afrika repliceerde door de exportproductie van grondstoffen op te drijven. Dat verergerde de toestand alleen maar. Door de overproductie doken de grondstoffenprijzen naar beneden waardoor een neerwaartse spiraal ontstond: Afrika moest meer lenen om schulden te kunnen vereffenen. Tussen 1980 en 1998 verviervoudigde Afrika’s totale buitenlandse schuld.

Niet zozeer de economische of militaire elites maar vooral de bevolking van de schuldlanden werd getroffen. Vandaag besteedt de Senegalese staat 74 procent van zijn uitgaven aan de terugbetaling van zijn buitenlandse schuld. Voor Bintou Diop, onderwijzeres in Guediawaye, zijn de gevolgen van dit cijfer tragisch in haar dagelijks leven: ‘Thuis ben ik de kostwinner. Het maandelijkse sommetje dat wij innen door het vervroegd pensioen van mijn man is verwaarloosbaar. Door de dramatische prijsstijgingen van basisproducten zoals melk, olie en meel leven wij uiterst zuinig. Vlees en eieren zijn luxe. Op school is het huilen met de pet op. Stromend water of toiletten voor kinderen en leerkrachten zijn niet te vinden. Wie lesgeeft, moet zelf het krijt kopen.’ Elders in zwart Afrika is het niet anders. Wegens het terugbetalen van de schulden worden het onderwijs, de gezondheidszorg, de landbouw en het milieu veronachtzaamd. Het bedrag van de jaarlijkse schuldaflossing van Niger, het armste land ter wereld, ligt drie keer hoger dan de gezamenlijke uitgaven voor gezondheid en onderwijs. Niger kent geen oorlog, hongersnood of epidemieën. Maar één op drie kinderen wordt geen vijf jaar oud door ondervoeding. De dorpen overleven op maïs omdat er geen geld is voor zaden en meststoffen. In Zambia geeft de regering in vergelijking met tien jaar geleden zes keer minder uit voor het lager onderwijs en drie keer minder voor de gezondheidszorg. Mozambique besteedt anno 1998 vier keer meer aan zijn schuldaflossing dan aan de gezondheidszorg. Jaar na jaar sterven er tienduizend vrouwen in het kraambed en halen tweehonderdduizend baby’s en kleuters hun vijfde levensjaar niet. Voor de Anglicaanse aartsbisschop van het Zuid-Afrikaanse Kaapstad, Njongonkulu Ndungane is de maat vol: ‘Wij leven in een economisch stelsel dat overmatig lenen aanmoedigt. De allerarmsten zitten niet enkel in de greep van deze economie, zij zijn er de slaven van. Voor elke dollar die wij van rijke landen lenen, moeten wij er elf terugbetalen als schuldaflossing. Dat soort economie miskent de waardigheid van rijk én arm.’

DE BERG BAARDE EEN MUIS

Dat Afrika niet alleen stond met zijn schuldenprobleem, was al in de jaren tachtig duidelijk geworden. Mexico trok in 1982 aan de alarmbel door een moratorium af te kondigen op zijn schuldendienst. De kredietverstrekkers verkeerden in opperste staat van paraatheid. Er werd een regeling getroffen voor een aantal Zuid-Amerikaanse landen via de zogenaamde ‘Brady-operaties’. De schuld van midden-inkomenslanden werd verlicht en het economische leven kon weer op gang komen. Maar lage-inkomenslanden, zoals de meeste landen van zwart Afrika, bleven aan de kant staan. De Leuvense professor economie Lodewijk Berlage verduidelijkt: ‘De bankwereld was paradoxaal genoeg veel royaler voor Latijns-Amerika dan voor Afrika. Het was een direct gevolg van het beperkte belang dat aan Afrika werd gehecht. De Verenigde Staten, Duitsland en Japan waren niet van plan om toegevingen te doen aan Afrika. Ze wilden hoogstens onderhandelen over een schuldherschikking, niet over een vermindering.’

Een revolutie in de discussie over de schuldenproblematiek kwam er pas in 1996 toen het Internationaal Muntfonds en de Wereldbank een schuldverlichting voorstelden aan de 41 armste schuldenlanden (HIPC: Heavily Indebted Poor Countries). Ophefmakend was dat het HIPC-initiatief alle schulden omvatte: de bilaterale (tussen regeringen), de commerciële (tussen regeringen en banken) en de multilaterale schulden (die bij het IMF en de WB). Daarnaast beloofden de schuldeisers om hun beslissingen op elkaar af te stemmen en spraken ze voor het eerst over de ‘leefbaarheid’ van de schuldenlast voor de betrokken landen. Een leefbaar niveau betekende dat de schuld niet groter mocht zijn dan 200 tot 250 procent van het jaarlijks inkomen uit export en dat de intresten op de leningen niet boven de 20 tot 25 procent van het jaarlijks inkomen uit export mochten stijgen. In principe kon het HIPC-initiatief 300 miljoen mensen uit de ergste armoede redden. Aanvankelijk selecteerde men 25 Afrikaanse landen. Maar in april 1998 kwamen er nog maar vier in aanmerking voor een spoedige schuldverlichting: Burkina Faso, Ivoorkust, Mozambique en Uganda. Alleen dat laatste land werd in de loop van dit jaar effectief 350 miljoen dollar schulden kwijtgescholden. Maar voor aandachtige waarnemers werd het onderhand duidelijk dat het HIPC-initiatief veel meer beloofde dan het realiseerde. De selectiecriteria voor de landen die in aanmerking kwamen voor een schuldverlichting bleken streng en willekeurig. De geselecteerden moesten zich zes jaar lang onderwerpen aan zware structurele aanpassingsprogramma’s van het IMF en de WB en de definitie van ‘leefbaarheid’ van een schuld voor de bevolking zorgde voor onenigheid tussen de financiële instellingen en de organisaties die dicht bij de bevolking staan.

Het was ook Afrika niet ontgaan dat het budget van het HIPC-initiatief voor Afrikaanse landen vijf keer lichter was dan dat voor de redding van de Mexicaanse peso in 1995.

WAT WE ZELF DOEN, DOEN WE BETER

Door die manifeste onwil en Westerse vooringenomenheid nam de grimmigheid beneden de Sahara toe. De Kameroense socioloog Jean-Marc Ela, binnenkort eredoctor aan de KU Leuven, schreef in Le Monde Diplomatique: ‘De verpaupering van het continent is een rechtstreeks gevolg van de criminalisering van de staat en van de economie. Die criminalisering houdt onmiddellijk verband met het IMF en de WB die het wapen van de schuld gebruiken om de staatsmacht te verzwakken en om de Afrikanen te verplichten zich te bekeren tot de wereldmarkt.’ De Senegalese Yassine Fall, coördinatrice van de Afrikaanse Vrouwenvereniging voor Onderzoek en Ontwikkeling zegt ons: ‘Eeuwen lang leverden wij het Westen gratis slaven. In de koloniale tijd waren het gratis werkkrachten. En nu zouden jullie van ónze schuld een prioriteit willen maken? Zeg niet meer dat jullie ons willen helpen. Wij eigenen ons het recht toe om jullie economische spelregels niet langer te aanvaarden. Wij willen, zonder het IMF en de WB, onze eigen prioriteiten en toekomst bepalen.’ Tegenover het koude, economische argument dat wie leent ook moet terugbetalen, oppert Afrika een berg historische en ethische bezwaren. Er is niet alleen de slavernij of de sociale ravage die de schuldenlast aanrichtte. Er is ook een ‘politieke schulden’-dossier. Het is niet toevallig een Zuid-Afrikaanse professor die heel indringend de problematiek van de ‘vuile schulden’ verwoordt. Dennis Brutus: ‘De schuldenlast is een obscene realiteit. Het IMF leende geld aan het apartheidsregime en verwacht nu van Nelson Mandela’s regime dat het die leningen terugbetaalt.’ Voor deze ‘vuile schulden’ tast Afrika ook, soms moeizaam, in eigen boezem. Wanneer bijvoorbeeld de desastreuze erfenissen van de Amins, Mobutu’s en Bokassa’s ter sprake komen. Deze beruchte potentaten en hun baronnen leefden en verteerden op de rug van hun Afrikaanse broeders en zusters. Voor hen en hun nakomelingen gelden de harde woorden van Nelson Mandela’s rechterhand, Thabo Mbeki: ‘De dieven en hun handlangers, de corrupten en hun slachtoffers, zijn Afrikanen zoals u en ik. Wij zijn de boeven en de helers die samenspannen om ons continent en zodoende ook onszelf leeg te roven.’ Voor Mbeki is de tijd aangebroken voor een opstand tegen allen die ‘de rijkdommen van het volk roven’. Hij riep politici, zakenlui, jongeren, vrouwen, activisten, kerkelijke leiders, kunstenaars en arbeiders op tot engagement voor een Afrikaanse renaissance. Het appèl van Mandela’s opvolger steunde op de ervaringen die hij opdeed tijden zijn jongste rondreis door het continent. Maar meer nog dan de groeiende tegenstelling tussen arm en rijk vond hij in de veerkracht van altijd jong Afrika voldoende argumenten om te spreken over een nieuwe ‘opstand’. Daarmee staat hij niet alleen.

Begin dit jaar concludeerde een studie van de gerenommeerde Britse zakenbank Flemings dat Afrika momenteel de snelst groeiende regio in de wereld is. Terwijl op de andere groeimarkten door de opeenvolgende crisissen in Azië, Rusland en Latijns-Amerika het pessimisme hand over hand toenam, hielden Afrikaanse aandelen goed stand. Van de dertien Afrikaanse lokale beurzen die Flemings analyseerde, presteerden er negen beter dan het wereldgemiddelde. Dertien Afrikaanse landen (waaronder weliswaar enkele Noord-Afrikaanse landen) kenden de jongste jaren een gemiddelde jaarlijkse economische groei van zes procent. Voor bankstrateeg Jonathan Garner van Flemings is afro-optimisme gewettigd: ‘Afrika schiep voldoende ruimte om billijke investeringen mogelijk te maken. In vele Afrikaanse landen zijn de algemene economische regels van toepassing. Het continent plukt de vruchten van een economische ontwikkeling in het spoor van wat de Aziaten en Latijns-Amerikanen vóór hen realiseerden.’ De resultaten van de Britse studie werden in de loop van dit jaar bevestigd. De Afrikaanse Ontwikkelingsbank stelde in haar jaarrapport vast dat er nu nog slechts zes landen (in 1990 nog zeventien) negatieve groeicijfers voorleggen. Dat rapport noteerde ook dat de gemiddelde inflatie teruggevallen was van 40% in 1994 tot 17% in 1997. In het najaar werd al dat goede nieuws nog maar eens beaamd door het handels- en ontwikkelingsrapport van de Verenigde Naties. Onderscheidingen werden door het VN-rapport uitgedeeld aan Mauritius, Botswana, Namibië en Ivoorkust wegens ‘hun stabiliteit, dynamisme en openheid naar de wereldmarkt.’

Ook Ted van Hees, coördinator van Eurodad, een Europees netwerk voor schuldenlast en ontwikkeling, vindt optimisme gewettigd wegens de nieuwe politieke en economische cultuur die op het continent groeit. Hij zegt: ‘In het Ugandese parlement kunnen representatieve groepen uit de samenleving -de zogenaamde civiele maatschappij- de buitenlandse leningen en terugbetalingen van de overheid mee beoordelen op hun nuttigheid. In Tanzania is er een gelijkaardig proces aan de gang.’ In Benin en Mozambique woonde Ted van Hees twee conferenties bij van de civiele maatschappij over schuldenlast en structurele aanpassingsprogramma’s. Op de conferenties was ook plaats voor de vertegenwoordigers van de regering, de Wereldbank, het IMF, de VN en donorlanden. In Mozambique stond in de slottekst van de conferentie: ‘De participatie van het volk in het beleid inzake de schulden is van fundamenteel belang voor de ontwikkeling.’ Van Hees vertaalt: ‘Elk ontwikkelingsprogramma moet eigendom zijn van de belanghebbenden. Alle hulp, alle voorwaarden bij schuldaflossing en alle herstructureringsprogramma’s moeten zich baseren op politieke en maatschappelijke krachten die het beleid mee mogen bepalen.’ Dit hangt onvermijdelijk samen met de cruciale voorwaarde voor een mogelijke schuldverlichting: ‘good governance’ of goed bestuur. Concreet gaat het om democratisering, stabilisering en het bevorderen van onafhankelijke rechtspraak en de inspraak van de burgers. Lodewijk Berlage kiest daarom op de eerste plaats voor een pragmatische aanpak van het schuldenprobleem. Hij zegt: ‘Het grootste probleem voor de Democratische Republiek Congo is op het ogenblik niet de schuld, maar wel het op poten zetten van een staatsapparaat. Laat ons eerst werken aan de welvaart van het volk, dan aan de politieke stabiliteit en vervolgens de onbetaalbare vorderingen schrappen. Zo kan een land met een propere lei herbeginnen.’

GISTEREN WAS DE BESLISSENDE DAG

Aan goede ideeën en initiatieven om de schuld van de armere landen te herzien en te verlichten, ontbreekt het niet. De internationale campagne Jubilee 2000 pleit via een massale handtekeningactie ter gelegenheid van het jaar 2000 voor de eenmalige opheffing van de onbetaalbare en onleefbare schulden van de armste landen. Dat die positie de monetaire cenakels irriteert, bleek de afgelopen zomer uit een bitsige confrontatie tussen James Wolfensohn, voorzitter van de Wereldbank en 735 Anglicaanse bisschoppen op de Lambeth-wereldconferentie in Canterbury. Aartsbisschop Carey van Canterbury noemde daar de internationale schuld een ‘gigantisch moreel probleem’. Waarop Wolfensohn pathetisch reageerde: ‘Wij van de Wereldbank zijn gespecialiseerd in ontwikkeling, jullie in mensen en gemeenschappen. Wij zouden beter samenwerken om de armen te dienen, in plaats van elkaar te bekampen.’ Carey antwoordde dat het onnoemelijke lijden dat in Afrika door de schuldenlast wordt veroorzaakt ontoelaatbaar is voor een beschaafde wereld.

Her en der levert men ook slag om het HIPC-initiatief bij te sturen. De Britse regering lanceerde eind september het voorstel om tegen het jaar 2000 het HIPC-initiatief uit te breiden tot drie kwart van alle arme landen. CIDSE, een koepel van katholieke ontwikkelingsorganisaties (waaronder Broederlijk Delen) pleit voor een versoepeling van de criteria en een nieuwe definitie van het begrip ‘leefbare schuld’. Vanuit verschillende hoeken dringt men anderzijds ook aan op een onafhankelijk organisme dat de schuldenlast zou evalueren. Jürgen Kaiser, coördinator van het Duitse initiatief ‘Ontwikkeling door Vergeving’ zegt: ‘Het Westen kan niet tegelijk aanklager en schuldeiser zijn van Afrika. Wij kunnen geen geld eisen en ook nog zelf beslissen wat er gebeurt met betalingsonbekwame debiteurs. Dat is in onze eigen financiële wetgevingen totaal ondenkbaar.’

Naast campagnes en de confrontatie met de schuldeisers zijn er ook nog voorstellen die dichter bij huis liggen en de eigen economie in vraag stellen. De Ghanese Affiong Limene Southey zei op een recente Jubilee 2000 conferentie in Washington: ‘Terwijl de schuldenlast in Afrika mensen tot honger en armoede drijft, beseffen de bewoners van het Noorden nauwelijks dat ze profiteren van de schuldencrisis. De lage grondstoffenprijzen, de goedkope arbeid en de goedkope producten die wij leveren, maken het leven makkelijk in Europa maar ondraaglijk in Afrika.’ Van zijn kant berekende de Nederlandse hoogleraar internationale economie J. Harrod van het Institute for Social Studies in Den Haag hoeveel het Westen verdient aan de rente van leningen aan ontwikkelingslanden. Per inwoner uit de rijke wereld leverde dat vorig jaar 7300 BEF op. Harrod besluit daaruit dat banken en bedrijven die werken met corrupte regimes extra belastingen moeten betalen. De hoogleraar maakt ook een opmerkelijke verbinding met de asielpolitiek in de Lage Landen: ‘Rente op schulden is belangrijker geworden dan winsten van de multinationale ondernemingen. Burgers zouden hun regeringen en banken moeten vragen of het wel zo slim is hiermee door te gaan als blijkt dat geld lenen aan landen met corrupte regimes stromen vluchtelingen genereert. Onze landen putten zoveel voordeel uit, bijvoorbeeld, Nigeria dat een Nigeriaanse asielzoeker met het volste recht om onze steun kan vragen.’

De relatieve rust op de beurzen van Afrika is misleidend. Zelfs de gunstige economische prognoses verhullen de blijvende last van de buitenlandse schuld. Met nog slechts 375 dagen vóór 2000 klint de vraag naar gerechtigheid extra scherp. De tijd om van deze eeuw nog een rechtvaardige eeuw te maken is bijna op. Misschien biedt de Afrikaanse schuld nog een kans om tenminste een gebaar in de goede richting te stellen.

(kader 1)

Witte olifanten en witte bureaucraten

Wanneer Afrikaanse zakenlui bij recepties glimlachend het glas heffen op de toekomst of op een pas gesloten deal vallen de Italiaanse dassen en maatpakken op. De economische groei in Afrika wordt betaald door in te boeten op zelfbeschikkingsrecht. Waar vier jaar geleden de hele Ugandese banksector nog in Ugandees beheer was, zijn er vandaag dertien Ugandese banken in Westerse handen. In Nigeria bestond er tot voor kort een decreet waardoor de participatie van vreemd kapitaal in de Nigeriaanse economie beperkt werd. In 1998 is dat geen probleem meer: buitenlanders mogen tot 100% van de aandelen opkopen. Het meest opvallend zijn de hervormingen van de Afrikaanse Ontwikkelingsbank (BAD) die naast het Internationaal Muntfonds en de Wereldbank de belangrijkste multilaterale schuldeiser is in Afrika. Moeilijkheden dwongen de BAD tot een uitzuivering van de verhouding tussen de Afrikaanse en niet-Afrikaanse aandeelhouders. Resultaat: vanaf januari 1999 stijgt het kapitaalsaandeel van de 24 niet-Afrikaanse staten en organisaties van 33 tot 40%. De stafleden van de hoofdzetel in Abidjan (Ivoorkust) zijn steeds meer niet-Afrikanen. Op de vraag van het weekblad ‘Jeune Afrique’ of de BAD wel enige autonomie overhield tegenover het IMF of de WB antwoordde voorzitter Omar Kabbaj gelaten: ‘Wij blijven dialogeren om enkele Afrikaanse accenten te kunnen leggen.’

(kader 2)

Het is de schuld van de vrouwen

‘Als vrouw kan ik enkel geneeskundige hulp vragen voor mijn kinderen als hun vader de bureaucratische procedure volgt en op de rechtbank een volmachtformulier bemachtigt waarmee hij zijn ‘vaderlijke macht’ kan delegeren. De meeste mannen weigeren dit omdat ze zich dan bedreigd voelen in hun recht om sociale zekerheid te bekomen voor hun kinderen.’ Aan het woord is Awa Seck, een verpleegster uit Yoff, nabij de Senegalese hoofdstad Dakar. Om de kosten voor medische hulp drastisch te verminderen en zo tegemoet te komen aan de herstructureringseisen van het Internationaal Muntfonds en de Wereldbank, discrimineert de Senegalese staat op de eerste plaats vrouwen.Volgens Yassine Fall, coördinatrice van de Afrikaanse Vrouwenvereniging voor Onderzoek en Ontwikkeling, feminiseert daardoor de armoede: ‘De meerderheid van de Afrikaanse vrouwen hebben een erg laag inkomen en een grote verantwoordelijkheid. Als de staat essentiële posten als onderwijs en ziekenzorg van zich afschuift, brengt hij op de eerste plaats de vrouwen in moeilijkheden.’ Dat vindt ook het Ugandese parlementslid Grace Akello: ‘De grootste slachtoffers van de schuldenlast zijn vrouwen. Zij onderhouden de kinderen, de mannen en de bejaarden. Zij moeten ervoor zorgen dat de kinderen naar school gaan en als ze ziek zijn naar de dokter. Maar als 70% van het BNP wordt verslonden door de terugbetaling van schulden, is er niets meer over om wegen aan te leggen of ziekenhuizen te bouwen voor het volk.’

Zonder jouw steun bestaat MO* niet.

Wil je dat MO* dit soort verhalen blijft brengen?
Steun ons en word proMO* voor maar €4/maand of doe een vrije gift. 2623   proMO*’s steunen ons vandaag al.

Word proMO* of Doe een gift

Over de auteur